650
10

Lobbyist en Politiek Filosoof

Robbert Baruch is Manager Public Affairs bij Buma/Stemra. Hij is op 12 oktober 1967 in Amsterdam geboren. Hij studeerde Politicologie (Politieke Filosofie) en Bestuurskunde in Leiden en Theologie in Amsterdam en Jeruzalem. Zijn studie politicologie rondde hij af met een scriptie over Vondel's Palamedes en de 17e-eeuwse Nederlandse politieke filosofie. Na zijn studie werkte hij achtereenvolgens als communicatiestrateeg bij een internationaal reclamebureau, communicatiemanager bij de ING Groep, bestuursadviseur, wethouder van de Rotterdamse deelgemeente Feijenoord en lobbyist voor het Verbond van Verzekeraars in Den Haag.

Geen reden meer voor een verbod op godslastering

Het is een misvatting om te denken dat het verbod op godslastering is uitgevonden om de Opperste Bouwmeester des Heelals een dienst te bewijzen

Wat een verdrietige beelden. Twee journalisten die een leuk grapje dachten uit te halen deden de Engelse Koningin na, werden doorverbonden door een verpleegster die later zelfmoord pleegde. De journalisten moesten hard huilen en keken heel schuldbewust. Apekool natuurlijk, zoals met alle grappenmakers die snoeihard, persoonlijk, wantrouwen opwekkend en oh zo lollig het leven van de één na de ander vergallen. Maar zodra hen iets overkomt ofwel huilie-huilie roepen dat ze gedemoniseerd worden, ofwel uitleggen dat zij het in ieder geval zó niet bedoeld hadden. Terwijl deze humoristen toch vaak de inconsequenties bij anderen weten bloot te leggen, geldt die regel vaak niet voor hen.

In dit voorbeeld wordt weer eens pijnlijk duidelijk dat taal wel degelijk de macht heeft om mensen het leven zuur of onmogelijk te maken. Woorden kunnen kwetsen, en soms weet je niet goed welke effecten woorden kunnen hebben. In ieder geval is een te minimalistische opvatting (“het zijn maar woorden”, of “het is maar een grapje”) vaak te makkelijk.

Zo niet bij het voorstel om het verbod op godslatering uit het Strafrecht te halen. Nu is het aantal keren dat er daadwerkelijk veroordelingen hebben plaatsgevonden op grond van dit artikel op de vingers van een handvol handen te tellen, maar daar gaat het me niet om. Ik denk dat het Opperwezen uitstekend in staat is zichzelf te verdedigen als dat nodig is, dus daar gaat het me ook niet om. Maar wel om twee andere zaken.

Ten eerste is de manier waarop nu omgegaan wordt met het intrekken van dit verbod op zich tekenend. Net als met sommige andere voorstellen (afschaffing rituele slacht, weigerambtenaarweigering) wordt gedaan alsof dit grote veroveringen zijn op de religieuze machten in Nederland. Nu hebben die dit soort wetten niet nodig om hun eigen onmacht aan te tonen, maar het geeft me net wat te veel het gevoel alsof de overtuiging van deze mensen is dat een toevallige meerderheid in de Tweede Kamer het recht heeft om de individuele vrijheden van minderheden te beperken. Bij de discussies in 1848 werd dat nu juist als een grote bedreiging gezien: de essentie van de democratie is niet de dictatuur van de meerderheid.

Ten tweede is het een misvatting om te denken dat het verbod op godslastering is uitgevonden om de Opperste Bouwmeester des Heelals een dienst te bewijzen. Ook in 1932 kon die uitstekend Zijn Mannetje (m/v) staan. Nee; het Artikel is niet uitgevonden om de Kerk of de Heere te beschermen, maar de Staat. Het was een vinding om de linkse horden eens de les te lezen, die in die tijd (een stuk terechter dan nu) de Kerk en Zijn vazallen zag als de vijand van de Arbeidersklasse. Kerk, kroeg, Koning, kazerne en kapitaal hielden de Arbeiders dom en arm.

De Tribune (het toenmalige Communistische blad) had een aantal rake aanvallen op de Kerk gepleegd en men zocht manieren om de Linkse aanvallen tegen te houden. Tot 1968 wordt het artikel bijna uitsluitend ingezet tegen socialisten, communisten en anarchisten. Pas bij het ezel-proces ging het om een ex-communist die geen klasse-bedoeling had met zijn lastering, en volgens de Hoge Raad zelfs niet de bedoeling om te kwetsen. Maar toen waren de jaren ’60 dan ook al aangebroken, en moest de Kerk zelf vechten om zijn bestaan. Immers: pas als je het gevoel hebt dat je aangevallen wordt, hoef je je te verdedigen.

Zo bezien is er inderdaad geen reden meer voor Artikel 147. De macht van de Kerk is, in ieder geval in Nederland, minimaal. Het intrekken van het verbod op Godslastering is dus niet het probleem van God of hen die Hem willen beschermen, maar van de linkse en liberale partijen, die nu geen gevaar meer zijn voor de gevestigde orde, maar er juist onderdeel van zijn geworden.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Baruch Blogt

Geef een reactie

Laatste reacties (10)