1.614
35

Voormalig parlementair verslaggever

Ik heb geruime tijd gewerkt als politiek verslaggever en correspondent Brussel van het ANP. Daarna heb ik onder meer gepubliceerd op de The Postonline, Historiek en Frontbencher. Ook verschenen er enkele boeken van mij. ‘Van verzuiling tot versplintering’ uit 2015 is het laatste.

Enige terughoudendheid bij moties van wantrouwen graag

Er gaat vrijwel bijna geen week voorbij of een Kamerfractie zegt het vertrouwen in een minister (of in het hele kabinet) op.

Broekers-Knol
ANP | Phil Nijhuis

Staatssecretaris Ankie Broekers-Knol kreeg gisteren van de SP een motie van wantrouwen aan haar broek (nou ja: rok) omdat ze onzin had uitgekraamd over het asielbeleid. In een interview met het AD zei de staatssecretaris onder meer dat er mogelijk 100.000 Afghanen naar Nederland zouden willen komen. Zij vreesde voor een ‘braindrain’ uit dat land. Waarop ze zich baseerde was onduidelijk. Volgens SP-Kamerlid Jasper van Dijk had Broekers-Knol geprobeerd ‘angst aan te jagen’ door lukraak grote getallen te noemen. Zoiets kan niet voor iemand die beleidsverantwoordelijkheid draagt, vond hij.

Zijn motie werd gesteund door DENK, Partij voor de Dieren, PVV, BoerBurgerBeweging en Forum voor Democratie. De eerste twee partijen hebben min of meer dezelfde opvattingen over het vluchtelingenbeleid als de SP, dus hun bijval viel te verklaren. Maar de laatste drie vonden juist dat Broekers-Knol de waarheid had gesproken. Daarna had ze zich volgens PVV-Kamerlid Gidi Markuszower door de regeringscoalitie laten ‘terugfluiten’, want de staatssecretaris gaf na het AD-interview toe dat ze beter niet uit haar nek had kunnen kletsen.

Wat had Broekers-Knol nu moeten doen als de motie was aangenomen? Aftreden omdat ze nonsens had verkocht over vluchtelingen uit Afghanistan, wat de SP wilde? Of opstappen omdat ze de verstandige opmerkingen die ze eerder had gemaakt weer inslikte, zoals de PVV beweerde?

Gelukkig voor de staatssecretaris hoefde ze niet te kiezen, want de motie van wantrouwen werd verworpen. Slechts 41 van de 150 Kamerleden steunden het voorstel. Moties met het woord ‘wantrouwen’ in het dictum worden trouwens nooit aangenomen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is dat nog geen enkele keer gebeurd.

Er is een tijd geweest – echt nog niet zo lang geleden – dat het indienen van een motie van wantrouwen een grote bijzonderheid was. Zoiets kwam hooguit een paar keer per jaar voor. Vandaag de dag is dat heel anders. Er gaat vrijwel bijna geen week voorbij of een Kamerfractie zegt het vertrouwen in een minister (of in het hele kabinet) op. Altijd zijn dat oppositiefracties (meestal de PVV trouwens). Regeringspartijen, die de meerderheid hebben, stemmen telkens tegen, zodat de motie nooit wordt aangenomen.

Dat hoeft geen reden te zijn om er nooit een in stemming te brengen, maar enige terughoudendheid lijkt me toch op zijn plaats. Tal van deskundigen, onder wie ex-Kamervoorzitter Khadija Arib, hebben de afgelopen jaren gewaarschuwd dat ieder wapen bot wordt als je het te veel gebruikt. Dat geldt zeker voor moties van wantrouwen, op papier het zwaarste wapen dat de Kamer heeft.

Deze moties kunnen snel aan kracht verliezen. Zeker als de indiener laat merken dat het opzeggen van het vertrouwen in een minister of staatssecretaris maar bij wijze van spreken is. Neem de PvdA en GroenLinks. Zij stemden gisteren niet voor de motie van wantrouwen tegen Broekers-Knol, maar enige maanden terug steunden ze wel een dergelijke motie tegen premier Mark Rutte (in het ‘Omtzigt, functie-elders’-debat). Daarvoor hadden ze op zich goede redenen, want Rutte had voor de zoveelste keer de Tweede Kamer onjuist geïnformeerd. Maar als je het vertrouwen in iemand opzegt moet je niet een paar weken later weer hengelen naar een plekje in diens kabinet. En dat was wat de twee linkse partijen deden. Zoiets is toch hypocriet?

Geef een reactie

Laatste reacties (35)