2.387
34

docent filosofie & geschiedenis

Joris Verheijen studeerde geschiedenis en filosofie, vertaalde boeken uit het Engels en doceert momenteel filosofie en levensbeschouwing op een gymnasium.

Gelukzoekers zijn geen mensen

Over het beeld van de gelukzoeker in de films van de Marx Brothers en wat ons dat kan leren over de toenemende vreemdelingenhaat

De Marx Brothers portretteerden zichzelf in hun films als schaamteloze gelukzoekers. In tegenstelling tot Chaplin deden ze geen moeite om de diepere menselijke waardigheid van hun marginale personages te benadrukken. Juist daarom kunnen ze ons vandaag de dag nog iets leren over de ideologie achter de toenemende vreemdelingenhaat.

Naamloos1

Aandeelhouders en verstekelingen
“Ik ben een vreemde hier,” zegt Chico tegen Groucho op een feestje. “Wat dacht je dat ik was,” antwoordt Groucho, “één van de vroege kolonisten?” Zo’n tachtig jaar geleden stelden de Marx Brothers (zelf tweede generatie allochtonen, net als Aristoteles en Spinoza) in al hun films het migratievraagstuk impliciet en vaak ook expliciet aan de orde. In Monkey Business (1931) spelen de broers vier verstekelingen, verstopt in haringvaten aan boord van een oceaanstomer. Groucho en Chico doen zich voor als aandeelhouders en als de kapitein ze niet gelooft (“Jullie lijken meer op een stel verstekelingen!”) reageert Groucho: “Vergeet niet, mijn beste man, dat de aandeelhouder van gisteren de verstekeling van vandaag is.” Ondertussen steken ze ook nog de draak met de anti-immigratiewetgeving van de jaren twintig, toen in Amerika de quota per regio ingevoerd werden. Na weer een abominabele woordgrap van Chico kijkt Groucho in de camera en zegt: “Dit is nou precies waarom de immigratie aan banden gelegd moet worden.” In de hilarische douanescène proberen de vier broers Amerika binnen te dringen met het gestolen paspoort van Maurice Chevalier.

Als bebaarde, naar vis stinkende immigranten spelen de broers in Monkey Business en in A Night at the Opera (1935) bewust met de stereotypen die aan hun eigen Joodse afkomst kleven, in een tijd van toenemende xenofobie. In Animal Crackers (1930) probeert Groucho hogerop te komen in de high society, maar verraadt hij zichzelf met Jiddisje woorden. Ondertussen ontmaskeren Chico en Harpo een rijke kunsthandelaar als een oude bekende, de Tsjechische visboer Abe Kabibl: de man heeft alle sporen van zijn Joodse afkomst uitgewist, maar ze herkennen hem aan zijn moedervlek. Terwijl hij aan Chico de waarheid opbiecht, berooft Harpo hem van zijn zakdoek, zijn stropdas én zijn moedervlek.

Als eeuwige zelfverrijkers en partycrashers belichamen ze alle cliché’s over gelukzoekers (“Hoe gaat het? Waar is de eetkamer?” zegt Chico als hij op bezoek komt). Het enige dat in hun voordeel spreekt is dat de mensen door wie ze zich laten fêteren minstens zulke amorele opportunisten zijn als zij – en dat ze meer lol hebben. Ze zijn de karikatuur van een samenleving die door aandeelhouders wordt geregeerd en waarin iedereen elkaar de loef probeert af te steken (Groucho tegen een Indiaans opperhoofd: “Als ons land je niet bevalt, ga je maar terug naar waar je vandaan komt!”). Er zit een zekere sociale bewogenheid in hun films, maar niet de warme mensenliefde waar Charlie Chaplin zo vol van is.

De gelukzoeker als symptoom
Als er een politiek-filosofische les van de Marx Brothers te leren is, is het volgens mij dat we het personage van de ‘gelukzoeker’ niet als mens moeten proberen te zien, maar als een ideologisch verzinsel. Het is een symptoom, in de precieze zin waarin de Sloveense filosoof Slavoj Zizek dat begrip heeft gebruikt. De typische truc van het antisemitisme is bijvoorbeeld “om sociaal antagonisme te verschuiven naar een antagonisme tussen de gezonde sociale structuur en de Jood als de kracht die die structuur aantast, een corrumperende kracht,” aldus Zizek. “Zo is het niet de samenleving zelf die ‘onmogelijk’ is, gebaseerd op antagonisme – de bron van corruptie ligt in een specifiek element, de Jood.”

De overtuigingskracht van die verschuiving ligt er volgens Zizek in dat je een aantal uiteenlopende sociale bedreigingen in de figuur van de ‘Jood’ kunt condenseren: economisch (de Jood als profiteur), politiek (de Jood als machtsbeluste samenzweerder), moreel-religieus (de Jood als bedreiging van fatsoensregels en christelijke kernwaarden), seksueel (de Jood als bedreiging voor onze roomblanke dochters). Vier bedreigingen waar de Marx Brothers mee flirten in hun films (de vraatzucht en oplichterij van Chico en Harpo, Groucho die voor dictator speelt in Duck Soup en iedereen schoffeert, Harpo die achter elke jonge vrouw aanrent). Vier hokjes die ook aangekruist kunnen worden voor de ‘gelukzoeker’ van nu, als je naar de heersende stereotypen luistert. Dat er onder Joden inderdaad profiteurs voorkomen (en onder asielzoekers seksmaniakken) doet niets af aan het ideologische karakter van deze verschuiving.

De onmisbare buitenstaander
In Zizeks definitie is een symptoom iets dat buiten de sociale structuur valt, maar dat tegelijk onmisbaar blijkt om die structuur een schijn van samenhang te geven. Het beste voorbeeld bij de Marx Brothers is natuurlijk de beroemde scène uit A Night in Casablanca (1946). “Wat moet jij daar?” snauwt een agent naar de haveloze Harpo, die tegen een gebouw geleund staat. “Sta je soms dat gebouw overeind te houden?” Harpo knikt geestdriftig, waarop de agent nog bozer wordt en hem meesleurt. Achter de twee mannen stort het hele gebouw in elkaar.

Zizeks voorbeeld is opnieuw de figuur van de Jood, die “onmisbaar is voor de sociaal-ideologische fantasie van een samenleving zonder tegenstellingen, waarin de relaties tussen de delen organisch en complementair zijn. Het antwoord op de discrepantie tussen die visie en de verscheurde, antagonistische realiteit van alledag is precies de Jood: een extern element, een uitwendige kracht die corruptie verspreidt in het gezonde sociale weefsel. Kortom, de samenleving wordt niet gehinderd in haar ideale zelfrealisatie door de Joden: ze wordt gehinderd door haar eigen antagonistische aard en ze projecteert die innerlijke negativiteit op de figuur van de Jood.”

Je hoeft vandaag de dag maar een willekeurige nieuwssite te bezoeken om dat mechanisme op volle toeren te zien draaien. Vluchtelingen zijn in het Westen geen ondraaglijke last bovenop de economische crisis; ze fungeren vooral als het onmisbare antwoord op alle tegenstellingen die die crisis heeft verscherpt. Daarom hebben we het elke dag nodig om iets ergs over ze te lezen, om onze verontwaardiging te voeden. Daarom reageert niemand als in januari uit een onderzoek blijkt dat 62 superrijken evenveel bezitten als de halve mensheid (en dat dat vermogen sinds het begin van de crisis met 44% is toegenomen), maar ontploft half Nederland van woede als asielzoekers een iPhone hebben of als ze gratis mogen golfen bij Landal.

Geen mensen, maar stoplappen
Als aanhanger van de psychoanalyse concludeert Zizek dat het volstrekt zinloos is om een paranoïde constructie als die van de ‘Jood’ te bestrijden met objectieve feiten over Joden. Het enige wat je ermee bereikt is dat mensen rondom hun vooroordelen allerlei rationalisaties gaan ontwikkelen. En zelfs als de Joden inderdaad de financiële touwtjes in handen zouden blijken te hebben, – zelfs als asielzoekers inderdaad oververtegenwoordigd zouden zijn in de categorie verkrachters, voeg ik daaraan toe – dan zou dat nog steeds niks te maken hebben met de reële bronnen van onze negatieve stereotypen. De pathetische verklaring dat asielzoekers en moslims “ook mensen zijn” (vorige week in de Volkskrant) is vast goedbedoeld, maar slaat de plank net zo hard mis. Wie zegt dat we de “echte mensen” achter het stereotype moeten leren zien, accepteert het stereotype als een afbeelding van de realiteit: een weliswaar mislukte en bevooroordeelde, maar toch serieuze poging om die mensen te beschrijven. Het punt is dat het als symptoom van een totaal andere orde is.

Dat is precies waar de films van de Marx Brothers nog altijd hun subversieve karakter tonen. In plaats van het heersende beeld van de ‘gelukzoeker’ te bekritiseren of te nuanceren en het daarmee indirect te legitimeren, identificeren ze zich er zo hard mee dat het uit elkaar valt in de onzinnige flarden van ‘vreemdheid’ waaruit het is geknutseld: Groucho’s grote allochtoonse nepsnor, het nep-Italiaanse accent van Chico, de Ierse pruik van Harpo. De belangrijkste les is dat de ideologische voorstelling van de ‘gelukzoeker’ niks met reële (economische) vluchtelingen te maken heeft. Ze dient alleen als een stoplap om de gaten in ons eigen wereldbeeld te dichten.

Geef een reactie

Laatste reacties (34)