1.375
37

D66-Deelraadslid Amsterdam Centrum

Thijs Kleinpaste (1989) doorliep zijn middelbare schoolperiode op het Gymnasium in Apeldoorn, maar wist al snel dat hij niet lang in zijn geboortestad zou blijven. Op 19-jarige leeftijd verhuisde hij naar Amsterdam om te beginnen aan een studie Wijsbegeerte. Ook ging hij een half jaar stage lopen bij D66-Tweede Kamerlid Boris van der Ham. Momenteel is hij deelraadslid namens D66 in Amsterdam Centrum.

Eén voor mij, biedt Gerd. Zes voor ons, zegt Fritsma

Fritsma en Leers hebben zitten koehandelen met mensenlevens. Het gaat niet alleen om Sahar, maar om bijna vierhonderd mensen

Je probeert je voor te stellen hoe sommige dingen gaan, soms. Dan zie je een kamer. Het is half donker. De luxaflex zijn dicht, een van de twee de TL-lampen is kapot en brandt op halve kracht. In het midden van de kamer staat een tafel met twee stoelen. Gerd Leers zit met zijn rug naar het raam. Tegenover hem, aan de andere kant van de tafel, zit Sietse Fritsma. Hij is boos. “We moeten praten”, stond in de email die hij eerder die dag stuurde. Geen groet, geen automatische handtekening. Gerd had meteen zijn agenda leeg gemaakt.

In het midden van de tafel staat een kaartenbak. Daarin zitten vierhonderd kaartjes. Op de kaartenbak staat met een etiket ‘schrijnende gevallen’. Gerd noemt de bak in de rookpauze tijdens de ministerraad altijd het ‘koppijn-kistje’. Dan lachen de andere ministers. Fritsma had hem gedwongen de kaartenbak tevoorschijn te halen. Nu zaten ze tegenover elkaar aan tafel. 

“Eén voor mij”, biedt Gerd Leers, niet op zijn gemak. Hij probeert stoer te klinken, terwijl hij met een schuin oog naar de twee gorilla’s die achter Fritsma aan weerszijden van de deur staan opgesteld kijkt. Hij zoekt in de bak naar de kaart van het Afghaans-Nederlandse meisje Sahar. Het meisje dat vloeiend Nederlands spreekt, naar het VWO gaat en in Afghanistan nog minder op haar plek zou zijn dan beschaving in de PVV-fractie. 

“Zes voor ons”, zegt Fritsma minzaam, en hij pakt ongeïnteresseerd een stapeltje uit het midden van de bak. Langzaam verscheurt hij de kaartjes, zonder te kijken naar de namen die er op staan. Een voor een laat hij de snippers op de grond vallen. Zes verhalen vallen in kleine stukjes op het stoffige tapijt. Fritsma kijkt er nog even na, alsof hij overweegt er een stevige fluim bovenop te spugen, maar hij doet niks en na een poosje richt hij zich op. 

“Nu jij weer”, moedigt hij Leers aan, en slaat zijn armen over elkaar. “Eén voor jou, zes voor ons.”

Gerd verzet zich niet. “Ja”, antwoordt hij. “Nu mag ik weer.”

Sahar mag blijven. Misschien vijftig andere ‘vergelijkbare gevallen’ ook. Gerd Leers heeft hard z’n best gedaan bij de PVV, en daarom mag hij nu enkele tientallen keren met zijn hand over zijn hart strijken. Hij zal wel trots zijn. Goed, de rest van de bijna vierhonderd vergelijkbare gevallen moet terug naar een barbaars land waar de PVV geen soldaten durft te laten vechten, maar dan heb je ook wat. Beesten die hebben leren tellen zijn het. 

Fritsma en Leers hebben zitten koehandelen met mensenlevens. Huub Bellemakers schreef vanochtend terecht dat Leers daarvoor minstens zoveel kritiek verdient als Fritsma, omdat hij het mede mogelijk maakte. Het is pooier-gedrag. Handjeklappen over de rug van jonge meisjes en vrouwen. Mensen beschouwen als handelswaar die verscheept kan worden naar een willekeurige bestemming. Arne Mosselman vatte dat op twitter in één woord: VOC-mentaliteit.

Het gaat niet alleen om Sahar, maar om bijna vierhonderd mensen. Vierhonderd verhalen, vierhonderd gezichten. Meisjes, jongens. Het grootste deel daarvan mag niet in Nederland blijven, wat hun verhaal ook is, hoe hard ze hun best ook doen. De PVV wil namelijk niet dat ze blijven. “Regels zijn regels, nummers zijn nummers”, zeggen ze. Barbaars heeft een nieuwe betekenis gekregen. Die Westerse cultuur (superieur naar het schijnt) lijkt ineens niet meer zo de moeite waard.

Geef een reactie

Laatste reacties (37)