1.204
24

emeritus hoogleraar Ethiek, UvA

Euthanasiekliniek is verkeerde oplossing

Joop-debat: Wie er binnen gaat, kan niet meer terug

De NVVE (Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde) wil een levenseindekliniek openen voor patiënten die hun eigen arts om euthanasie of hulp bij zelfdoding hebben gevraagd, maar nul op het rekest hebben gekregen. Het initiatief heeft veel instemming gekregen. Maar wat is eigenlijk het probleem dat de kliniek moet helpen oplossen?

Veel mensen lijken voorstander omdat ze vinden dat iedereen die dood wil daarvoor de geschikte ‘zachte’ middelen moet kunnen krijgen. Maar daar kan een kliniek niet voor zorgen. Volgens de euthanasiewet mag een arts pas op een verzoek om euthanasie ingaan als hij de overtuiging heeft gekregen dat er sprake is van ondraaglijk lijden dat niet meer verlicht kan worden. Zolang die voorwaarde geldt, zullen er altijd verzoeken zijn die daar niet aan voldoen.

Maar het probleem is eerder dat artsen nogal eens hun eigen eisen stellen, bovenop de eisen die de wet stelt. Drie op de tien artsen denken dat een patiënt stervende moet zijn voor hij euthanasie kan krijgen, twee op de tien artsen denken dat bij de beoordeling van de ondraaglijkheid van het lijden alleen gekeken mag worden naar fysieke symptomen zoals pijn en benauwdheid, en dat verlies van zin, onafhankelijkheid en waardigheid er eigenlijk niet toe doen. Terwijl dat toch de belangrijkste redenen zijn waarom patiënten, ook stervende kankerpatiënten, om euthanasie vragen.

Er is dus een reëel probleem, maar is een kliniek daarvoor de oplossing? De uitvoerend arts zal ook in dit geval tot de overtuiging moeten komen dat aan de wettelijke eisen is voldaan. Daartoe moet hij met de patiënt een relatie ontwikkelen en soms zal hij andere deskundigen moeten inschakelen. Dat kan allemaal niet in de drie dagen die voor een gemiddelde opname voorzien zijn. Het zal dus moeten gebeuren in de daaraan voorafgaande screeningsfase. Dat moet ook om een andere reden. Als een patiënt opgenomen wordt, gaat de kliniek daarmee de verplichting aan hem verder naar de dood te begeleiden. Daar betaalt hij voor. Dan is de arts dus niet meer vrij in zijn oordeelsvorming.

Maar hoe moeten we ons die screening voorstellen? Moeten de vaak toch ernstig zieke patiënten daarvoor steeds naar de Utrechtse heuvelrug reizen, of gaan de artsen van de kliniek steeds maar op en neer naar Groningen, Limburg of Zeeland? Dit is in het bijzonder een probleem bij psychiatrische patiënten, een van de doelgroepen waarop de kliniek zich in het bijzonder wil richten. Bij hen wordt extra behoedzaamheid gevraagd, met name bij de beoordeling of hun verzoek weloverwogen is, en of er voor hen geen andere uitwegen zijn. Ook bij patiënten in een beginnende fase van dementie is bijzondere behoedzaamheid nodig. De besluitvorming bij deze patiënten duurt dan ook gewoonlijk maanden.

Het streven om de problematiek vanuit één centraal punt op te lossen, met een kleine staf van gespecialiseerde artsen, zet dus de zorgvuldigheid onder druk. En ik zou trouwens weinig vertrouwen hebben in de kwaliteit van de beoordeling door een arts voor wie euthanasie lopende band werk is.

Hoewel we bij benadering weten hoeveel concrete euthanasieverzoeken er jaarlijks door artsen worden afgewezen (ongeveer 3.000), hebben we geen idee hoeveel er worden afgewezen op oneigenlijke gronden. We kunnen dus ook niet voorspellen hoeveel van de patiënten die zich aanmelden voor opname in aanmerking komen. Maar een kliniek heeft vaste lasten voor het gebouw en voor een minimale personeelsbezetting. Er moet dus ook een minimaal aantal bedden gevuld gehouden worden. Zal een arts die door de instelling betaald wordt bij zijn beslissing over opname geheel van deze overweging kunnen abstraheren?

Na de opname is er eigenlijk geen weg terug. Niet voor de kliniek, maar ook niet voor de patiënt die hier immers ligt om naar zijn einde gebracht te worden. Kun je er dan tot het eind toe volledig zeker van zijn dat zijn verzoek vrijwillig is? En dan schrijft de wet nog voor dat een onafhankelijk consulent moet beoordelen of aan de wettelijke eisen voldaan is. Die consulent krijgt nu te maken met een instelling die zich al gecommitteerd heeft aan levensbeëindiging op korte termijn, en een patiënt die daarvoor betaalt. Zal die consulent zich nog geheel vrij voelen om een negatief oordeel te geven, of te adviseren om een definitieve beslissing enige tijd uit te stellen?

Mijn conclusie is dat voor een kliniek onvermijdelijk eisen van bedrijfsvoering gelden die de openheid en zorgvuldigheid van de procedure van besluitvorming en consultatie in gevaar brengen. Maar als die hele procedure naar de screeningsfase wordt gebracht, waar is een kliniek dan eigenlijk nog voor nodig? Wat we nodig hebben is een netwerk van regionale bemiddelaars die bereid zijn met afgewezen patiënten te praten, hen informatie te geven over de mogelijkheden die ze hebben om hun leven zonder hulp van artsen op een humane manier te beëindigen, en hen eventueel in contact te brengen met een andere arts. Een kliniek dient daarbij geen enkel zinvol doel.

Dit artikel verscheen eerst in de Volkskrant. Govert den Hartogh gaat donderdag 27 januari om 11.45 uur op Radio 1 in deGids.fm in debat met de Ned. Vereniging voor Euthanasie

Geef een reactie

Laatste reacties (24)