671
5

Journalist

Brenda Stoter is geboren en getogen in Rotterdam. Sinds 2010 is ze als freelancer werkzaam in de journalistiek en schrijft ze voornamelijk voor het AD, stichtingen en bedrijven. Eerder schreef ze artikelen voor de Elsevier, Roest, HP/De Tijd, stichting Music Matters en werkte ze mee aan het Hoofdboek. Ze is gespecialiseerd in de multiculturele samenleving, jongerencultuur, Rotterdam, Egypte en Rwanda.

Geen bommen in Koerdistan, Irak

Positieve verhaaltjes over Irak verkopen niet, maar ze liggen hier voor het oprapen 

Op mijn reisje naar Irak wordt niet door iedereen positief gereageerd. Toen ik een paar dagen geleden op Facebook en Twitter plaatste dat ik eindelijk vertrok, kwamen er kritische en bezorgde reacties mijn kant op. Be safe was één van de uitspraken die meerdere malen voorkwam. Anderen vroegen zich af wat ik daar in hemelsnaam ging doen, sommigen verklaarden me voor gek en de rest vroeg of de oorlog in Irak nog steeds aan de gang was. Uitleggen dat ik naar het Koerdische deel van Irak ging, hielp niet. Irak is en blijft Irak. Daar heb je Brenda weer met haar rare ideeën. Inderdaad.

Irak staat voor Bagdad en Bagdad staat voor gevaar. En inderdaad, in Bagdad is het nog steeds niet veilig. Drie keer per week ontploft er wel iets. Ooit de stad van Alladin, nu de stad van aanslagen. Hoe anders is dat in Koerdistan, waar het land na de val van Saddam Hoessein door een autonome Koerdische regering geleid wordt. Hier zijn geen bommen en vinden geen aanslagen plaats. Eindelijk rust in de Koerdische tent na al die moeilijke jaren. En hoewel het me moeite kost om mijn journalistieke drang te negeren, heb ik besloten dat een tripje naar Bagdad onverantwoord zou zijn. Naast het feit dat je zoiets goed moet voorbereiden, wil ik mijn vader ook geen hartaanval bezorgen. In plaats daarvan bevind ik me in Sulaimani en Erbil, namen die je trouwens op verschillende manieren kunt spellen, maar dat is een ander verhaal.

Amerikanen komen hier met beveiliging en gepantserde wagens. Ze denken dat ze gevaar lopen.

Toch huiverde ik wel even toen ik het vliegtuig uitstapte. Naast de vraag of mijn koffer na twee keer overstappen wel op tijd aan zou komen, keek ik ook een beetje schuchter uit mijn ogen. Misschien hebben al die mensen wel gelijk en doe ik iets heel doms, schoot het door mijn hoofd. Twee seconden later was ik het vergeten. Toen ik over de drempel van het vliegveld stapte, zag ik direct dat het veiliger dan Egypte of Rwanda was, landen waar ik eerder ben geweest. Het is een gevoel dat je diep van binnen hebt, en ik heb dat altijd snel. Na twee dagen stuurde ik mijn moeder een sms’je met de tekst: Hier alles goed. Het is 45 graden en we hebben net een ijsje gegeten. Nog geen bom gezien. Ik denk dat ze er wel om kon lachen. Haar heb ik wel goed geïnformeerd over de huidige situatie. Bij de rest probeerde ik het, maar werd ik hondsdol van het herhaaldelijk opdreunen.

“Voel jij je onveilig?”, vraagt een Koerdische vriend van Beri, de vriendin bij wie ik verblijf. Het is de tweede dag dat ik in Koerdistan ben en we zitten op een terras. Om mij heen zie ik stelletjes, gezinnen en vrienden onder het genot van een drankje en een hapje met elkaar kletsen. Er hangt een goede sfeer en het is er rustig, net zoals ik later op meer plekken zal ervaren. Ik antwoord dat ik me uiterst veilig voel en vraag waarom hij deze vraag stelde.

“Omdat Amerikanen hier nog steeds met gepantserde auto’s en beveiliging komen.” Ergens kan ik me het wel voorstellen. Amerikanen hebben de Irak-oorlog in 2003 van dichtbij meegekregen. Koerdistan ligt nog steeds in Irak, met of zonder aparte regering. Bovendien zijn die Amerikanen overal bang voor. Zelf ben ik niet angstig. Zijn er ergens protesten, zoals op Tahrir in Cairo, dan wil ik er juist heen.

Op dag drie ben ik van ellende een winkelcentrum uitgerend. Ik kon niet meer tegen die vragende en starende blikken.

Na een paar dagen probeerde ik de Koerdische bevolking te omschrijven, voor zover dit kan. Het woord ‘gemoedelijk’ vind ik toepasselijk. Ik ben geen onvriendelijke bewoners tegengekomen, op een chagrijnige taxichauffeur na. Daarnaast zijn de Koerden ook nog eens behulpzaam, aardig en heb ik er nog niet één persoon zien schreeuwen. Wel voel ik me ongemakkelijk tussen de Koerden. Ze kunnen zo ongegeneerd kijken. Op dag drie ben ik van ellende een winkelcentrum uitgerend. Ik kon niet meer tegen die vragende en starende blikken. Auto’s die langsreden, stopten zelfs voor een potje uitgebreid staren. Net toen ik dacht dat ik het doorhad –misschien lijk ik wel op een Libanese superster- schudde mijn vriendin mij wakker: dat doen ze bij iedere buitenlander. Toeristen kennen ze amper. Nu heb ik er vrede mee.
De Koerdische economie doet het ook goed. Een stad als Erbil ontwikkelt zich op dezelfde manier als Dubai en Qatar, alleen met minder geld. Het ene na het andere project wordt opgezet en de stad en haar inwoners groeien in een rap tempo. Investeerders worden aangetrokken en Koerden uit alle delen van de wereld keren terug. Toen ik gistermiddag op een terras zat, wees mijn vriendin mij op een Koerdisch stel dat Nederlands praatte. Ook ben ik al veel andere Nederlanders tegengekomen die teruggekeerd zijn naar ‘hun land’. Koerden uit Nederland, Iran, Irak en misschien zelfs Turkije. Nu kan het weer. Nu is het veilig.

Alleen in de grensgebieden, in enkele steden en in het échte Irak zou nog wat interessants liggen. Ik zie het anders.

Criminaliteit is hier amper. In het boek van Judit Neurink (Mijn Iraakse familie, een aanrader) las ik al dat je hier gewoon je tas op een terras kunt laten liggen terwijl je koffie haalt. Niemand die het in zijn hoofd haalt om te stelen. Taxichauffeurs zijn zo eerlijk dat ze je geld teruggeven wanneer je meer betaalt dan nodig is en in winkels betaal je gewoon de prijs die op de verpakking staat. Veiliger dan Rotterdam, kreeg ik te horen.

Ergens vond ik het wel spannend, zo’n reisje naar Irak. Als journalist probeer ik tijdens mijn vakanties altijd wat werkdingetjes te plannen en Irak leek mij een avontuur. Natuurlijk zijn er hier een aantal dingen die je kunt bezoeken en waar je een leuke achtergrondreportage van kunt maken, maar op het hardcore werk hoef je niet te rekenen. Geen bomaanslagen, onderdrukkingen of andere ellende. De oorlog is geweest, en gelukkig maar. De Koerden hebben al genoeg ellende meegemaakt. Een bevriende correspondent vertelde mij dat hij zijn ‘positieve verhaaltjes’ niet verkocht kreeg. Hij richt zich vooral op conflictgebieden. Alleen in de grensgebieden, in enkele Koerdische steden en in het échte Irak zou nog wat interessants liggen. Ik zie het anders. Juist hier liggen de verhalen op tafel en die hoeven niet per se negatief of positief te zijn. En zo niet, dan heb ik altijd nog een leuke vakantie.

Dus nee, geen bommen in Koerdistan, Irak. Voorlopig ben ik me aan het oriënteren en probeer ik zoveel mogelijk inzicht te krijgen in de huidige situatie. Inmiddels ben ik mijn volgende reis naar Koerdistan al aan het plannen. Dat ik hier pas vijf dagen zit en er nog dertien te gaan heb, vergeet ik voor het gemak. Eén ding staat vast: ik kom terug. Ik ben namelijk verliefd geworden op de stad Sulaimani. En wie weet zit er tijdens mijn tweede reisje ook wel een tripje naar Bagdad in. Stapje voor stapje laat ik mijn familie alvast aan het idee wennen.

Dit artikel verscheen eerder op de website van Brenda Stoter

Volg Brenda ook op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (5)