616
4

Journalist

Dirk Wanrooij studeerde Arabisch Taal en Cultuur, Geschiedenis en Midden-Oosten studies aan de universiteit van Amsterdam. Sinds januari 2009 woont hij in de Egyptische hoofdstad Cairo waar hij werkt als freelance journalist. Voor Nederlands- en Engelstalige media rapporteerde hij vanuit onder andere Egypte, Syrië, Jordanië, Soedan, Turkije en de Gazastrook. Hij is te volgen via twitter @dirkwanrooij

Egypte en het spook van de opstand

Enerzijds zijn de protesten van de afgelopen weken een voortzetting van de revolutie. Een groot deel van de bevolking streeft naar diepgaande herstructurering van de staat. Anderzijds is de zogenaamde contrarevolutie volop aanwezig

Een opstandig spook waart door Egypte. Na dertig jaar geleefd te hebben onder het repressieve juk van het Mubarak-regime, ontdekten Egyptenaren begin 2011 de macht van het collectief. Miljoenen gingen toen de straat op uit protest tegen het regime. Na achttien dagen werd toenmalig president Hosni Mubarak gedwongen af te treden en nam het leger de macht over. Sindsdien is protest aan de orde van dag.

Volgens cijfers van het International Development Center, vonden er in het eerste (en enige) ambtsjaar van president Morsi 9427 protesten plaats in Egypte, meer dan vijfentwintig afzonderlijke protestacties per dag. Daarmee is Egypte koploper wereldwijd. De cijfers zijn bovendien gepubliceerd vóór de protesten van eind juni die leidde tot het gedwongen vertrek van de president.

Volgens dezelfde cijfers was 63% van de protesten gerelateerd aan ‘sociaal-economische rechten’. Een cruciaal cijfer als we de recente gebeurtenissen willen begrijpen. Toen Egyptenaren op 25 januari 2011 de straat opgingen waren de eisen ‘brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid’. Het was het begin van een nog altijd voortdurende revolutie – met nog altijd dezelfde eisen.

De protesten waren te massaal en te ontwrichtend. Mubarak werd geofferd, en het leger – dat sinds de onafhankelijkheid van 1952 de ruggengraat vormt van de staat – leidde de transitie naar ‘democratie’. De moslimbroederschap, sinds decennia de grootste oppositiebeweging van het land, leek voorbestemd de macht over te nemen. Via een referendum, gehouden vlak na de machtsovername door het leger, werd besloten om eerst verkiezingen te organiseren (presidents- en parlementsverkiezingen) en pas dan een grondwet te schrijven.

De broederschap wist dit proces te domineren en won beide verkiezingen met een straatlengte. De generaals en de broeders – voorheen gezworen vijanden – hadden plots overeenkomstige belangen: een soepele overgang naar een civiel bewind. De generaals zouden de opmars van de broeders faciliteren, de broeders kregen een vinger in de (economische) pap en het leger behield zijn onafhankelijkheid. Volgens schattingen is iets meer dan dertig procent van de Egyptische economie in handen van het leger.

Op vergelijkbare wijze werd de grondwet zodoende een verdrag tussen een democratisch front, geleid door de Partij voor Vrijheid & Democratie – de politieke tak van de moslimbroederschap – en het leger en veiligheidsapparaat. Politieke en economische elites hoopten dat een dergelijke overeenkomst de stabiliteit zou herstellen en gingen schoorvoetend akkoord. De revolutionaire geest moest immers terug in de fles. Op sociale rechtvaardigheid zaten zij niet te wachten.

Voor economisch herstel rekende de broederschap op leningen. Al maanden onderhandelden het regime met afgevaardigden van het Internationaal Monetaire Fonds over een lening van grofweg 4,2 miljard dollar. Het bewind van Morsi bleek echter niet in staat de nodige hervormingen door te voeren om de lening veilig te stellen. Het had niet de vereiste slagkracht.

De broeders presenteerden zich als de belichaming van een revolutie, in de voltooid verleden tijd. Maar ze weigerden de structurele hervormingen door te voeren die nodig waren om aan de eisen van diezelfde revolutie tegemoet te komen. De veiligheidsdiensten bleven intact, zakenmannen en moordenaars van het regime van Mubarak kregen clementie, de rijken werden rijker en de armen armer. Sociale rechtvaardigheid ging van slogan naar holle frase en verdween uiteindelijk van de politieke agenda ten koste van oppervlakkigheden als religie en moraal.

Het aantal protesten het afgelopen jaar getuigt van de omvang van het falen van president Morsi.

30 juni
Sinds het begin van de revolutie, op 25 januari 2011, ligt het ministerie van binnenlandse zaken onder vuur. Dit ministerie was en is de sterke en willekeurige arm der wet, verantwoordelijk voor het binnenlandse veiligheidsapparaat en de (seksuele) martelingen van (politieke) gevangenen. Het is het bastion van de ‘diepe staat’ en de uitvoerende macht van een bloeddorstig en dictatoriaal systeem. Revolutionairen wilden het logischerwijs ontmantelen, de macht (het leger, Morsi) wilde het behouden.

Het ministerie was echter niet in staat de orde te herstellen en stabiliteit af te dwingen. Gedeeltelijk omdat hoge functionarissen binnen het veiligheidsapparaat zich nooit hebben neergelegd bij de heerschappij van de islamisten, en de intenties van het regime moedwillig saboteerden. Maar vooral vanwege het feit dat de bevolking de arbitraire ordehandhaving van de politie niet meer accepteerde.

Binnenlandse zaken had sinds uitbreken van de revolutie alsmaar minder controle over de ontketende Egyptenaren. Geweld boezemde geen angst meer in en de politie keek machteloos toe wanneer er geprotesteerd werd. De revolutie werkte als een emancipatiegolf en de repressieve orde uit het verleden leek verder weg dan ooit – een groot probleem voor een elite op zoek naar stabiliteit.

Dat is wat er veranderd is. De Tamarod (Rebellie) campagne, de aanjager van het protest, had aanhangers in de aanloop naar de demonstraties van afgelopen 30 juni opgeroepen om geen leuzen aan te heffen tegen de politie en het leger. Het was, volgens de campagne, niet het juiste moment. Gevolg was dat de pro-leger-en-politie-stem op sommige momenten luider was dan het revolutionaire geluid. Meer dan eens werden politie agenten door betogers op de schouders genomen terwijl omstanders riepen dat het volk en de politie aan dezelfde kant staan.

Tegelijkertijd slaagde de liberale Egyptische media erin het discours volledig te kapen, waarmee ze bijdroegen aan een kortzichtig anti-broederschap sentiment. Er werd de afgelopen maanden met geen woord gerept over de misdaden van de politie, het rampzalige bewind van de militaire junta en het feit dat de strijdkrachten de kern vormen van een zestig jaar oude repressieve staat.

En dus is het resultaat verwarrend. Enerzijds zijn de protesten van de afgelopen weken een voortzetting van de revolutie. Een groot deel van de bevolking streeft naar een diepgaande herstructurering van de staat. Sommigen van hen deden voor het eerst mee aan een demonstratie, maar begrijpen de noodzaak van verandering. Het afgelopen jaar heeft ze aan de rand van de afgrond gebracht. Anderzijds is de zogenaamde contra-revolutie volop aanwezig. Het ministerie van binnenlandse zaken, de veiligheidsdiensten, het leger en de economische elite hebben slim weten mee te liften op de golven van een groeiende ontevredenheid en presenteren zich nu als hoeders van de natie.

De broederschap en de volhardende aanhangers van de verdreven president zijn de zondebok en krijgen de schuld van alle ellende. Populistische kreten over ‘terroristische’ islamisten domineren het publieke debat. Er wordt gedaan alsof het leger vrijheid vertegenwoordigt en de politieke islam gelijk staat aan terreur. De liberale media volgt gewillig. Daarin schuilt het gevaar van de huidige ontwikkelingen.

Door Morsi te verdrijven hebben Egyptenaren wederom bewezen tot grootste dingen in staat te zijn. Democratie is meer dan eens in de vier jaar verkiezingen, zo blijkt. Hopelijk blijven ze op hun hoede.

Geef een reactie

Laatste reacties (4)