2.109
18

Ouafa Oualhadj is studente Bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit

Gedeelde afspraak

Het gaat niet om je afkomst, maar om een gedeelde afspraak. De afspraak dat je je aan de wet houdt en elkaar een beetje de ruimte geeft

Stel je even voor dat je aan tafel zit met iemand. Je eet een kipsaté, of voor mijn part aardappelpuree. Als je dan je overbuurman zijn hand over zijn kin ziet halen, haal je in een reflex je hand over je eigen kin.

– Speech, gehouden op 31 augustus voor Lodewijk Asscher (Minister van Sociale Zaken)

We schatten namelijk continue in wat anderen van ons denken. Hoe kijken ze? Welke klemtoon leggen ze? Op basis van al die kleine signalen passen we ons aan. Meestal onbewust, met maar één doel: niet vreemd overkomen.

Gelukkig ligt de verzuilde samenleving in het verleden. Een verkeerde blik in de kerk jaagt je niet meer na op het werk vandaag de dag. Maar tegelijkertijd willen we in de samenleving zoals we die nu kennen meer dan ooit weten wat de ander van ons denkt.

Toen Paul Scheffer schreef dat deze diverse samenleving zou leiden tot een multicultureel drama, was ik 9. Nu, zestien jaar later, sta ik hier zelf te praten over integratie.

En ik kan één gedachte maar niet onderdrukken: dat mijn achtergrond debet is aan deze uitnodiging. En óók als ik dat mis heb, dan nog kan ik de geboortegrond van mijn ouders niet negeren. Want een verhaal uit mijn mond over integratie wordt anders beluisterd. Anders beoordeeld.

Ik weet dat het me niets verder brengt, toch blijft het door mijn hoofd spoken dat jullie meer horen dan mijn stem alleen. Dat een oordeel over mij sneller gevormd is dan ik zou willen en mijn naam en uiterlijk mijn woorden al kleuren voor ik ze uitgesproken heb. Dat ik minder vrij ben dan ik zelf zou willen zijn.

Natuurlijk is er veel veranderd in 16 jaar. Er wordt meer onderling gesproken en minder getolereerd. Maar: politici delen nog steeds rozen uit voor moskeedeuren en het Landelijk Beraad Marokkanen staat nog steeds op het voetstuk dat het zelf heeft neergezet.

De grootste verandering van de afgelopen jaren is echter een andere. Eén die zich op een veel fundamenteler niveau heeft voltrokken:

Dat is de toegenomen waarde van de geboorteplaats van je ouders. Van je achtergrond. Het vergrootglas dat is komen te liggen op de moeilijk uit te spreken achternaam, in plaats van op de zelf vormgegeven identiteit. We zijn elkaar meer gaan zien door de bril van een statisticus, en minder als nieuwsgierige vreemden.

“Het gaat niet om je afkomst, maar om je toekomst” hoorden we van Forum in 2006, van de SER in 2007 en van bijna alle politieke partijen de jaren daarna. Was het maar zo.

“Waar kom je echt vandaan?”, is veranderd van een oprechte, geïnteresseerde vraag, in een vraag die gepaard gaat met talloze verwachtingen en vooroordelen. Verwachtingen die expliciet of impliciet worden geuit en aan je blijven kleven. Als een tafelgenoot die maar over zijn kin blijft wrijven.

Want als je continue moet opboksen tegen een bepaald beeld, dan raak je verstrikt in je eigen identiteit. Wie zich steeds opnieuw moet verhouden tot een krantenkop, is niet vrij om zichzelf te zijn.

Laatst zag ik die worsteling terug in een discussie over zelfscankassa’s. Een schitterende uitvinding. Geen rij, geen kassapraatje, gewoon zelf scannen. Past perfect bij dit land, waarin we het altijd beter willen en kunnen doen.

Om te zorgen dat iedereen netjes alle producten scant, worden willekeurige controles uitgevoerd. Het resultaat: talloze Facebookposts van mensen die denken dat zij er vanwege hun uiterlijk uitgepikt worden.

Los van de willekeur van deze controles, het feit dat dit gevoel zo snel opspeelt is een probleem. Het gevoel dat de lat voor mensen met een andere achtergrond hoger ligt. Het gevoel dat je altijd één stapje extra moet zetten.

Dit gevoel wordt bevestigd als de controleur weer eens minder door de vingers ziet. Als de scheidsrechter direct een rode in plaats van gele kaart trekt. Of als de PvdA je eerder op het podium zet.

Gevoelens van onvrede en angst leven net zo goed bij autochtone Nederlanders. Zo las ik dat journalist Max van Weezel regelmatig door Slotervaart fietst, om te kijken of IS in Nederland aan terrein wint. Hij telt de meisjes die make-up op hebben en hoopt dat hij meer gestifte lippen ziet dan jongens met baarden.

Deze onthulling van Van Weezel legt zo goed bloot wat er mis gaat als mensen bang zijn voor het onbekende. Om grip te krijgen op die angsten, proberen we de wereld dan maar te duiden aan de hand van simpele uiterlijke kenmerken.

De kiem voor de angst dat je allochtonen niet echt kan vertrouwen is gelegd toen Martin Bosma het woord ‘Taqiyya’ introduceerde: moslims in Nederland zouden hun ware, gewelddadige aard verbergen om dit land over te kunnen nemen. Een gevoel dat enorm versterkt wordt door een onzorgvuldig rapport over de vermeende IS-steun onder Turkse jongeren, waarvan de resultaten door de minister van integratie groot aangehaald werden in de krant.

Hoe kijkt een argeloze man in Zwolle na het lezen van krantenkoppen over dit onderzoek naar zijn buurjongen die met Suikerfeest een Jelebba aantrekt? Statistieken liegen niet, laat staan een minister.

Een vice-premier zou er alles aan moeten doen om deze sfeer van achterdocht af te werpen. Stimuleren dat mensen wat vaker naar het ware gezicht van elkaar zouden kijken. Vraagtekens durven zetten bij een ronkend journalistiek verhaal over een shariadriehoek, in plaats van als eerste naar de ‘plaats des onheils’ te snellen. Het gewicht dat een vice-premier geeft aan deze missers verdicht de nevel van wantrouwen over het land.

Wantrouwen bestond al, zullen sommigen tegenwerpen. En natuurlijk is het belangrijk dat rolmodellen afstand nemen van jihadisme en geweld. Maar het gevolg van deze rapporten is echter dat ook mensen die gewoon een autonoom individu willen zijn, steeds vaker argwanend aangekeken worden. Niet zichzelf kunnen zijn.

Half Nederland waant zich inmiddels een sociologische beleidsmaker. Zelfs onder een Facebookpost van de KNVB over een 19-jarig voetbaltalent met wortels in Marokko las ik het volgende:

Waar Marokkanen echt goed in zijn? Ze zitten niet alleen 7x vaker in de bijstand dan autochtonen. Ze zijn ook 5x crimineler. 6 op de 10 jongens onder de 23 jaar zijn met de politie in aanraking geweest. Én ze zijn 22 keer vaker schuldig aan straatroof en dat soort zaken.

En bleef het maar bij Facebook, of bij dat ene vervelende kantinegesprek. Deze verdenkingen vinden óók in het publieke debat plaats.

Kom in plaats van Tibet op voor Palestina, en automatisch zíe je de verdenking van antisemitisme opkomen. Veroordeel als Marokkaanse de idioten in de Schilderswijk en direct word je toegejuicht: ‘eindelijk, een Marokkaan die het snapt.’

Terwijl niemand achter een blond meisje uit Wassenaar een moslima verwacht, of achter een jongen uit de Schilderswijk een kwetsbare transgender. Argwaan, en nog erger: gemakzucht.

Ik zou jullie willen vragen je best te doen die blikken naast je neer te leggen. Verder te kijken dan dat baardje van de vrome moskeebezoeker, of die tatoeage met de Nederlandse vlag van de fanatieke oranjesupporter. Juist de verlichting heeft ons geleerd dat soort primaire emoties te onderdrukken, omdat we onszelf verplichten beter te willen weten. Nieuwsgierig te wíllen zijn.

Dat is dan ook de grootste opdracht: wees nieuwsgierig. En spreek mensen aan op hun verantwoordelijkheid. Aan de overheid is het vooral de taak om heldere grenzen te trekken. Want het diffuse beeld is in de eerste plaats ontstaan, omdat mensen jarenlang niet hebben dúrven uitspreken wat ze mis vonden gaan. Met collectief wantrouwen als gevolg.

En please, compenseer die argwaan niet met een soort bevoogdende houding om maar te willen laten zien dat er heus ook goede allochtonen zijn. De manier waarop de camera’s zochten naar gehoofddoekte dames bij de Charlie Hebo demonstratie. Of de gretigheid waarmee Aboutaleb na die aanslagen op het zadel werd gehesen toen hij zei wat elk weldenkend mens zou kunnen zeggen. Je zag de blijdschap in de ogen van zovelen: “kijk maar, daar is er een, die hoort ook bij ons. Zie je wel.”

Die gretigheid verraadt een dieper liggend beeld van lagere verwachtingen. Een beeld waarin — hoe treurig ook — Aboutaleb de grote uitzondering lijkt te zijn, de laatste strohalm waar de goedwillende elite zich aan vastklampt. Het zijn de paralympische spelen niet.

Het gaat niet om je afkomst, maar om een gedeelde afspraak. De afspraak dat je je aan de wet houdt en elkaar een beetje de ruimte geeft. De afspraak om mensen niet in de greep van hun familieregister te houden. De afspraak om nieuwsgierig te zijn naar wat een ander écht drijft, in plaats van dat voor ze in te vullen op basis van hun huidskleur.

En dat betekent ook: de afspraak dat mensen niet vervallen in slachtofferschap, als het ze een keer tegenzit. En de afspraak dat iedereen moet accepteren dat mensen hun eigen keuzes maken, ook als die niet lijken te passen bij de traditie.

De samenleving verandert, de wereld verandert, en in plaats van dat allemaal te registreren en categoriseren, spreken we elkaar aan op onze verantwoordelijkheid, en weten we daarom dat we rechtvaardig behandeld worden. Dan vertrouwen mensen weer dat ze écht willekeurig uit de rij gehaald worden. Weten we dat Aboutaleb terécht op het schild gehesen wordt.

Als we dat volhouden, word ik de volgende keer uitgenodigd voor een verhaal over onze krijgsmacht. Dan kom ik weer. Dat spreek ik af.

Dit artikel staat ook op de website van Ouafa

Geef een reactie

Laatste reacties (18)