4.165
15

Emeritus hoogleraar Gezondheidszorg

Ivan Wolffers (1948) studeerde af als arts. Sindsdien schrijft hij over medische onderwerpen, variërend van medicijnen tot zijn eigen prostaatkanker. Hij promoveerde in de medische antropologie en werd in 1989 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar hij tot zijn emeritaat in 2014 Gezondheidszorg en Cultuur doceerde.

Geloven doe je maar in de kerk

Dit is de wetenschappelijke basis voor een gezonder lijf en leven

Elke dag krijg ik vragen over wat gezond is, wat je moet eten, of je zonder vlees te eten toch een gezonde zwangerschap kunt hebben, of je nu vitamine D supplementen moet gebruiken of juist niet, hoe je het effectiefst afvalt en of chocolade en wijn echt zo gezond zijn als tegenwoordig wordt beweerd.

Ik probeer zo goed mogelijk antwoord te geven, wetenschappelijk verantwoord en zo dat de vragensteller er iets aan heeft. Of ik daarin nu wel of niet slaag, ik weet wel dat als ik geen antwoord geeft op een manier die in de verwachtingen van de vragensteller past, deze zich maar al te vaak geërgerd van me afkeert. Mensen horen nu eenmaal graag wat ze al vinden en ze zoeken vooral bevestiging. Tussen het gekwetter van alle deskundigen en pseudowijsneuzen is het natuurlijk ook behorend verwarrend en menigeen verzucht het niet meer te weten.

Het is zo belangrijk: onze kennis van ons dagelijkse voeding. Die is zo bepalend voor onze gezondheid. Vroeger omdat we te weinig hadden en van bepaalde ingrediënten te weinig binnen kregen, zoals vitaminen. Tegenwoordig omdat we te veel hebben en onze gezondheid schaden met die overvloed. Als we op dat gebied in de war zijn hebben we een groot probleem: een gezondheidsprobleem. Hoe komen we zo in de war?

Wij moderne mensen geloven in de wetenschap, een kaartenhuis van stukken kennis die geschraagd worden door onderzoeken die antwoord geven op de steeds weer opduikende gaten in wat we weten. Elke basisschool leerling heeft geleerd altijd de vraag “maar waarom juf?’ te stellen, want dat is de basis voor een wetenschappelijke houding. We geloven niet zo maar iets, want geloven doe je maar in de kerk, er moet altijd een reden zijn voor wat er gebeurt. Met steeds grotere onderzoeken over lange tijdsperioden en waarin we al maar meer factoren betrekken wordt geprobeerd de waarheid die de wetenschap ons brengt te verankeren, waardoor mensen die iets anders beweren charlatans lijken.

Maar waar heeft het ons gebracht? In een wereld van wetenschappers die elkaar bevechten op details en op steeds grotere kosten voor onderzoek omdat als het aan alle voorwaarden moet voldoen het onbetaalbaar wordt door de lengte, de omvang en de salarissen van de wetenschappers.

Maar nu terug naar waar het om gaat: Kijk naar de voeding. Wat weten we? Wat weten we nog niet? Wat wordt ons geadviseerd? Welke nieuwe hypes zijn er? Wat is het onderzoek waarop men zich baseert? Welke rol speelt de wetenschap zelf die voor financiering van hun werk afhankelijk is geworden van belangengroepen zo weinig concreets te bieden heeft door de vele nuanceringen die de wetenschappelijke discussie afdwingt. Laten we het probleem opdelen in verschillende factoren om op die manier n te kunnen denken aan oplossingen.

1.       Zonder geld geen onderzoek en als de overheid nog maar nauwelijks de middelen heeft om goed onderzoek te financieren is er speelruimte voor belanghebbenden. Bij een te hechte relatie tussen belanghebbenden en onderzoekers is op een gegeven moment de informatie die wordt geproduceerd niet meer zo betrouwbaar. Dan krijgt de notenverkoper van de onderzoekers te horen dat noten het hart redden en dat chocolade goed is voor je gezondheid. Fijn voor chocoholics zoals ik, maar verder heb je er weinig aan.

2.       Steeds meer van die belangenverstrengeling wordt in de media belicht en het zorgt voor wantrouwen bij de gebruikers van de informatie. Klopt het wel? Consumenten moeten in toenemende mate beslissen in welke wetenschapper ze geloven. Daar begint het afbrokkelen van het vertrouwen in de wetenschap. Dat is voor niemand prettig.

3.       Op het gebied van geneesmiddelen en hun bijwerkingen beginnen we beetje bij beetje te zien wat er aan de hand is en is er steeds meer discussie hoe dat te verbeteren valt en hier en daar worden daar heel interessante initiatieven genomen. Maar op het gebied waarbij gedragsverandering belangrijk wordt is het een stuk ingewikkelder. Daar is ook het vertrouwen in wat we zelf denken te weten veel groter, want we hebben ervaringsdeskundigheid. We experimenteren met onszelf: “Sinds ik minder vlees en zuivelproducten eet heb ik een stuk minder last van die reuma.” Maar wat is meer en wat is minder? Hoe heb ik het placebo-effect uitgesloten? Werd het ook niet net lente?

En bovendien: de ervaringen van een persoon zeggen niets over de waarheid die we met andere mensen delen.

4.       Intussen trekken de wetenschappers in hun eigen disciplines zich steeds meer terug in kleine gebiedjes en kunnen ze alleen de aandacht trekken als de onderzoeken enigszins overdreven en soms ronduit spectaculair gepresenteerd worden door de communicatiedeskundigen aan de universiteiten waar ze werken, waardoor de kansen op nieuwe financiële middelen aanzienlijk toenemen.

5.       De mensen die echt iets weten tenslotte komen met te vage inzichten die gebaseerd zijn op een veelheid aan onderzoek, zodat ze nauwelijks gezien worden, laat staan dat ze enig effect hebben op gedragsverandering.

Dit moeten we echt eens oplossen, maar is er wel genoeg leiderschap in de wereld van onderzoek en overheid om dat voor elkaar te krijgen?

Zo lang het niet zo ver is, zal ik een poging wagen om duidelijk te maken waar het allemaal om gaat. Ons probleem is voor een deel het feit dat we te veel hebben om op te eten en te weinig aan beweging toekomen in een omgeving met toenemende stress en gebrek aan slaap. Als we even alleen naar de voeding kijken dan weten we dat we voldoende verse groente en fruit moeten eten (200 gram per dag) en we zijn er ook al achter dat maar 1 op de 3 volwassen Nederlanders dat haalt en dat het bij kinderen nog minder is. We weten ook dat toegevoegde suikers en vetten onze gezondheid bedreigen omdat we helemaal geen controle hebben op de hoeveelheden en onvoldoende inzien dat het echt te veel is. Mijden dus. Maar wat is daar voor nodig? We weten dat bepaalde vetten slecht voor ons zijn en dat onverzadigde vetten (meestal plantaardige ook wel zachte vetten genoemd) wat minder slecht. Kiezen dus.

We weten dat de klassieke Middellandse Zee eetstijl (dus niet uitsluitend de pizza en pasta cultuur) echt gezonder voor ons zijn dan de ‘westerse eetstijl’. Veel verse groente en fruit, veel vis, olijfolie, peulvruchten dus. En wat betreft de publieke boodschappen en voorlichting is duidelijk geworden dat er maar drie zijn waarvan echt duidelijk is dat ze echt effectief zijn op het gebied van gezondheidsbevordering: het bannen van transvetten (dat is gebeurd in Nederland via overleg – een herenakkoord – maar in andere landen per wet), iets doen aan vermijden van extra suikers (nergens echt helemaal goed gelukt, maar er zijn methoden te over: stoplichtsysteem op verpakking, onderwijs op scholen, het verbieden van snoep en cola-automaten op scholen en in ziekenhuizen etc) en de aanpak van te veel verzadigde vetten.

Dat is het en dat moeten we doen. Vooral in combinatie met flink bewegen, de stress in je leven op een gezonde manier managen en veel genieten. Al het andere is franje: de superfoods, de zandlopers, het oerdieet, het brooddieet. Op zijn ergst is het een hinderlijke stoorzender voor de hoofdboodschap, en zolang die niet in dat grotere kader een bescheiden plekje hebben, kun je op wetenschappelijke basis beweren dat ze onbelangrijk zijn.


Het laatste boek van Ivan Wolffers is ‘Als de tijd voor altijd stil zou staan

Volg Ivan Wolffers ook op Twitter
Ivan schrijft voor Joop regelmatig een Gezond Weetje: 
klik hier voor een overzicht


Laatste publicatie van IvanWolffers

  • Broer van God

    Oktober 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (15)