1.503
55

Lobbyist en Politiek Filosoof

Robbert Baruch is Manager Public Affairs bij Buma/Stemra. Hij is op 12 oktober 1967 in Amsterdam geboren. Hij studeerde Politicologie (Politieke Filosofie) en Bestuurskunde in Leiden en Theologie in Amsterdam en Jeruzalem. Zijn studie politicologie rondde hij af met een scriptie over Vondel's Palamedes en de 17e-eeuwse Nederlandse politieke filosofie. Na zijn studie werkte hij achtereenvolgens als communicatiestrateeg bij een internationaal reclamebureau, communicatiemanager bij de ING Groep, bestuursadviseur, wethouder van de Rotterdamse deelgemeente Feijenoord en lobbyist voor het Verbond van Verzekeraars in Den Haag.

Een oom van mij vocht mee met de Duitsers

Voor het stilstaan bij het tragische lot van de Duitse soldaten zijn in een schrikkeljaar 365 andere dagen beschikbaar

Ik wil u een geheim vertellen, maar ik hoop dat u het verder voor u houdt: een oom van me vocht aan Duitse kant mee tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat zit zo: mijn overgrootmoeder was het product van een buitenechtelijke relatie en groeide op bij een niet-Joodse pleegfamilie, in Dresden. Ze trouwde met haar stiefbroer, en kreeg twee kinderen van hem, maar toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog naar het front moest, werd ze zwanger van een andere man, die overigens wél Joods was. Ze scheidde van haar stiefbroer, maar kreeg daarna nog wel drie kinderen van hem.

Zij had dus 6 kinderen, waarvan er vijf volgens de Neurenberger rassenwetten half-joods waren, en 1 voljoods; mijn grootvader. Die vluchtte uit Duitsland, kwam via de Roode Hulp op de Gedempte Botersloot in Rotterdam terecht, waar hij iemand ontmoette die hem introduceerde bij mijn grootmoeder. Later vluchtte hij naar Engeland waar hij als Duitser voor een tweede keer in een kamp kwam.

Eén van de dochters van mijn overgrootmoeder trouwde met ene Herbert. Deze Herbert moest het leger in en heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog in het leger gevochten. Ik wist dit allemaal niet, maar vorig jaar ben ik de zoon van deze Herbert gaan opzoeken, die nog steeds vlakbij Dresden woont. Toen ik een foto van Herbert op de kast zag staan. In vol ornaat, met hakenkruis en al, moest ik natuurlijk wel even slikken.

Die arme Duitse soldaten. Die arme, arme Duitse soldaten. Ik heb het niet over de SS-vrijwilligers, maar de gewone sullen die er ook niet voor gekozen hebben om in Duitsland geboren te worden, dienstplicht moesten vervullen en er niet onderuit konden, durfden of wilden komen. Sinds ik For Whom the Bell Tolls heb gelezen ga ik daar geen makkelijk moreel oordeel over vellen. Voetbal is misschien oorlog, maar oorlog is geen voetbal. De wedstrijd op zich is namelijk niet mooi. En gejuich is niet op zijn plaats. Laat staan triomf.

Dus dat die sloebers ook een bloemetje op hun graf krijgen is rechtvaardig. Dat er stil gestaan wordt bij die jongens die voor de eer van een stel malloten vochten, leiders van een totaal ontspoord land dat waanideeën volgde, kan ik me voorstellen. Dat heeft niets met tijd te maken, of dat “het al zo lang geleden is”, of dat hun toenmalige vijanden nu allemaal dood zijn. Dat is gewoon stilstaan bij menselijk onvermogen. En herdenken om het in de toekomst te voorkomen. Dat kan iedere dag.

Maar 4 mei gaat ergens anders over. 4 mei gaat over het herdenken van de Nederlandse slachtoffers en is onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Het is niet algemeen, maar tamelijk specifiek. Dat herdenken ging niet van de ene dag op de andere: er is veel discussie over geweest en werd pas in de jaren ’60 onderdeel van de Nederlandse collectieve rouwverwerking.

In tegenstelling tot wat sommige mensen denken, worden niet vooral (of alleen) de Joodse slachtoffers herdacht (hoewel zo rond de helft van de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog Joods was), maar alle Nederlandse slachtoffers. Geen toeval, maar een keuze. Het feit dat herdacht wordt en wát er herdacht wordt, zijn geen toevalligheden, maar is het resultaat van een lang en politiek proces. Er is niet gekozen voor een bepaalde groep slachtoffers en niet voor triomfalisme. Maar zoals we onszelf graag zien: sober en zoveel mogelijk mensen erbij betrekkend. Maar tegelijkertijd wordt wel de keuze gemaakt te herdenken wat de Tweede Wereldoorlog voor Nederland, de Nederlandse burgers en de Nederlandse geschiedenis betekend heeft en nog betekent. Jodenvervolging, maar ook vervolging van andere door de Nazi’s ongewenste groepen en het feit dat Nederland als land slachtoffer was, maakt onderdeel uit van die herdenking.

De gemeente Bronckhorst doet nu wat anders. Door ervoor te kiezen om juist op 4 mei specifiek Duitse soldaten aan te doen, laten ze zien dat ze niet geloven in het specifiek Nederlandse aspect van de herdenking en doen alsof die les afhankelijk is van het nog in leven zijn van de directe slachtoffers van de Duitse bezetter. Ze maken de herdenking als het ware onafhankelijk van de context.

De gemeente Bronckhorst ontkent daarmee niet alleen de gevoelens van de mensen die nog steeds onder de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog gebukt gaan, en kent zichzelf een morele superioriteit toe door, alsof ze het omgekeerde dorpje van Asterix zijn, wél Duitsers te herdenken als onderdeel van hun invulling van de Nationale herdenking op 4 mei.

Verboden is het niet; schandalig is het wel. Nog steeds lijden mensen onder de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Het trauma van het aangedane kwaad, het trauma van het ontkennen daarvan, het trauma van het kwaad dat tussen ons huisde en huist; het wordt allemaal nog dagelijks beleefd. En nog steeds is er genoeg reden om stil te staan bij wat vrijheid voor Nederland en Nederlanders betekent.

Voor het stilstaan bij het tragische lot van de Duitse soldaten zijn in een schrikkeljaar 365 andere dagen beschikbaar.

Dit artikel staat ook op de website van Robbert Baruch

Geef een reactie

Laatste reacties (55)