2.416
73

Journalist

Marie-Claire van den Berg is journalist. Ze schrijft voor uiteenlopende publicaties van Volkskrant magazine tot Viva. Najaar 2011 publiceerde ze het boek 'Groen Doen, verslag van een zoektocht naar klimaatvriendelijk leven'. Voor het tv-programma Kassa verzorgde ze de rubriek over groene producten. Sinds april heeft ze iedere zaterdag een column in De Telegraaf.
Haar eigen website is http://groendoen.nu/

Elke dag vlees

Milieuvriendelijk leven is net zo moeilijk als proberen structureel vijf kilo af te vallen

Echt leven is veel biefstuk eten. Volgens de overleveringen van mijn moeder tenminste. Toen ik klein was vertelde ze me vaak een verhaal over haar leven voor mijn geboorte. Het was een eenvoudige anekdote over haar en mijn vader, maar ze vertelde het iedere keer met zoveel liefde en trots in haar stem dat ik het steeds weer mooi vond.

Het ging ongeveer zo: toen ik er nog niet was en mijn smoorverliefde vader en moeder samen gingen wonen op een kleine flat in Rotterdam, hadden ze niets. Geen geld, geen bezittingen, geen gezamenlijke geschiedenis, alleen die lege flat en elkaar. In die flat maakte mijn vader een eettafel van een oude deur en stoelen van sinaasappelkistjes. Daar dineerden ze ’s avonds, bij kaarslicht. ‘En ook al hadden we niets,’ zo sloot mijn moeder haar sprookje altijd even stralend af, ‘we aten wel altijd verse biefstuk.’

Zo klein als haar verhaal was, zo groot is de invloed ervan op mijn leven. Ik denk dat mijn moeder mij onbewust haar levensmotto vertelde. Niet zozeer dat je altijd vlees moet eten, maar wel dat je het altijd goed moet hebben. Als kinderen van door de Tweede Wereldoorlog gevormde ouders wilden ze alleen maar gaan voor het beste. Ook voor hun kinderen. Dat voornemen hebben ze dubbel en dwars waargemaakt.

De flat werd opgezegd en mijn ouders kochten een eengezinswoning. De deur die dienstdeed als tafel maakte plaats voor een eikenhouten eettafel, de sinaasappelkistjes werden ingeruild voor comfortabele eetkamerstoelen en er kwam een luxe keuken waar het vaak rook naar stoofpotjes, kippenragout, gebakken spekjes, rookworst en varkenskoteletten.

Er was altijd genoeg geld voor nieuwe kleren, we hadden twee auto’s en gingen ieder jaar op zomer en wintervakantie. Als het koud was ging de verwarming aan, in alle kamers. Zelfs als er een raam openstond. We gingen vaak met de hele familie uit eten en als we dat niet deden, maakte mijn moeder de meest uitgebreide maaltijden. En vrijwel altijd met vlees of vis, ondanks het feit dat ze een cursus vegetarisch koken had gevolgd. Alsof dat vlees iedere keer weer het bewijs was van de rijkdom waarin we leefden.

Die levenshouding van mijn ouders botste weleens met die van mijn oma, die ons maar ongebreideld zag consumeren en vond dat we best wat zuiniger en bescheidener mochten zijn. Mijn oma had de hongerwinter meegemaakt en was dus de enige in onze familie die wist wat het was om echt honger te hebben. Zij bewaarde iedere kruimel. Als wij weer eens een restje eten weggooiden of ons bord niet leeg wilden eten, konden we er donder op zeggen dat er een verhaal kwam over de tijd dat zij alleen maar suikerbieten at.

In de jaren die volgden deden we wat zoveel jonge stellen doen: we studeerden af, vierden ons geluk in cafés, restaurants en discotheken, vlogen samen de wereld over en kochten een appartement. We ontwierpen onze eigen badkamer met vloerverwarming, ligbad en regendouche waar we samen onder stonden tot onze vingertoppen week en gerimpeld waren. We haalden de halve Ikea-gids in huis en ruilden de trein in voor de oude auto van een familielid. Als we het druk hadden, haalden we complete maaltijden bij een van de exotisch afhaaltentjes in de buurt of we gingen uit eten. Koffiezetten deden we ook steeds minder omdat we zo’n luxe koffieboer om de hoek hadden die de bonen ter plekke voor je maalde en er gelijk een verse latte met een niet te evenaren schuimlaag van maakte.

Na een tijdje raakte ik zwanger en kregen we een dochter. Nog geen twee jaar later werd onze zoon geboren. Er kwamen kinderkamers, kinderwagens, kinderbadjes, kinderspeelgoed en een heuse kindermaaltijdblender. We kochten kinderzitjes, kinderpotjes, kinderflesjes. Ik werd een grootverbruiker van billendoekjes, snoetenpoetsers en andersoortige schoonmaakdoekjes. Er kwam een groter huis, een nieuwere auto, een hogere energierekening en een vollere vuilnisbak.

En we aten bijna elke avond vlees.

Tot er na de geboorte van mijn twee kinderen onverwacht nóg iets werd geboren: mijn nieuwe bewustzijn. Als er een speentje op de grond viel, snelde ik naar de keuken om het gelijk te steriliseren. Babyprakjes uit een potje kwamen er niet in, tenzij ik zeker wist dat er geen bestrijdingsmiddelen of onverantwoorde E-nummers inzaten. Ik waste alles driedubbel op zestig graden en als ik met mijn ergonomische kinderwagen op straat liep en er reed een vieze brommer voorbij, dan wendde ik de wagen demonstratief af in de hoop de uitlaatgassen te ontwijken. Ik gromde er nog net niet bij.

Maar mijn nieuwe bewustzijn ging verder. Ik kon me wel zorgen maken om de gassen van die ene brommer. Maar de straat waar ik woonde stond in de top vijf van straten met de hoogste concentratie fijnstof van Nederland. En ik kon me wel zorgen maken over mijn straat, maar hoe zat het eigenlijk met de wereldwijde co2-uitstoot?

Ik begon me te verdiepen in het klimaat en stuitte op het verhaal van de Amerikaanse schrijver Colin Beavan, die een jaar lang co2-neutraal had geleefd. Ik las zijn boek, probeerde een week net zo co2-neutraal te leven als hij een jaar had gedaan en schrok van mijn persoonlijke milieubelasting. Wat ik in één week aan afval produceerde was schokkend en het besef dat er miljoenen, miljarden mensen waren die hetzelfde weggooiden, was een regelrechte nachtmerrie.

We putten de aarde sneller uit dan die zich kan herstellen. De lucht raakt vervuild door onze vliegtuigen en auto’s, diersoorten sterven uit door vervuiling of vernietiging van oerwoud, oceanen worden overbevist, gletsjers smelten. 

We eten steeds meer vlees, afkomstig uit een van de meest milieuonvriendelijke industrieën ter wereld, zonder te willen nadenken over hoe het op ons bord is beland. Vlees van dieren die nooit de buitenlucht hebben geroken, die zijn grootgebracht met kunstmatig versterkt krachtvoer en antibiotica. Vlees dat wordt volgespoten met water en smaakstoffen, omdat het anders niet eens lekker is. En dat vervolgens als een niet tot een dier te herleiden kiloknaller in een plastic bak in een plastic tas op de achterbank van een van die miljoenen auto’s belandt. 

We kopen spullen die zo kapot zijn. Dan gooien we ze weg en kopen we weer nieuwe. Dat is namelijk zo makkelijk dat je wel gek zou zijn die oude te repareren.

Ik dacht terug aan de verhalen van mijn oma en mijn moeder en vroeg me af: wat zullen mijn kinderen zich straks herinneren van hun jeugd? Dat hun moeder een paar keer per jaar in het vliegtuig stapte, ook al wist ze dat het het meest vervuilende vervoermiddel op aarde was? Dat ze zonder schuldgevoel de grootste rotzooi in de afvalbak kieperde, dat ze in een benzineauto reed terwijl ze wist hoe vervuilend het was? En dat ze iedere dag onbekommerd vlees at terwijl ze wist dat ze bijdroeg aan de vervuilende bio-industrie? Kortom, dat ze niets deed toen ze ontdekte dat zij en haar tijdgenoten de aarde aan het vernietigen waren?

Schaamte is een slechte raadgever, net als angst en schuldgevoel. Toch waren dat drie belangrijke emoties die me deden besluiten uit te zoeken hoe je op een goede manier groener kunt leven. Ik schaamde me voor mijn eigen verkwistende gedrag, vreesde voor een ingewikkelde toekomst voor mijn kinderen en voelde me schuldig over het feit dat ik niet alles deed om die toekomst net zo zorgeloos te laten zijn als mijn leven tot nu toe was geweest.

Maar er was nog een reden waarom ik besloot dat het roer om moest: liefde. Ik wil het beste voor mijn kinderen, zoals mijn moeder dat voor mij wilde en mijn oma voor mijn moeder. Zoals iedere moeder dat voor haar kind wil. Die liefde is sterker dan het verlangen een halfuur onder de douche te staan om wakker te worden, even snel in de auto te stappen als het weer eens regent, wegwerpartikelen te blijven kopen omdat het zoveel tijd bespaart, zomaar ergens een hamburger te bestellen als je trek hebt, of de verwarming op twintig (of hoger) te zetten als het buiten wat frisser wordt.

Je leven opnieuw inrichten en afrekenen met gewoonten en misverstanden die tientallen jaren hebben kunnen inslijten is makkelijker gezegd dan gedaan, zelfs als je daar met een oneindige voorraad liefde aan begint. Mijn nieuwe bewustzijn is wat dat betreft nog maar een klein kind dat veel moet leren. Je ‘gewoon’ voornemen klimaatbewust te gaan leven werkt in ieder geval niet. Voor je het weet stap je weer in de auto als het even regent, mogen de kinderen toch een kipnuggets-kindermenu en boek je weer die vlucht naar dat tropische eiland.

Milieuvriendelijk leven is net zo moeilijk als proberen structureel vijf kilo af te vallen. Je mag best af en toe iets doen wat niet in je dieet past, daar kom je niet meteen vijf kilo van aan, maar als je het echt goed wilt doen, vereist het een ijzeren discipline en een lange adem. En dan is afvallen zelfs nog makkelijker dan milieubewust leven. Wanneer je lijnt, merk je op een bepaald moment verbetering: je past opeens weer in je lievelingsbroek en mensen geven complimentjes over je uiterlijk. Maar als je milieuvriendelijker gaat leven, word je niet meteen beloond met een graadje minder opwarming van de aarde. Sterker: je gaat er soms zelfs op achteruit.

Een voorbeeld daarvan is mijn eerste lunch met ‘biologische vegetarische knakworstjes’. Ik had de industriële Unox-knakworstjes definitief vaarwel gezegd waarop mijn dochter begon te klagen over het feit dat wij geen knakworstjes op brood aten en haar vriendinnetjes wel. Ze raakte me recht in mijn onzekere moederhart en dus ging ik meteen op zoek naar een vegetarische variant. Die vond ik bij de biologische supermarkt. Ik nodigde snel haar vriendinnetjes uit en zette trots een schaal brood met vegaknakworstjes op tafel, om vervolgens te zien hoe die door drie meisjes tegelijk walgend werden uitgespuugd. Dit waren geen knakworstjes, riepen ze in koor, dit was vies! En als ik eerlijk ben hadden ze gelijk.

Maar met of zonder knakworst: als je niets doet, verandert er sowieso niets en dat vind ik veel erger. Ik wil niet meer onverschillig meedoen aan de roofbouw op ons kostbaarste bezit. Ik wil niet meer meegaan in de gedachte dat de oplossing bij de politiek ligt of van de grote milieuvervuilende multinationals moet komen. Daarmee schuif ik het probleem uiteindelijk alleen maar bij een ander op zijn bord. En dus bleef er maar één ding over: me volledig onderdompelen in de wereld van de ecofreaks, geitenwollensokken, klimaatalarmisten, politici, onderzoekers, biologische boeren, natuurliefhebbers, energiedeskundigen, milieuactivisten en psychologen, om erachter te komen hoe ik écht milieubewust kan leven, mijn kinderen het goede voorbeeld kan geven en het zelf ook nog naar mijn zin kan hebben.

Tussen het leven van mijn oma en dat van mij zit maar één generatie. Als we in zo’n korte tijd van zestig jaar zo’n grote negatieve invloed op het milieu hebben gehad, dan kunnen we die verandering hopelijk ook in één generatie stoppen. Mijn moeder is van de hippiegeneratie en werd groot met het Make love not war-credo. Nu wordt het tijd om lief te zijn voor de aarde.

Deze week verschijnt van Marie-Claire van den Berg het boek ‘Groen Doen, verslag van een zoektocht naar klimaatvriendelijk leven’. Dit artikel is een bewerkte versie van de inleiding uit het boek. Zie groendoen.nu

Geef een reactie

Laatste reacties (73)