1.062
13

Psychiater in opleiding

In oktober 1989 geboren te Willemstad Curacao, vierde in de rij van een Antilliaanse vader en een Nederlandse moeder. Opgegroeid op Curacao en Sint Maarten, op mijn zeventiende naar Nederland geëmigreerd (2007) om geneeskunde te studeren in Utrecht. Inmiddels in opleiding tot psychiater bij Altrecht, met de ambitie dit beroep steeds meer te combineren met creatief schrijven.

Freud en het voltooid leven

Zeker in onze geïndividualiseerde maatschappij is de politiek medeverantwoordelijk voor het scheppen van omstandigheden waarin zoveel mogelijk mensen aan het leven kunnen en willen hechten

Wenen, 1923. Sigmund Freud, 67 jaar, gaat naar de dokter. Daar wordt er bij hem mondkanker geconstateerd. Het is het begin van een afslag richting de dood die op 23 september 1939 eindigt met inslapen onder een deken van hoge doseringen morfine, zoals lang van tevoren door Freud afgesproken met zijn lijfarts Max Schur.

Sigmund Freud

Deze daad van genade en beschaving speelde zich toen nog af binnen het stiltepact tussen dokter en patiënt. In de jaren na Freuds dood wordt de Tweede Wereldoorlog uitgevochten en krijgt daarna ten westen van het IJzeren Gordijn een ongekend welvaartsproject gestalte. U en ik hebben het voorrecht in de voorhoede van dit project te leven, waar wij behalve rijkdom ook steeds meer zelfbeschikking hebben gekregen. Een stap richting meer zelfbeschikking voor haar burgers neemt een staat meestal niet vanzelf, daar is in de regel veel inspanning van een groep moedige mensen over een vrij lange periode voor nodig. Het ligt namelijk in de aard van een staat besloten tegenwicht te bieden tegen de wens van volledige zelfbeschikking van haar burgers. Om diezelfde burgers te beschermen, zal de motivatie van die grondhouding zijn.

Als het gaat om zelfbeschikking van burgers rondom de wijze en het moment van sterven dan neemt de staat deze handschoen meestal met verve op. Totdat zij uiteindelijk een weloverwogen, vaak in eerste instantie kleine, concessie doet aan de zelfbeschikking van de burger. Althans, zo dacht ik tot voor kort dat het krachtenveld ongeveer in elkaar stak. Maar inmiddels is het zo dat meerdere vooraanstaande politici, waarvan enkelen een prominente plek aan de formatietafel innemen, een heel ander geluid laten horen.

Het komt op het volgende neer: In een beschaafd land moet het uiteindelijk kunnen dat mensen die hun leven als voltooid beschouwen geholpen worden te sterven, zonder inachtneming van een leeftijdsgrens. Die leeftijdsgrens in het huidige wetsvoorstel? Voor het draagvlak, de mensen moeten wennen aan het idee. Met deze woorden alleen al heeft er een grote verschuiving van de Overton Window plaatsgevonden, waar het aanvaardbare ideeën over het levenseinde betreft. En dan niet door fringe-activisten, maar door machthebbende politici. Dit laatste is belangrijk omdat het de vraag oproept wie op zal staan om de Overton Window een stukje terug te duwen, als blijkt dat we zijn doorgeslagen.

Even terug naar de Weense spreekkamer in 1923 met de patiënt Freud. Zijn artsen logen tegen hem. Ze vertelden hem niet dat hij kanker had. Dit was de normaalste zaak van de wereld, toen en nog enkele decennia daarna. Zelfs een geprivilegieerd man als Freud, rijk, beroemd en bovendien zelf arts, ontkwam niet aan de infantiliserende houding van medici ten overstaan van hun patiënten. Niet alleen in de spreekkamer zijn paternalistische structuren die vroeger over ons beschikten inmiddels voor een belangrijk deel teruggedrongen, ook in het maatschappelijke domein hebben we veel vrijheid verworven. Vrijheid om als rationeel denkende en handelende mensen te beschikken over onze eigen toekomst. Dat is een goede zaak, maar er is een keerzijde. De ratio is niet de enige kant van onszelf waar we rekening mee dienen te houden. Wij hebben ook een instinctieve, voor de ratio moeilijk grijpbare kant.

Freud leerde ons hierover dat er twee erg verschillende dingen in het spel zijn: wat we weten en wat we voelen. In de ruimte tussen de twee, en die ruimte is soms heel groot, ontstaat een sensatie die wij ervaren als spanning. Dat is volgens Freud zeker het geval als het gaat over onze eigen dood. Aan de ene kant weten we dat de dood een onvermijdelijk en natuurlijk onderdeel van het leven is en aan de andere kant voelen we allemaal bij tijd en wijlen dat we onsterfelijk zijn. Dat laatste drukken we na de secularisering niet meer letterlijk uit maar laten we zien in ons gedrag. We denken de dood even aan de kant te schuiven, het tijdelijk uit ons leven te bannen, het voor eventjes het zwijgen op te kunnen leggen. Het lukt met wisselend succes omdat vroeg of laat, vaak vermomd als onbestemde angst en paniek, het besef zich aan ons opdringt dat we zullen sterven.

Freud heeft veel geschreven over de drijfveer van de mens om de spanning die in de ruimte tussen weten en voelen ontstaat af te laten vloeien. Meest bekend zijn zijn theorieën over Eros die dit fenomeen toelichten, maar in Aan gene zijde van het lustprincipe (1920) reflecteert Freud op die andere onbewust drijvende kracht; de behoefte van de mens om zichzelf te gronde te richten. Centraal in het mensbeeld van Freud is dat ambiguïteit slecht verdragen wordt. Met betrekking tot leven en dood wordt de ambiguïteit gecreëerd door enerzijds de behoefte ons neer te leggen bij de dood, er zelfs bij momenten naar te verlangen en anderzijds de neiging ons onverbeterlijk te hechten aan het leven.

Het is mens eigen om het gevoel van spanning dat ambiguïteit geeft op te heffen door één van de twee krachten de overhand te geven. Of het leven of de dood de overhand krijgt kan niet los gezien worden van de samenleving waarin het worstelende individu zich begeeft. Zeker in onze geïndividualiseerde maatschappij is de politiek mede verantwoordelijk voor het scheppen van omstandigheden waarin zoveel mogelijk mensen aan het leven kunnen en willen hechten. Het enthousiasme waarmee sommige politici het gangpad naar de uitgang verlichten is daarbij niet passend.

Geef een reactie

Laatste reacties (13)