1.077
11

Tekstschrijver en publicist

Mark Wagemakers is tekstschrijver en publicist.

Foodporn: Snel klaar – écht snel!

Waarom, wáárom, zit in Nederland alles in zakjes?

Toegegeven; ik ben een culinaire snob. Ik houd niet van buffetten (tenzij mieters lekkere gerechten), heb een onuitspreekbare hekel aan vreetschuren en als de ‘wokgroenten’ in de aanbieding zijn, verzucht ik me dat het in Nederland culinaire armoe troef is. Waarom, wáárom, zit in Nederland alles in zakjes? Waarom herkent men in de supermarkt niet meer wat welke groente is, maar gaat het er in een restaurant over dat ‘die witte sliertjes er maar niet in moeten, want dat lust ik niet’.

Niet dat ik meteen verbitter in mijn twintiger jaren, maar toch. Als ik bij vrienden eet, moet ik blij zijn als het geen ‘varkensshoarma’ is en pastasaus van Bertolli, Grand-Italia of Heinz. Niets simpelers dan een paar gesneden tomaten, een handjevol basilicum, wat olijfolie, een uitje en een teentje knoflook laten sudderen in een beetje bouillon, door een zeef halen en klaar. Nee, ‘dat smaakt toch niet als de échte pastasaus’. Pasta rollen is teveel werk, en als het gerecht niet binnen vijftien minuten op tafel staat (met de hartelijke dank aan Jamie O.), is het bij voorbaat een gebed zonder end, dus moet er maar niet aan worden begonnen.

Maar pak nu een knolselderij. Je weet wel, die grote, grauwwitte bol met stengels en zand eraan. Meestal niet duurder dan een cent of tachtig. En dan heb je haast een kilo. Daar gaan we nu iets makkelijks mee doen. Duurt niet te lang – geloof me – en smaakt veel, véél beter dan elke groente uit een pakje, potje of zakje.


De helft van de knol schillen we, snijden we klein en leggen we in een laagje bouillon, koken we beetgaar, lengen we aan met room en pureren we. Een beetje olijfolie erbij, door een zeefje duwen en de soep – want dat is het inmiddels geworden – decoreren met een takje salie en wat fijngesneden bacon. 


De andere helft van de knol snijden we in drie gelijke delen. Het ene deel zetten we, fijngesneden, een maandje ‘op sterk water’: 150 ml witte-wijnazijn, 100 ml suiker, 75 ml water, een blaadje laurier, twee kruidnagelen, een paar jeneverbessen, wat peperkorrels, takjes dille en tijm aan de kook brengen, knolselderij toevoegen, in een uitgekookte weckpot doen, en een maandje laten staan – maar een halve dag is ook goed, voor een lekker smaakje.


Van het tweede deel maken we een puree: in een beetje bouillon aan de kook brengen, beetgaar koken, pureren, truffel eroverheen raspen, rauwe champignon in dunne plakjes erbij en dresseren met wat zuurkool met appel en een stukje Zeeuws spek – je weet niét wat je eet.


Van het laatste deel maken we wederom een puree, maar gebruiken we in plaats van bouillon, room. Een beetje vanille erbij, een stukje steranijs, laten trekken, steranijs eruit halen en pureren. De puree zeven we en warmen we weer op. Als het té stevig is, kan er nog wat room bij. Als het mengsel warm is, voeg je er twee losgeklopte eidooiers met een snufje suiker eraan toe en warm je het op tot het ‘blubt’. Een graad of tachtig; anders krijg je roerei. Afkoelen, wat melk toevoegen, doorroeren en invriezen in guitige bakjes. Zie daar; je ‘ijsje van knolselderij’ is klaar; doe er wat aardbeien overheen, een drupje balsamico-azijn, wat sechuanpeper, een scheutje wodka en dan héb je me toch een dessert. 


Drie gangen knolselderij; paar euro, snel klaar (behalve de zoetzuur, maar kun je altijd nog later gebruiken voor het lekkere zure accent) én ben je culinair verantwoord bezig. En ben je een culinaire snob in wording. Maar wél een bewuste. 

Geef een reactie

Laatste reacties (11)