1.900
122

Historicus en publicist

Rutger Bregman (23) is historicus en publicist. Hij schrijft onder andere voor nrc.next en Het Parool. In maart 2012 verschijnt zijn boek 'Met de kennis van toen. Actuele problemen in het licht van de geschiedenis' bij de Bezige Bij. Eerder publiceerde hij ‘Hoe haal ik mijn tentamen?’ bij uitgeverij Van Gorcum.
Bregman volgen? Dat kan op Twitter: @rcbregman

Fantasten hebben vaak gelijk

Geef 'onuitvoerbare' dromen weer de ruimte

We leven in een tijdperk van permanente noodgevallen. Crisis volgt op crisis en ramp op affaire. We schrikken op van een verdwaalde orka, een verdrietige asielzoeker of gekibbel in de top van een voetbalclub. Altijd is er de financiële crisis, het kloppend hart van ons politieke bewustzijn. Maar ondertussen blijven onze politici fantasieloze utilisten: ze repareren het heden zonder na te denken over een andere toekomst.
De diagnose is eenvoudig: het utopisme is dood.

‘En maar goed ook’ zullen vele rechtgeaarde liberalen, wijs geworden socialisten en zelfgenoegzame conservatieven zeggen. Want inmiddels weten we wel waar utopieën op uitlopen: chaos, rampen en – in het ergste geval – genocide. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staat de zelfverklaard realist die weet dat de Tuin van Eden voorgoed is verdord. Het enige wat overblijft is de tuin van Candide, die we zo goed en zo kwaad als het gaat moeten onderhouden.

Radicale ideeën over een betere wereld zijn letterlijk ondenkbaar geworden. ‘Dromen, durven en doen’ leren we tegenwoordig van gedragsgoeroes in plaats van intellectuelen. ‘Iedereen heeft dromen op het gebied van werk, relatie, gezondheid, persoonlijke ontwikkeling…’ zo staat er op de achterkant van een boekje van geluksdokter Ben Tiggelaar. Achter die obsessie met ons eigen succes gaapt een gat waarin de droom van een betere wereld past.

Hoe is het zover gekomen?

In de eerste plaats, zo luidt het argument, heeft de geschiedenis geoordeeld dat alle utopieën gedoemd zijn te mislukken. Al op de middelbare school wordt er met behulp van spannende romans als Brave New World en 1984 ingepeperd dat dromen uiteindelijk in nachtmerries veranderen. Een utopie wordt een dystopie, of sterker nog, een utopie is een dystopie. Terwijl we een dyslecticus helpen met lezen, zeggen we tegen de dystoop dat hij zijn utopie maar beter kan vergeten.

Maar wie zegt dat het oordeel van de geschiedenis ook eerlijk is? Hebben de utopisten echt zoveel bloed aan hun handen? Er zijn sterke aanwijzingen dat het geloof in een betere wereld geen eerlijke kans heeft gekregen.

Hoe het verlangen naar een wereld van geluk, vrede en overvloed verantwoordelijk kan zijn voor de gruwelen van de twintigste eeuw is mij een raadsel. Het nazisme was geobsedeerd met een eeuwige rassenstrijd, niet met een vreedzaam Luilekkerland. Natuurlijk, de Nazi’s hadden ook hun ideeën over een gezond en vrolijk leven. Maar dat de Nazi’s het volkorenbrood de ‘Endlösung’ van het broodvraagstuk noemden maakt een pleidooi voor de schijf van vijf toch nog niet genocidaal?

Als we afdalen naar het moratorium van de twintigste eeuw dan blijkt dat utopieën, zelfs als we ze heel ruim definiëren, voor niet meer dan een vijfde van alle politieke doden verantwoordelijk zijn. In een wereld die moderniseert en rationaliseert eisen religie, nationalisme en hebzucht nog altijd het gros van de slachtoffers. En dat sommige gelovigen tot geweld oproepen brengt toch niet alle religies in diskrediet? Waarom zou dat wel gelden voor het utopisch denken?

De Amerikaanse historicus Russell Jacoby heeft een onderscheid gemaakt tussen twee vormen van utopisch denken. Met de eerste vorm zijn we welbekend. Het is het utopisme van de blauwdruk.

De blauwdruk biedt geen abstracte idealen, maar kraakheldere richtlijnen waar in geen geval van afgeweken mag worden. Neem Tommaso Campanella, die in 1602 de exacte kledij van de inwoners van zijn utopie beschreef. Zij dragen ‘witte onderkleding’, ‘zonder plooien’ en met ‘bolvormige knopen’. Aan de voeten horen ‘grote sokken’, een soort van ‘halve sandalen die zijn vastgemaakt met gespen’ en daarover weer een ‘halve schoen’. De zogenoemde ‘Metafysicus’ die aan het hoofd staat van Campanella’s ideale ‘Zonnestad’ weet via een netwerk van informanten alles over zijn onderdanen. Iedereen is verplicht elkaar lief te hebben; op haat staat de doodstraf. Particulier bezit is ten strengste verboden.

Campanella’s utopie lijkt verdacht veel op het communisme van de twintigste eeuw: goede bedoelingen met een gruwelijke uitkomst. De utopie van de blauwdruk is een utopie van dwang: mensen moeten dit geloven, moeten dat eten en moeten deze kleding dragen. De blauwdruk geef een kraakhelder beeld van het keurslijf waarin de toekomst gedwongen wordt.

In dat opzicht past het blauwdruk-utopisme perfect bij onze tijd: een tijdperk van extreme visualisatie. Deze samenleving  wordt overspoeld door een tsunami van beelden. Wat is er eigenlijk nog waar van het cliché ‘een beeld zegt meer dan duizend woorden’? Hoe groter het billboard hoe verder het in betekenisloosheid verzandt. Zoals een oncharmante foto de herinnering aan een geniaal feestje teniet doet, zo damt de hypervisualisatie ons eigen inbeeldingsvermogen in. De beelden uit het nu verblinden ons voor visioenen van de toekomst.

Kinderen krijgen via televisie, Internet en digitale schoolborden hun dagelijkse portie plaatjes en filmpjes toegediend. Alles wat abstract is moet een gezicht krijgen. Ze mogen zich ook niet meer vervelen; de televisie en een eindeloze toevoer van speelgoed zorgen daar wel voor. De speelplaats van het kind is geen boomhut in het veld, maar een plein vol toestellen met veiligheidslicentie. Voetbal verplaatst zich van de straat naar het veld, waar papa’s schreeuwend aan de zijlijn staan. Dat er ook iets verloren gaat met de komst van coaches en uniforms wordt over het hoofd gezien.

De kolonisatie van de tijd en ruimte van het kind ondermijnt zijn fantasie voor de rest van zijn leven. Spelen is niet langer een creatieve bezigheid maar een vorm van bezigheidstherapie. Eens vermaakten kinderen zichzelf en was verveling nog geen gevaarlijke ziekte. Het medicijn tegen verveling, opwinding, is een drug die uiteindelijk passiviteit veroorzaakt. ‘Een generatie die niet tegen verveling kan zal een generatie van de middelmaat zijn’, schreef Bertrand Russell al in 1930.

In deze tijd van hypervisualisatie zou nog een utopische blauwdruk niet meer zijn dan nog een billboard aan de kant van de weg. De utopie van de blauwdruk is, evenals het billboard, vooral een spiegel van de eigen tijd. Voor een glimp van de hemel wordt de catalogus van vandaag opengeslagen. Zo raakt de blauwdruk al snel gedateerd – in de kleding van Campanella zou niemand zich meer durven vertonen.

Er is een andere vorm van utopisch denken. Deze utopie weerstaat de tirannie van de beelden en stelt geen harde richtlijnen voor de toekomst. Het is iconoclastisch. Als de utopie van de blauwdruk een haarscherpe foto is, dan is de iconoclastische utopie niet meer dan een abstract schilderij.

Deze traditie van utopisch denken is vooral in leven gehouden door Joodse denkers. Omdat zij geen beeld verbonden aan hun utopie bleven zij trouw aan het tweede gebod: ‘Gij zult geen godenbeelden maken’. Het Jodendom is een religie van het boek – in tegenstelling tot het oudere polytheïsme dat in de greep was van een beeldenfetisj. Heilige teksten zijn nooit eenduidig en vergen constante herinterpretatie. Daarmee stimuleren ze de verbeeldingskracht. Maar in de eenentwintigste eeuw zijn we teruggevallen op de beeldenafgoderij van onze voorvaders.

Voor de iconoclasten bestaat er geen harde tegenstelling tussen redelijke voorstellen en onuitvoerbare dromen. Een utopisch gedachtegoed kan, juist door abstract te blijven, concrete maatregelen stimuleren. Voor wie goed kijkt zit de geschiedenis vol met succesvolle fantasten. Was Martin Luther King ten prooi gevallen aan een naïef utopisme toen hij riep dat hij een droom had? Was Gandhi een idioot toen hij zei dat ‘de waarheid en de liefde altijd zullen overwinnen’?

Ideeën die eens met hoofdletters werden geschreven, Vrijheid, Gelijkheid en Eeuwige Vrede, worden tegenwoordig als gevaarlijke illusies beschouwd. Maar King begreep dat hij niet verraden kon worden door zijn ideeën, integendeel, het was de bittere realiteit die zijn ideeën tekort deed: 

I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: “We hold these truths to be self-evident: that all men are created equal.

Het was niet meer dan een droom. Maar die droom was genoeg om de wereld te veranderen.

Een ex-bankmedewerker werd onlangs gevraagd waarom hij meedeed aan de Occupy protesten terwijl de beweging geen standpunten heeft. ‘Ho is even. Geen standpunten?’, reageerde hij verontwaardigd,  ‘Die hebben we wel: we vinden dat het zo niet langer kan!’

Zoals zoveel politieke slogans zijn de leuzen van Occupy negatief geformuleerd. Maar moet diegene die ‘Stop de oorlog!’ roept ook beloven dat eeuwige vrede ons vervolgens ten deel zal vallen? Waarom zouden die hippies precies moeten uitleggen wat er na het graaikapitalisme komt? Dat is nu juist het probleem van de blauwdruk, die wil de toekomst in een keurslijf dwingen waar zij niet inpast. Dromen zijn anders: ze zijn vaag, abstract en zetten zich af tegen de realiteit. Niemand weet hoe de hemel er uitziet, maar we weten dondersgoed hoe die er niet uitziet.

Het verbinden van een utopische passie met de politieke praktijk is de opdracht van onze tijd. Zijn het louter werkloze uitkeringstrekkers die hun tentje hebben opgezet op het Beursplein? Het zal wel. Dat we het werkelijke protest overlaten aan wereldvreemde hippies is tekenend voor ons eigen gebrek aan verbeeldingskracht. Een generatie die niet wil dromen verliest het recht op een betere wereld.

Dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant

Geef een reactie

Laatste reacties (122)