516
24

Wetenschapsjournalist

Govert Schilling (1956) is freelance wetenschapsjournalist en publicist. Hij schrijft over sterrenkunde en ruimteonderzoek voor kranten en tijdschriften in binnen- en buitenland. Daarnaast publiceerde hij tientallen boeken over uiteenlopende sterrenkundige onderwerpen, en geeft hij regelmatig toelichting op ontwikkelingen in de astronomie voor radio en tv. In 2002 ontving hij de Eureka-oeuvreprijs van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek voor zijn bijdragen aan het populariseren van wetenschap en techniek. In 2007 werd de planetoïde (10986) Govert naar hem genoemd door de Internationale Astronomische Unie.

Embargo-regeling is niet meer van deze tijd

Joop-debat: In het tijdperk van Google en Twitter is de embargo-politiek van wetenschappelijke tijdschriften achterhaald

NASA ontdekt vreemde bacteriën in een Californisch zoutmeer. De ontdekking heeft implicaties voor de speurtocht naar buitenaards leven. Onderzoekster Felisa Wolfe-Simon en haar collega’s schrijven er een artikel over in het weekblad Science. Er is een persbericht van de Arizona State University. Er zijn meetgegevens, grafieken en foto’s beschikbaar. Honderden
wetenschapsjournalisten over de hele wereld weten sinds maandag 29 november van de hoed en de rand. Maar ruim drie dagen lang mag niemand er iets over zeggen.

Het is niet de NASA die deze embargo-politiek heeft bedacht. Jazeker, NASA
belegde op donderdagavond om 20.00 uur Nederlandse tijd een persconferentie
in Washington, en deed vooraf geen uitspraken over de inhoud. Maar als het
aan de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie had gelegen, zou er vóór die
persconferentie helemaal niets over naar buiten zijn gebracht. Dat is de
normale gang van zaken: je deelt iets nieuws mee aan de pers, en die kan er
vervolgens direct over gaan schrijven.

Nee, dat veel journalisten het Science-artikel al konden inzien maar er een
halve week hun mond over moesten houden, komt uit de koker van het
gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift zelf. Een identieke
embargo-regeling wordt gehanteerd door het Britse weekblad Nature, de
gezaghebbende concurrent van het Amerikaanse Science. En al die brave
wetenschapsjournalisten houden zich er keurig aan, want anders komen ze op
de zwarte lijst, en raken ze hun privileges kwijt.

Het idee achter die embargo’s is op zich best goed. Science en Nature laten
zich niet lezen als Kijk of Quest. De vertaalslag van een wetenschappelijk
artikel naar het grote publiek vereist achtergrondkennis, aanvullende
research en vooral veel tijd. Danzkij de embargo-regeling kunnen
journalisten een paar dagen werken aan een zorgvuldig geschreven en
inhoudelijk correct verhaal, en hebben ze ook gelegenheid om andere
onderzoekers om hun mening te vragen. Resultaat: er wordt minder larie en
flauwekul gepubliceerd in kranten en tijdschriften.

Althans, dat is de achterliggende gedachte. In de hedendaagse praktijk kan
het echter juist averechts uitpakken. Dat bleek afgelopen week.. De
aankondiging van een NASA-persconferentie zou een paar jaar geleden alleen
journalisten en nieuwsredacties hebben bereikt. Nu ging die aankondiging via
weblogs en Twitter als een lopend vuurtje de hele wereld rond. Met als
gevolg dat er, via datzelfde internet, een enorme geruchtenstroom op gang
kwam, waarin de ene speculatie nog vergezochter was dan de andere.

Wetenschapsjournalisten die inzage hadden gekregen in de Science-publicatie
konden – nee, mochten – daar niets tegenover zetten, omdat ze geacht werden
hun lippen tot donderdagavond stijf op elkaar te houden. Juist danzkij het
embargo kwamen de onzinverhalen zo de wereld in – over bacteriën op Mars,
over signalen van verre beschavingen, of zelfs over bezoek van buitenaards
leven.

Bovendien: als je ook maar een beetje kunt googelen, ontdekte je al snel met
welk onderzoek de deelnemers aan de persconferentie zich zoal bezighouden.
Het VPRO-programma Labyrint had de eerste auteur van het Science-artikel
vorige week dinsdag zelfs uitgebreid voor de camera. Wie z’n huiswerk goed
deed, had dat artikel dus helemaal niet nodig om het nieuws te reconstueren.
In die zin heeft het NOS Journaal het embargo feitelijk ook niet geschonden,
toen er op woensdagavond geopend werd met de arseenbacterie uit het
Californische Mono Lake.

In het snelle, digitale tijdperk van Google en Twitter is een nieuwsembargo
een archaïsch overblijfsel uit de periode van telex en postzegel.
Wetenschappers zijn er zelf vaak niet gelukkig mee, voor journalisten is het
een onhandig blok aan het been, en het grote publiek is er niet mee gediend.
In de meeste gevallen is de nieuwswaarde van artikelen in Science en Nature
nu ook weer niet zó groot, en als er wél sprake is van spectaculaire
resultaten, wordt een embargo toch wel geschonden, zoals in 1996 bleek bij
het (later ontzenuwde) nieuws over mogelijke fossiele bacteriën in een
Marsmeteoriet.

Ik pleit voor een simpele, pragmatische benadering. Als je als
wetenschappelijk tijdschrift iets nieuws te melden hebt, maar je wilt nog
even niet dat het in de krant komt, moet je er gewoon je mond over houden.
Zodra je informatie begint rond te sturen, moet je erop rekenen dat het
verder verspreid wordt, al dan niet aangevuld, geduid of bekritiseerd.

Ja, dat geeft wetenschapsjournalisten minder tijd en gelegenheid om aan een
doorwrocht artikel te werken. Maar daar hoor je ons niet over zeuren. Dat is
namelijk gewoon ons vak. En dat vereist nu ook weer geen buitenaardse
vaardigheden.

Govert Schiling gaat over de kwestie live in debat met Elmar Veerman bij De Gids FM op Radio 1, dinsdag 7 december om circa 11:45

Geef een reactie

Laatste reacties (24)