1.133
14

Analist internationale politiek, Brussel

Tijdens zijn loopbaan bij de Europese Commissie in Brussel vervulde Willem-Gert Aldershoff diverse functies in de departementen voor Internationale Betrekkingen en Binnenlandse Zaken en Justitie. Sinds enkele jaren werkt hij in Brussel als onafhankelijk adviseur en publicist inzake de betrekkingen tussen de Europese Unie en Israël-Palestina.

De afgelopen maanden verschenen bijdragen van hem in de Israelische krant 'Haaretz' en op het blog 'Open Zion' van Peter Beinart in New York. Daarnaast houdt hij zich bezig met Oekraïne.

Europese etiketteringsgrichtlijnen zijn goede stap, maar onvoldoende

Over de recente EU-richtlijnen voor etikettering van producten uit Israëlische nederzettingen

Na jaren aarzelen heeft de Europese Commissie dan eindelijk durven besluiten dat producten uit Israëlische nederzettingen niet langer als ‘made in Israel’ in de Europese Unie ingevoerd mogen worden. Zij krijgen slechts toegang wanneer zij benoemd worden als “product uit de Westelijke Jordaanoever (Israëlische nederzetting)” of “product uit de Golan Hoogte (Israëlische nederzetting)”.

Deze richtlijnen vormen geen nieuwe regelgeving en ook geen boycot van of strafmaatregel tegen Israël. Europese wetgeving bepaalt immers al jaren dat ingevoerde producten duidelijk moeten aangeven waar ze vandaan komen en dat de oorsprongsaanduiding consumenten niet mag misleiden. De Europese Commissie had lang geleden al richtlijnen kunnen, en moeten, uitvaardigen zoals vele NGO’s bepleitten. Dat zij dat niet eerder deed kwam voort uit een onterechte bezorgdheid de betrekkingen met Israël niet te willen ‘schaden’ en uit angst beschuldigd te worden van ‘anti-Israëlische’ gezindheid. Ook speelde druk van Israël’s onvoorwaardelijke beschermheer Amerika een rol.

De reactie van de Israëlische regering op het Commissie besluit grensde aan hysterie. Premier Netanyahu noemde het “hypocriet”, “meten met twee maten” , “immoreel” en “alleen op Israël gericht, niet op de vele andere conflicten in de wereld”. Hij bestond het om te eindigen met een “schaam je Europa.” Anderen spraken van “delegitimering” van Israël.

Israël wordt in vergelijking met andere landen door de EU echter met fluwelen handschoenen aangepakt. Sinds jaar en dag is het aanvaard EU-beleid om maatregelen te nemen tegen landen die het internationaal schenden. Momenteel staan er een dertigtal landen op de EU sanctieslijst die zich schuldig maken aan veel minder ernstige en langdurige schendingen dan Israël. Het laatste voorbeeld is Rusland, dat onder meer geconfronteerd werd met een volledige invoerstop uit de door haar bezette Krim.

Beschuldigingen dat de Unie de invoer uit de illegale Israëlische nederzettingen anders behandelt dan die uit bezette gebieden elders in de wereld gaan niet op. Zo heeft de EU de oorsprongscertificaten uit het door Turkije bezette Noord-Cyprus nooit erkend. En wat men ook van de situatie in Tibet en Xinjiang moge vinden, dit zijn gebieden die zich bevinden binnen de internationaal erkende grenzen van China. Ook Kashmir, Polynesië en Nieuw Caledonië maken formeel onderdeel uit van internationaal erkende staten.

Centraal in het etiketteringsbesluit staat de EU’s herbevestiging dat het, conform het internationaal recht, Israëls soevereiniteit over bezet Palestijns gebied niet erkent en dat “EU wetgeving en regels dit standpunt moeten weerspiegelen.” Logischerwijs betekent dit dat de Unie ander Israëlisch beleid aangaande Palestijns gebied op precies dezelfde wijze zou moeten aanpakken als zij doet met de nederzettinguitvoer. Daarom zou zij nu ook de volgende zaken moeten onderzoeken: de mogelijke (indirecte) betrokkenheid van Europese financiële instellingen bij de financiering van nederzettingen; de status in de EU van ‘liefdadigheidsinstellingen’ die nederzettingen ondersteunen (bijv. belastingaftrek van giften); de geldigheid in de EU van documenten die Israëlische autoriteiten in nederzettingen afgeven; EU contacten met Israëlische organisaties in Oost-Jeruzalem; en tenslotte de gevolgen voor personen met een Israëlisch en Europees paspoort die in nederzettingen wonen of daar activiteiten uitvoeren.

Ook op deze terreinen dient de EU bestaande Europese regelgeving zo toe te passen dat die geen directe of indirecte erkenning impliceert van Israëlische controle over Palestijns gebied. Zo’n aanpak heeft dus niets van doen met het nemen van restrictieve maatregelen tegen Israël.

Indien echter de EU consequent zou zijn in haar buitenlands beleid dan zou zij al lang geleden ook beperkende maatregelen tegen Israël hebben afgekondigd. Op alle staten rust namelijk de internationaalrechtelijke verplichting om niet mee te werken aan het in stand houden van wat een ‘internationaal onrechtmatige daad’ genoemd wordt. Israëls vijftig jaar durende bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Oost Jeruzalem, de overbrenging van honderdduizenden Israeliërs naar Palestijns gebied en de bouw van een afscheidingsmuur daar vormen overduidelijk zo’n handeling. Uitspraken van de VN Veiligheidsraad en het Internationaal Gerechtshof onderstrepen dat.

De EU veroordeelt deze praktijken sinds jaren, vaak in scherpen bewoordingen. Verklaringen voldoen volgens het internationaal recht echter niet, staten zijn verplicht om maatregelen te nemen die concreet effect sorteren. Daarom heeft de EU geen andere keus dan eindelijk ook tegen Israël beperkende maatregelen nemen. Daarbij kan niet genoeg benadrukt kan worden dat zulke maatregelen geen negatief effect hebben op Israëls veiligheid of het voortbestaan van de staat Israel.

cc-beeld: Kombizz Kashani

Geef een reactie

Laatste reacties (14)