2.157
10

Communicatieadviseur

Maureen (geboren 1973) is zelfstandig communicatieadviseur, schrijver en copywriter. Ze bracht een aantal jaar van haar jeugd door in Parijs en woonde op latere leeftijd in Rome en Cannes, maar woont nu in Almere Buiten. Ze studeerde Frans en Communicatie. Maureen schrijft voor verschillende websites en haar columns gaan meestal over vrouwenzaken en het leven in het dagelijks bestaan. Ze werkt op dit moment aan haar debuutroman.

Er was eens een man

Wanneer ben je vrienden van elkaar? Spreek je dat af? Kom je na een tijdje samen tot die conclusie? Wie beslist dat?

In het najaar van 2008 besloot ik dat ik toe was aan mijzelf. Een maand lang zou ik schrijven, doen, laten, ontdekken en loslaten. Griekenland leek mij een goede plek voor deze zoek-jezelf-vind-jezelf-moeder-actie. Ze zijn in Griekenland tenslotte niet vies van wat gefilosofeer, lekker eten en goed weer. Ik zag mezelf al zitten in een pittoresk huisje aan het strand. Ik zou mezelf verdrinken in melancholie en wanhoop, in de zon en de zee om weer als een Demeter terug te keren: alles keurig aangeharkt op een rijtje.

Ik googlede op ‘klein schattig huisje in Griekenland’, of zoiets. In de zoekresultaten kwam het huisje van ene Pantelis Termat naar boven. Het was op Samos en Samos leek me prima. Ik mailde meteen om te reserveren, bang dat het al verhuurd zou zijn. Geen reactie. En na acht uur nog steeds niet. Ik mailde nog een keer, van die trage Grieken natuurlijk. Ik wist toen nog niet dat Pantelis Termat de Griekse versie van Piet Termaat was. Een geboren en getogen Noord-Hollander. Ik besloot te bellen. Een meisje nam op. Ik vroeg of ze misschien Engels sprak.

“Nee, maar wel Nederlands.”
“Is je vader of moeder thuis?”, vroeg ik.
“Mijn vader slaapt en mijn moeder is dood”, antwoordde ze.
“Oh”, zei ik.
“Waarom bel je?”, wilde ze weten.
“Ik wil graag jullie huisje huren.”
“Dat kan wel hoor. Het is een heel leuk huisje.”
“Zal ik het dan straks nog eens proberen?”, vroeg ik.
“Ja doe dat maar, dan is mijn vader vast wel wakker. Dag!”

Drie weken later landde mijn vliegtuig. Het was oktober en de lucht was anders blauw, minder intens en de zon was niet zo fel meer, de krekels waren terughoudend en het rook er naar een spannende mix van rozen, lavendel en rotte bladeren. Er waren veel schaduwen: de schaduw van de ene berg op de andere, schaduwen van de cipressen, van olijfbomen en overal die verdomde schaduw van mijzelf. Het was er herfst in een zomerjurkje.

“Goed”, dacht ik in de aankomsthal, “mijn avontuur is begonnen. Hallo nieuw leven als onafhankelijke vrouw van de wereld, hier ben ik dan.” Iets verderop stond een Griek met een bordje in zijn handen, “Maureen Brokken” stond erop. Ik was verbaasd, de jonge Griekse chauffeur lachte en nam mijn koffer over, “Pantelis sent me”, riep hij over zijn schouder toen hij voor me uitliep naar zijn taxi.

Onderweg naar het bergdorpje Ambelos zat ik als een Alice in Wonderland naast Alex de taxichauffeur. Het eiland was mooi, zo ontroerend mooi. Ik was benieuwd naar Ambelos en mijn huisje. Ik was ook benieuwd naar die, blijkbaar zeer attente, Pantelis en zijn dochter, maar ik was vooral benieuwd naar mijzelf. Hoe ging ik hier in een maand doorbrengen in mijn eentje?

Taxi Alex stopte voor een prachtig wit huis met blauwe luiken. Voor het huis stond een lange eettafel met veel stoelen eromheen. Er stonden potten met kruiden en planten en veel bloemen. Er groeiden sinaasappels aan een boom naast het huis, maar het mooiste was de plek waar het bronwater uit de stenen muur stroomde in een stenen bassin met flessen wijn. Ik stapte uit de taxi en trok mijn hoge hakken uit. De straten waren te steil.

Uit het huis kwam een lange, magere en gebruinde man lopen. Zijn gezicht was getekend, het stond ernstig maar zijn ogen lachten. Hij stelde zich voor als Piet, Pantelo of Pantelis, dat maakte niet uit. Ik weet niet waarom, maar vanaf dat moment noemde ik hem Pieter Samos. “Moet je een bakkie?”, vroeg hij. “Graag”, zei ik. Ik betaalde Taxi Alex en ging zitten aan de eettafel van mijn tijdelijke huisbaas. De zon scheen, ik legde mijn benen op een stoel, Pieter Samos zette Griekse muziek op en klopte de melk voor in de koffie. Het leven was goed zo.

Wanneer ben je vrienden van elkaar? Spreek je dat af? Kom je na een tijdje samen tot die conclusie? Wie beslist dat?

Die middag ging de koffie over in een glas wijn uit zijn eigen wijngaard. De wijn werd een lunch met nog veel meer wijn en we bleven maar praten. We dronken ons dronken aan de wijn en elkaars levensverhalen.

Pieter Samos was een weduwnaar. Hij vertelde over zijn overleden vrouw, “ze viel verdomme gewoon dood neer. Een gezonde vrouw, nooit ziek. Een prachtvrouw. Wat was ik kwaad op haar!”

Maar nu had hij het geluk weer gevonden. Hij wilde weten of het ging werken tussen hem en zijn nieuwe liefde. Samen met zijn twee dochters van 9 en 12 jaar zou hij naar Nederland vertrekken. “Ik hou groots van die vrouw”, vertelde hij over zijn Griekse godin die hij op Samos had ontmoet, maar die notabene al jaren in Nederland woonde met twee zonen. Hij kon er niet over uit, wat een toeval. “Ik zoek niet, ik vind, en wat heb ik haar gevonden!”

Ik heb drie weken bijna non-stop met hem en zijn kinderen doorgebracht. Zijn lieve meisjes Sophia en Kiki die elke dag na school bij me langskwamen. Ze trokken mijn kleren aan, liepen op mijn hakken en internetten op mijn laptop. Elke avond at ik met ze mee. Ik heb nog nooit zo lekker gegeten, Pieter Samos was een kunstenaar en dat zag, proefde, hoorde en voelde je terug in alles waar hij aandacht aan had geschonken. Het zorgvuldig ingerichte huis, zelfgemaakte meubels, schilderijen, al het eten, de wijn, muziek, zijn kinderen. Het was allemaal van zo’n authentieke schoonheid dat het me regelmatig naar woorden deed zoeken om het te vangen, uit te leggen, te bewaren. Dat ging niet. En ik kan het nog steeds niet uitleggen. De eenvoud van zijn leven en van de dingen die hij maakte waren van zo’n grote schoonheid dat het begrijpelijk was dat hij op zoek was naar evenwicht. Hij had het over de paradox, ik had het over evenwicht. Links en rechts, boven en beneden, donker en licht, leven en dood. Het was er allemaal en allemaal niet. Hij vertelde: “tijdens de doop van je kind krijg je hier als vader een kistje mee. Als iedereen begint met feestvieren begraaf jij dat kistje op het kerkhof. Zo dicht ligt leven en dood bij elkaar. Zo betrekkelijk en kwetsbaar is het allemaal. En zo verantwoordelijk ben je dus als vader.”

De wijn ging hard, de sigaretten harder en de muziek het hardst. We huilden en lachten om het leven en we gaven elkaar briljante levensadviezen. “Weet je waar jij voor moet zorgen?”, zei hij, “je moet dat waakvlammetje in jezelf laten branden, dat moet je blijven zoeken. Als dat vlammetje dooft, ben je reddeloos verloren.” Ik beloofde het.

Na die weken heb ik ze uitgezwaaid. Ik heb net zo lang gezwaaid tot ik de grijze pick-up niet meer bocht na bocht naar beneden zag rijden, die eindeloze hoge berg af. Mijn mascara had zich op mijn wangen vermengd met snot. We zouden contact houden.

In Nederland hebben we elkaar nog vijf keer gezien. Het was net als op Samos: te kort. Het was veel te kort. “Ik heb niet lang meer”, mailde hij. “Ik ben een kok met maagkanker, kun je het je voorstellen?!” Ik was in shock, “ik kom langs”, antwoordde ik, maar het was te laat. Pieter Samos deed waarin hij het allerbeste was, hij leefde zijn eigen paradox. Hij verliet om voor altijd te kunnen blijven.

Dit artikel staat ook op de website van Maureen Brokken

Volg Maureen ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (10)