805
14

Student en GroenLinks-lid

Frank Hemmes is 24 jaar en studeert momenteel Science & Security aan King's College in Londen. Hiervoor behaalde hij zijn bachelor Natuur- en Sterrenkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en een master Environment and Resource Management aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Frank is lid van GroenLinks, maar verkondigt desalniettemin zijn eigen mening. Ook is hij lid van blogcollectief Vrij-Zinnig.

Falende onderwijsvisie holt opleidingen uit

Beloning per afgeleverde diploma moet verdwijnen

Zoals te verwachten viel heeft het vernietigende rapport van de Onderwijsinspectie over de staat van een aantal HBO-opleidingen geleid tot een storm van verontwaardiging en protest in de politiek. Politici buitelden welhaast over elkaar heen met uitroepen dat de situatie onaanvaardbaar is, dat er onmiddellijk verscherpt toezicht moet komen en dat een soortgelijke dupering van studenten nooit meer voor mag komen. Staatssecretaris Zijlstra reageerde onmiddellijk door de accreditatiestatus van de betreffende opleidingen in te trekken, wat betekent dat bij gebrek aan verbetering deze studies uiteindelijk zullen worden opgeheven. De roep om meer toezicht op het systeem gaat echter voorbij aan het idee dat het systeem zelf wel eens het probleem zou kunnen zijn.

Tenslotte is de ontwikkeling van ‘uitgeholde opleidingen’ (om het maar even een naam te geven) iets waar door studenten al langer op wordt gewezen. De druk op opleidingen om met beperkte middelen meer studenten in kortere tijd diploma’s te laten halen, resulteert in de perverse prikkel om studies dan maar makkelijker te maken. Veel studenten zien dit in hun directe omgeving, waar ‘struikelvakken’ worden geschrapt, curricula worden uitgekleed en tentameneisen worden versimpeld. Toch blijkt telkenmale weer op debatten, demonstraties en bijeenkomsten dat politici verbaasd zijn wanneer deze voorbeelden worden aangedragen. Verder dan ‘garanties’ dat het afdwingen van de diplomaquota bij de universiteiten niet tot kwaliteitsverlies zal leiden, komt men over het algemeen niet. We hebben nu allemaal kunnen zien wat deze garanties waard zijn.

Om de situatie in het onderwijs te verbeteren, is er eigenlijk maar één grote verandering nodig. We moeten ophouden met onderwijs zien en behandelen als een product. Onderwijs is geen pot pindakaas. De bedrijfseconomische visie op onderwijs heeft een administratief gedrocht opgeleverd waar een planbureau in de Sovjetunie trots op zou kunnen zijn. Onder druk van Den Haag worden heuse meerjarenplannen voortgebracht, waarin de te produceren aantallen studenten voor de komende jaren reeds worden vastgelegd. Eenzelfde prikkel geldt voor de aantallen aan te nemen eerstejaars studenten. Inmiddels zijn we in een bizarre situatie verzeild geraakt waar een factor waar een instelling geen enkele invloed op kan uitoefenen, voorwaarde wordt gemaakt voor een deel van de financiëring.

Omdat de eisen van Den Haag vaak onbuigzaam blijken, zijn instellingen welhaast gedwongen om dan maar de werkelijkheid aan het beleid aan te passen. Hiervoor wordt een heel scala aan middelen ingezet. Van bureaucratische magie tot dwangmaatregelen voor studenten. Maar dus ook het domweg versimpelen van opleidingen, of uiteindelijk zelfs fraude met diploma’s. Dit alles om de doelstellingen maar te halen en zo de financiële consequenties te ontsnappen.

Uiteindelijk zijn de studenten maar ook vooral de docenten hiervan het slachtoffer. Studenten worden steeds meer gezien als ruwe grondstoffen die volgens een vast procedé zo economisch mogelijk bewerkt moeten worden tot een bepaald eindproduct. Docenten zijn in deze visie niet veel meer dan een productiefactor, die naast het ‘produceren’ van wetenschappelijke kennis ook een bepaalde hoeveelheid afgestudeerden moeten afleveren. Managers, vaak met weinig kennis van onderzoek of onderwijs, leggen arbeidsomstandigheden vast waarin docenten moeten werken om minimale kwaliteitseisen te halen. Opschaling van werkgroepen, videocolleges en een maximale nakijktijd per essay of tentamen zijn allen manieren om het onderwijs meer ‘efficiënt’ te maken.

Studenten worden in de wereld van het economisch vormgegeven onderwijs helemaal in een vreemde positie gezet. Enerzijds worden zij beschouwd als input die bewerkt moet worden. Via een breed scala aan dwangmaatregelen en andere beperkingen moet ervoor gezorgd worden dat studenten niet al teveel van het bedrijfsproces afwijken. Natuurlijk is er wel ruimte voor ‘excellente’ studenten, maar die zijn in het neoliberale beeld niet veel meer dan het product ‘student+’.

Aan de andere kant worden studenten in hun rol van ‘klant’ steeds meer verantwoordelijkheden in de schoenen geschoven. Studententen moeten onder andere zelf gaan onderzoeken welk ‘onderwijsproduct’ het beste bij hen past. Het feit dat zelfs de NVAO niet in staat is om opleidingen zorgvuldig te beoordelen, geeft al aan hoe waanzinnig het is dit dan wel van studenten te verwachten. Daarnaast bestaat de mythe dat studenten als klanten meer zorg zullen dragen voor de kwaliteit van hun onderwijs. Dit gaat echter volledig voorbij aan de afhankelijkheidsrelatie waarin studenten zich gedurende hun opleiding bevinden. Geen student zal het in zijn hoofd halen om halverwege een opleiding van ‘leverancier’ te wisselen. Bovendien ondergraaft de overheid op dit punt haar eigen beleid, door de consequenties van ‘uitval’ alleen maar groter te maken.

De oplossing voor het probleem van ‘zwakke’ opleidingen is dus niet het invoeren van nog meer pseudo-marktmaatregelen. De mogelijkheid tot het terugeisen van collegegeld klinkt weliswaar sympathiek, maar lost het probleem niet op en zal voor studenten altijd te laat komen. In plaats daarvan moet de politiek zich realiseren dat economische logica niet werkt in het onderwijs. Een studie is geen product als een pot pindakaas, kennis laat zich niet consumeren als een hamburger en wetenschappelijk onderzoek valt niet te regelen als fabricage aan de lopende band.

In plaats daarvan moeten we streven naar instellingen waar het onderwijs wordt vormgegeven door samenwerking tussen studenten en docenten, waarbij bestuurders een faciliterende rol spelen. Dit betekent onder andere meer vrijheid voor docenten om hun onderwijs en lesvormen te ontwikkelen en meer gelegenheden tot inspraak voor zowel studenten als medewerkers. Ook zou er meer aandacht moeten komen op kritische reflectie op het onderwijs door studenten, in plaats van de klanttevredenheidsonderzoeken die momenteel in de mode zijn. Natuurlijk hebben studenten een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om de waarborging van hun onderwijs, maar zij moeten wel de middelen krijgen zich van deze taak te kwijten.

Maar voordat dit alles gerealiseerd kan worden, heeft de politiek de taak om de economisering van het onderwijs een halt toe te roepen. Pas als de beloning per diploma verdwijnt, zal de prikkel om zoveel mogelijk afgestudeerden te produceren tegen zo laag mogelijke kosten helemaal verdwijnen. Zolang het onderwijs beschouwd wordt als ondergeschikt aan de belangen van ‘de economie’, zullen problemen als de huidige blijven bestaan. Voordat politici dan ook de beschuldigende vinger naar docenten, instellingen of bestuurders wijzen, is het zinvol als zij de hand eerst in eigen boezem steken.

Dit artikel verscheen eerder op de website van Frank Hemmes

Geef een reactie

Laatste reacties (14)