2.110
111

Journalist

Margaux Tjoeng (Hilversum, 1985) is freelance journalist. Van 2010 tot januari 2015 was ze redacteur bij Joop.nl. Margaux is gespecialiseerd in de etno-journalistiek en natuur & milieu onderwerpen. In 2012 was zij projectleider van Stichting Wolf, een organisatie van jonge twintigers die met scholieren in discussie gaan over hun social media gebruik. (cc-foto: Eva Snoijink)

Eén waarheid is geen waarheid

Een tiendaagse journalistenreis door Israel - Een soort van Wie is de mol voor gevorderden

Het is alweer bijna twee maanden geleden dat ik met het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) op studiereis ging naar Israel. Doel: Meer leren over het conflict. Na wat goede reviews van journalisten die het voorgaande jaar dezelfde reis hadden gemaakt, leek het mij een uitgelezen kans om Israel met zo’n gezelschap te beleven. De Zwitserse filosoof Alain de Botton meent dat je altijd jezelf meeneemt op reis en daardoor eigenlijk nooit onbevangen de nieuwe wereld kan aanschouwen. Het leek me daardoor een fijn idee dat een gemêleerd clubje van links en rechts politiek georiënteerde journalisten met me mee ging. Zo konden we elkaar een beetje bij de les houden ongeacht wat we van het CIDI voorgeschoteld zouden krijgen.

Zet twintig jonge journalisten in een vliegtuig naar Israel en het eigenwijze bloed kruipt waar het gaan kan. Het voelde ook wel een beetje als een schoolreisje. In sneltreinvaart werden we opgeslokt door het intensieve en interessante programma: Een gesprek met RTL-correspondent Roel Geeraedts. Het verhaal van de eigenaar van een homo-ontmoetingscentrum in Tel Aviv waar een jaar geleden een gek lukraak op jongeren schoot. Interviews met Israëlische en Palestijnse journalisten en publicisten. De muur. Progressieve en conservatieve Rabbijnen. Yad Vashem. Op visite bij een verzoeningssjeik in Hebron. Turen over het hek bij de grens met Gaza. Een bezoek aan een Hoge School waar Israëlische journalisten worden opgeleid. De Knesset inclusief een gesprek met Netanyahu’s woordvoeder Marc Regev. Twee keer een interview met een IDF-official en ontmoetingen met kolonisten van de softste soort tot de meeste hardnekkige met imposante pistolen in hun onderbroek.

Op de tweede dag kon schrijver en publicist Yossi Klein Halevi het conflict al aardig voor ons samenvatten.

Dit conflict gaat over nationaliteit, psychologische gevoelens, traumaverwerking en geschiedenis. Het vertrouwen is kapot gemaakt. Iedereen is moe en wil eigenlijk gewoon naar huis. Daar gaat het om, maar geen enkele maatregel die tot nu toe is aangedragen zorgt er voor dat deze mensen naar huis kunnen.

Beide volken hebben elkaar recentelijk zo veel aangedaan en doen dat nog steeds dat het stukje land voorgoed is veranderd in een gescheiden samenleving. Alleen een bemiddelaar die beide partijen accepteert en respecteert zal in de toekomst succes boeken, maar daarvoor moet eerst een traumaverwerker aan de slag om de wonden te dichten en oud zeer te verzachten.

Van journalisten wordt verwacht dat ze de waarheid vertellen, maar in een land met misschien wel de meest sterkste pr-machine ter wereld en duizenden waarheden is dat een bijna onmogelijke opgave. Israel is een gecompliceerd land met mensen van verschillende nationaliteiten en geloven en ieder heeft zijn eigen culturele gebruiken en regels. Of je nu gaat backpacken, met een georganiseerde studiereis mee gaat of vrienden gaat opzoeken. Je zal nooit dezelfde reis beleven en de sterkste indrukken die je opdoet zullen de kleur van je reis bepalen. Omdat je een Europeaan bent zal een Israëliër altijd naar je mening vragen over het conflict. En als je geluk hebt benadert hij je met de kleinste dosis vooroordelen. Vervolgens word je overspoeld met verhalen inclusief de details die je inderdaad nog nooit eerder hebt gehoord. Je weet weer iets meer, maar snapt er steeds minder van. Iets waarvoor Halevi ons ook al met een grinnik op voorbereidde: “The more confused you get, the more you get to the truth.” Op dat moment kruiste ik mijn vingers onder de tafel. ‘Laten we hopen dat deze man gelijk heeft.’

De eerste drie dagen had ik overdag geen half uurtje tijd om een artikeltje online te zetten dat ik al in het vliegtuig had geschreven. Ik besloot dan ook maar alles over me heen te laten komen, zoveel mogelijk aantekeningen te maken en later te analyseren, maar de rollercoaster racete door. Waar ik zo waakzaam voor was, gebeurde al binnen mum van tijd. De pro-Israelisatie had zijn werk gedaan en een paar slogans goed achter mijn oren geplakt.

Wij hebben het recht om te leven waar onze voorouders zijn opgegroeid. Met Hamas valt niet te praten. Ze gooien alleen maar bommen. Jullie Europeanen pushen de Palestijnen in een slachtofferrol. Wat zou jij er van vinden als België iedere week een bom in je achtertuin gooit?.

Indrukwekkend was de ontmoeting met kinderarts Liesbeth Luurs in Sderot. Ze woont en werkt vlakbij de grens met Gaza en heeft jaren lang raketten op haar afgevuurd gekregen. Jong en oud heeft een Post Traumatische Stress Syndroom opgelopen door het alarm, vertelt ze. In haar kliniek doorstaan we een proef. We moeten binnen een halve minuut als de wiedeweerga naar de schuilkelder rennen om te voelen hoe het is als zo’n alarm af gaat. Liesbeth doet ondertussen na hoe hard dat alarm klikt. De manier waarop ze vertelt is aangrijpend, maar voelt ook een beetje ongemakkelijk. Ik denk dat niemand van ons zich kan identificeren met deze vrouw die het conflict iedere dag in alle hevigheid beleeft. Het is ongelofelijk hoeveel strijdlust ze heeft om kinderen en vrouwen te blijven helpen en niet weg te rennen uit dit met raketten bestookte gebied. Omdat ze zelf een kind met het Syndroom van Down heeft, zette ze in Gaza een centrum voor deze kindjes op, maar kan er nu niet meer heen. Voorheen hielp ze ook Palestijnse kindertjes uit Gaza, maar ook dat is nu over. Waarom? De papa van één van haar jonge patiëntjes was doodgeschoten omdat hij zijn kindje door een Joodse arts liet helpen. “De Hamas kent geen genade.”

Na zes dagen keek ik heel erg uit naar het ‘andere’ verhaal. Twee dagen Westbank stonden op het programma. We arriveerden ’s ochtend vroeg in Ramallah waar we een verrassende preek kregen. De Palestijnse dame die daar het programma had geregeld was blij met onze komst maar vond ons programma niet helemaal in balans tegenover acht dagen Israel.

Jullie komen hier om meer te weten te komen over het conflict, maar een beetje jammer is het wel dat jullie maar een dagje komen. Maar goed, ik vind het belangrijk dat jullie alles meekrijgen, dus daarom heb ik toch alle stof in één programma gestopt. Zet je schrap!”

En daar gingen we dan. Een Palestijnse econoom toonde ons aan de hand van cijfers dat de economische groei in de bezette gebieden aanzienlijk wordt belemmerd door de Israëlische blokkade. We spraken een Palestijnse jongen die de holocaust ontkent en een meisje dat de terroristische aanslagen van Hamas niet veroordeelt: “Het lichaam, dat is nog het enige dat we hebben. We mogen niets zelfs beslissen. Zelfs als we een extra buslijn naar school willen laten rijden, geeft Israel niet thuis.”

De groep wilde na deze onthutsende dag eigenlijk wel wat langer in het levendige Ramallah blijven, maar het CIDI programma waar we voor getekend hadden stoomde door. Aan het eind van de dag zaten we compleet verbouwereerd terug in de bus. Wie spreekt er nou eigenlijk de waarheid en waar hebben we ons in godsnaam mee in laten slepen, dacht ik. Terwijl Mahmoud zijn bus naar de Israëlische grens manoeuvreerde kreeg ik op die vraag enigszins een antwoord. De Westbank kom je zo in, maar eruit is een ander verhaal. De file is moordend. Helemaal op de vooravond van de shabbat. Auto’s wurmen zich in iedere vierkante centimeter om een stukje verder op te schuiven richting ‘het hek’. Opeens horen we op de achtergrond een sirene loeien. Palestijnse mannen die zich eerst onder het genot van een kopje thee kostelijk vermaakten met het autogeschuivel zijn nu van hun steen gesprongen om de ambulance doorgang te bieden. Het duurt even voordat het geluid dichterbij komt en het duurt ook weer even voordat de zwaailichten uit ons gezichtsveld zijn verdwenen. ‘Je moeder zal er maar ik liggen’, dacht ik. 

Vlak daarna gebeurt er nog iets. Een jongetje komt onze stilstaande bus inrennen. De automatische vergrendeling van ons voertuig is defect waardoor hij de deur aan de buitenkant heeft weten te openen. Het jongetje is gekomen om ons van vers water te voorzien. Zijn plastic flesjes die duidelijk eerst een aantal dagen door het stof hebben gerold, houdt hij stevig onder zijn arm geklemd. Ineens valt ook op dat het jongetje zich al een aantal dagen niet gewassen heeft en dat zijn schoenen een paar maten te groot zijn. Eén van mijn reisgenoten is inmiddels uit zijn stoel gekomen om het jochie te verwijderen, maar hij heeft niet veel succes. Het jongetje weet weer terug de bus in te rennen, maar wordt opnieuw bij de kladden gegrepen, maar weer lukt het niet. Net voor de uitgang weet hij zich vast te klampen aan een leuning. De tranen staan in zijn ogen terwijl hij in een voor ons onverstaanbare taal de boel bij elkaar schreeuwt. Een flesje water kopen dan maar? Maar nee. Eentje is niet genoeg. Uiteindelijk komt een Palestijn de bus in. Grijpt het jochie bij zijn nekvel en neemt hem mee naar buiten waar hij onder ons toeziend oog nog een pak slaag toe krijgt.

Het wordt stil in de bus. Misschien door het indrukwekkende landschap dat aan ons voorbij schiet. Vermoeidheid. Of is het het besef dat de Palestijnen toch echt in bezet gebied leven? De zandbak waarin ze wonen is een gevangenis. Waar we in Nederland vanachter onze bureautjes over lezen en schrijven, wordt voor onze ogen ineens werkelijkheid en voelt als een opkomende hoofdpijn die niet meer weggaat.

Een paar uur later zijn we weer op bekend grondgebied. Mahmoud steurt zijn bus de oprijlaan van een keurig aangeharkt vakantiepark. We zijn weer terug in Israel en dit keer overnachten we in een kibboets. Eentje die het best prima voor elkaar heeft overigens. De barbecuegeur hang nog in de lucht en het 25-meter zwembad ligt er vredig bij. We besluiten de dag van ons af te zetten in de plaatselijke kroeg met wat Goldstar.

De volgende ochtend ben ik samen met twee vrienden vroeg opgestaan voor de zonsopgang. We kijken toe hoe een vliegtuigje de gewassen van de kibboets besproeid, maar zien niets van die rijkelijke ‘Goldstar’ terug die we de avond daarvoor hebben genuttigd. De lucht is troebel waardoor de zon er niet doorheen komt. Een rondleiding over de kibboets is binnen een uurtje afgehandeld en we gaan weer op weg. Er is eindelijk tijd voor wat ontspanning bij het Meer van Galilea, maar na een uurtje zitten we weer snel in de bus want politiek en militair analist Elliot Chodoff wacht op ons. Deze Joodse Amerikaan heeft de IDF in het verleden meerdere malen geadviseerd. Hij is gespecialiseerd in het Midden Oosten conflict en de ‘global war on terrorists’. Terwijl Mahmoud ons behendig door het mooiste stuk van Israel rijdt en de grenzen aantikt, krijgen we een vier uur durende lezing over Israël’s geavanceerde bommen en granaten. Ik probeer er in het begin nog wat van op te steken, maar de bochtige rit maakt mij al snel misselijk waardoor mijn gedachten afdwalen naar Ramallah, het jongetje met zijn flesjes water en die gekke kolonisten die het bloed onder mijn nagels vandaan haalden. Ik vind het wel even genoeg en het interesseert me eigenlijk niet zo met welke soorten wapens Israël zijn tegenstanders heeft uitgeschakeld. Ik ben ziek van het conflict.

Het hotel in Haifa voelt als een verademing. We springen de zee in en spoelen de vermoeidheid en heftige indrukken van ons af. De volgende dag is er een halve dag geen CIDI programma wat me de gelegenheid biedt ergens een surfboardje op de kop te tikken en me aan te sluiten bij de surflocals van Haifa. Het blauwe water is bezaaid met mensen die met z’n allen zo uit de Benneton reclame lijken te komen. Deze dag begint voor de verandering eens niet met een conflict, maar met een gezamenlijke passie: Golven pakken, kansen grijpen, ritjes maken, vallen en opstaan, maar vooral leven.

De studiereis werd na deze surfmiddag weer opgepikt. We worden op de zaterdagavond uitgenodigd voor een shabbatdiner in de synagoge van een progressieve Rabbijn. In ruil daarvoor moeten we wel eerst even een liedje met hem zingen en met aangereikte sambaballen schudden. “Als je niet wil, het hoeft echt niet!”, werd ons van te voren gezegd, maar toen het puntje bij paaltje kwam, werden we min of meer van onze stoelen getrokken. Na afloop van het lied fluisterde de Rabbijn ons toe: “So, now you can eat.” Ongelukkig was het en vast niet zo bedoeld zoals het bij ons overkwam, maar echt prettig voelde ik me er niet bij. Het CIDI was ook boos en niet blij met deze gang van zaken. Er was zelfs een foto van ‘de zingende Nederlandse journalisten’ via Twitter de wereld in geslingerd. De CIDI-reisleidster stond er op dat deze werd verwijderd, maar wij als journalisten weten dat wie op internet verschijnt, vereeuwigd wordt. En zo was het ook. Wij waren daar op dat tijdstip, in die synagoge in Haifa met het CIDI.

Israel heeft me veranderd. Ik heb gesproken met interessante, geestige en intelligente mensen. Of het nu Joden, christenen, Joods-orthodoxen of Palestijnen waren. Ik heb in geen van de gevallen getwijfeld aan hun intenties. Deze waren puur en kwamen uit de grond van hun hart. De pijn in hun harten kon ik soms zelfs een beetje voelen, maar hoe het echt voelt zal ik nooit weten. Ik ben niet getraumatiseerd. Ik geloof niet in een god of een voorbestemd land. Ik ben in vrijheid opgegroeid en heb geleerd in mezelf te geloven.

Met wie ik me wel mee kon identificeren waren de surfjongeren. Wie zich vrij voelt kan zich los worstelen van de gevestigde orde en neemt de emoties die daarbij horen voor lief. Dat soort lef heb ik gezien in de ogen van deze jongeren. Ze zijn in staat om over grenzen heen te kijken. Ze dobberen daar in de Middellandse Zee wachtende op die ene kans en als die komt, dan zullen ze die met beide handen aangrijpen. 

Geef een reactie

Laatste reacties (111)