1.445
23

Journalist

Abdelkarim El-Fassi (1985) studeert Nieuwe Media aan de Universiteit van Amsterdam en is naast filmmaker, columnist voor KRO Hemelbestormers en vaste schrijver voor wijblijvenhier.nl

Een kijkje in de bloedige keuken van het Offerfeest

Onwetendheid is een zegen

Bij de termen ‘rituele slacht’ en ‘offer’ denk je al gauw aan een zwarte cirkel, spreuken, kippenpootjes, slangenbloed en wat Arabisch gebrabbel. Maar het islamitisch Offerfeest lijkt daar in de verste verte niet op. Afgezien van het ochtendgebed en de spirituele bedevaartgangers die op de treurbuis te zien zijn, is het feest in huize El-Fassi een rauw spektakel. Confronterend, maar dichter bij de natuur kom je niet.

Zo schrijft Ephimenco in een poging tot een ‘diepe’ analyse in Trouw dat het feest barbaars is – en in tegenstelling tot de miljoenen eenden en ganzen die we voor foie gras martelen – niét in onze samenleving past. Hij heeft het over bloedfascinatie en de duistere zijde van de islam. Anderen hebben het over botsingen met onze opvattingen over individualiteit, of over een collectieve verheerlijking van totale onderwerping.

Ik geef je een kijkje in de keuken van het bloedige Offerfeest. Het hele proces. Soms in detail, een enkele keer zal ik het aan de verbeelding overlaten. Ik waarschuw alvast. Consequente dierenknuffelaars kunnen beter stoppen met lezen. En dan heb ik het dus niet over die types die op Facebook schattige foto’s van koala’s verspreiden, maar wel wakker gemaakt kunnen worden voor een biefstukje met pepersaus. De mensen met een onvoorwaardelijke liefde voor de maag daarentegen zullen hier niet van schrikken.

Ik weet niet of de eerste generatie moslims hun schapen en masse op de balkons slachtten, voor zover ik me kan herinneren hebben wij dat nooit gedaan. Al sinds ik een klein jongetje was, mocht ik met mijn vader mee. Naar de boerderij van de Nederlandse boer Hendrik, waar we ook onze zuivelproducten haalden. Daar werd er een volwassen schaap of een lammetje uitgekozen, alles behalve willekeurig. Mijn vader heeft een zesde zintuig voor mals vlees. Eenmaal geselecteerd sleepten we het beest mee, de ogen en oren bedekkend. Het geluid van een geslepen mes ging bij mij al door merg en been. Dat probeerden we het schaapje te besparen. Net als het aanzien van het zilveren lemmet. En toch verraadde onze aanwezigheid wat er komen ging. De pootjes gingen steevast in zand, gesterkt door angst. Dichter bij de dood ben ik nooit gekomen.

Ik mocht als klein jongetje niet helpen het dier te temmen. Daar was ik nog niet sterk genoeg voor. Mijn broers wél. Na de halssnede werd er gewacht tot het dier uitgebloed was, vervolgens gevild. Daarna werd het gewikkeld in een goedkope vuilniszak en op de schouder van mijn vader als een trofee in de kofferbak gedeponeerd. Eenmaal thuis aangekomen werd het warme vlees in de schuur opgehangen, dan mocht het kadaver er in de koele schuur een nachtje over slapen. Traditie is om de lever op de eerste dag te eten, het wordt slechts seconden in olijfolie gebakken, daarna geserveerd, binnen minuten verorberd. Ook de ingewanden werden niet gespaard, die stonden meestal in avonduren op het menu. Soms, en die dagen kan ik me vanwege de ondraaglijke stank nog goed herinneren, werd de schapenkop gezengd. Er zijn er ook die de schapenballen lusten, plain, allesbehalve geserveerd op een bedje van raapstelen. Menig oom zou er een schapenmoord voor begaan.

Hier spreekt geen fan.

De volgende dag haalde mijn vader een bijl en overall tevoorschijn. In de keuken werd er in mootjes gehakt en gezaagd. De bloedspetters kwamen tot aan het plafond en de botsplinters vlogen in het rond. Soms werden er per gezin wel vijf lammeren geofferd. Ik ken lui die er speciaal een extra koelkast voor hebben aangeschaft. Naarmate het vlees in stukken verdeeld was begon het fijnere werk. Snijden, kruiden, laten intrekken, aan satéstokjes rijgen en barbecueën. Dat werk.

Dat was toen ik een klein jongetje was. Lang geleden. Maar voor de Ephimenco’s van deze tijd is er hoop. In Vlissingen wordt het vlees tegenwoordig aangeleverd in een grote vrachtwagen, geslacht en wel. Daar wachten hongerige muzelmannen op hun beurt om het vlees naar de plaatselijke slager te brengen, die het dan weer vakkundig verwerkt. Er komt tegenwoordig geen overall of bijl meer aan te pas.

Van de schapenkop en diens ballen heb ik in geen jaren iets vernomen. Het plafond in de keuken hoeft niet meer gewit te worden, en ook de doodsangst van een schaap wordt ons vandaag de dag bespaard. Het zal misschien nog even duren, voordat het vlees, net als bij u, zich tijdens het Offerfeest in plastic verpakkingen aandient. Schaalvergroting en efficiëntie is ook moslims niet vreemd. Bovendien heb ik vrienden die vegetarisch het Offerfeest in- en uitgaan. Daar vloeit in plaats van bloed, de pompoensoep rijkelijk.

Voor zover het Offerfeest. Afgezien van die ‘gekke’ moslims die ons elk jaar weer confronteren met de innerlijke barbaar, of met de verheerlijking van de onderwerping, kunnen we onszelf weer wijsmaken dat vlees aan bomen groeit. Het slachten laten we over aan de Ander, want het is inhumaan. Dieronvriendelijk. Wegkijken is het devies. Maakt u zich vooral wijs dat het bloedvergieten slechts plaatsvindt in culturen en oorden waar de beschaving hen nog niet bereikt heeft.

Het is weer voorbij mensen. De meerderbedeelden kunnen eindelijk weer met een gerust hart aan de Ris de Veau ami Fritz. De rest aan de nuggets en frikadellen. Onwetendheid is een zegen.

Eet smakelijk.

Volg Abdelkarim El-Fassi op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (23)