1.184
37

Oud-minister van Milieu

Jacqueline Cramer (Amsterdam, 1951) werd in de jaren 1970 gegrepen door het rapport van de Club van Rome en heeft zich sinds die tijd sterk gemaakt voor een duurzame samenleving. In 1976 studeerde Cramer af als biologe aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna was zij als medewerkster verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze in 1987 promoveerde.

Tot 2007 was Cramer hoogleraar duurzaam ondernemen aan het Copernicus Instituut van de Universiteit van Utrecht. Daarvoor was ze achtereenvolgens hoogleraar milieumanagement aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant en bijzonder hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ook werkte ze als adviseur bij TNO. Vanaf 1999 heeft ze naast haar wetenschappelijke activiteiten een eigen adviesbureau op het gebied van duurzaam ondernemen geleid. Zij heeft vele nevenfuncties gehad, waaronder kroonlid van de Sociaal Economische Raad en diverse commissariaten.

Jacqueline Cramer maakt zich al haar leven lang sterk voor een beter milieu. Als milieuactivist, als wetenschapper, in het bedrijfsleven, en de laatste jaren in de politiek. Haar motto is ‘duurzaamheid is van iedereen’. Op Joop.nl zal ze opiniestukken schrijven over duurzaamheid, energie en politiek.

Geen reanimatie van ouderwetse discussie over kernenergie

Maxime Verhagen is als een grijsgedraaide plaat die in de groef blijft hangen.

Het oude vertrouwde liedje: de minister van Buitenlandse Zaken vindt het hypocriet om kernenergie te importeren, en die zelf niet te willen opwekken. Dat argument is allang achterhaald. Verhagen heeft kennelijk gemist dat Nederland helemaal geen energie meer hoeft te importeren. We wekken zelf genoeg stroom op om alle stopcontacten van het land te voeden. We zijn zelfs energie exporteur aan het worden.

Extra kerncentrales zijn dus niet nodig. Duur en overbodig. Sterker nog, er is een heel ander probleem aan het ontstaan. Er komen zoveel energiecentrales bij in Nederland dat overcapaciteit dreigt. Dat komt door de liberalisering van de energiemarkt onder de kabinetten Balkenende I, II en III. De energieproducenten werden aangemoedigd om in Nederland zoveel mogelijk energiecentrales te plaatsen. Liefst van het ouderwetse soort: kolencentrales en conventionele aardgascentrales. De vestigingsvoorwaarden waren gunstig: ligging aan zee, waardoor gebruik gemaakt kon worden van goedkoop koelwater en geen aanvullende eisen aan de productieprocessen. Met als gevolg een stortvloed aan vergunningaanvragen. We dreigen het afvalputje van Europa te worden.

Mooi, zeggen voorstanders, dan kunnen we geld verdienen met de verkoop van stroom aan het buitenland. Maar dat is veel te optimistisch. Ze zien over het hoofd dat alle ons omringende landen dezelfde expansiedrift vertonen. Overcapaciteit in geheel West-Europa zal tot een lage prijs voor CO2 leiden. Duurzame energiebronnen komen dan in een nog ongunstiger concurrentiepositie en worden uit de zogenaamd vrije markt gedrukt. Kern- en kolencentrales  zijn bovendien logge molochs. Ze zijn inflexibel. Je kan ze niet naar behoefte harder of zachter laten draaien. Ze vallen daarom moeilijk in harmonie te brengen met pieken en dalen in wind- en zonne-energie. Nog een tegenvaller voor de duurzame energievoorziening.

Het is dus noodzakelijk dat de overheid de markt bij zinnen brengt. Anders wordt het land zo volgeplempt met kern- en kolencentrales dat we meer dan dertig (!) miljoen Nederlanders van stroom kunnen voorzien. Terug naar de energieplanning uit het verleden kunnen we helaas niet meer (we produceerden destijds – oh, logische eenvoud – zoveel stroom als we nodig hadden).

Maar er zijn eigentijdse, redelijke opties. We kunnen de uitstooteisen van de geplande kolencentrales wettelijk aanscherpen. Energieproducenten een verplicht percentage duurzame energie opleggen: 20% in 2020, en geleidelijk opvoeren tot 80-90% in 2050. Als we dan ook nog flink inzetten op energiebesparing (gemiddeld 2% per jaar), hebben we op weg naar 2050 helemaal niet zoveel kolen- , kern en gascentrales nodig.

Laten we de toekomst van de duurzame energievoorziening voor ogen houden. Dat heeft meer zin dan die ouderwetse, brede maatschappelijke discussie over kernenergie te reanimeren.

Kerncentrales zijn nog lang niet ‘inherent veilig’ en het afvalprobleem is verre van opgelost. Die nadelen blijven bestaan. Mensen hebben dat haarscherp door. Uit een recente studie van SmartAgent Company blijkt slechts 29 procent van de ondervraagden onvoorwaardelijke steun te geven aan nieuwe kerncentrales. Jammer dat het onderzoek niet vraagt wat respondenten ervan vinden als ze uitgelegd wordt dat kerncentrales de ontwikkeling van duurzame energie belemmeren. Want de steun voor duurzame energie, uit wind, zon, bodem en water,  is overweldigend. Laten we van Nieuwe Energie een Nationaal Project van maken. En Maxime? Twitteren doet hij al. Laat hem nu ook zijn grijsgedraaide plaat vervangen door een modern en flitsend deuntje.

Geef een reactie

Laatste reacties (37)