Laatste update 12:00
10.632
125

Filosoof

Mihai Martoiu Ticu is in Utrecht afgestudeerd in de wijsbegeerte en internationaal recht. Hij is op 7 februari 1968 in Roemenië geboren en is sinds 1990 in Nederland.

Halbe Zijlstra, de Holocaust-lesontkenner

Mihai Martoiu Ticu onderzocht wat er nou daadwerkelijk klopt van de bewering dat de Holocaust op scholen niet bespreekbaar is vanwege moslimjongeren

‘Onze manier van leven staat onder druk,’ schreef Halbe Zijlstra op de site van de VVD. Want de moslims bedreigen ‘onze’ liberale waarden. Zij kwamen hier voor ‘ons’ geld en niet omdat ze vervolgd werden; niet omdat ze ‘onze’ normen en vrijheid willen. Om zijn stelling te bewijzen, schrijft Zijlstra onder andere: ‘Denk aan de vele scholen waar men de Holocaust niet of nauwelijks behandelt om daarmee problemen met moslimleerlingen te voorkomen.’ Omdat ik deze zorgwekkende stelling een paar keer eerder heb gehoord, ging ik haar controleren. Hier komen mijn bevindingen.

‘De steller bewijst’ is de meest fundamentele regel van argumentatie. Dus ik heb mensen die hetzelfde beweren gemaild en naar hun bron gevraagd. Ik heb Zijlstra op 19 en 25 februari 2016 gemaild. Ik heb zijn persvoorlichter gemaild en de vraag via het contactformulier op de VVD-site gesteld. Stilte. Esther van Fenema beweerde hetzelfde op de site ThePostOnline, maar zij weigerde om het te bewijzen. Ik heb Bram Moszkowicz en Joël Voordewind van Christen Unie gemaild. Stilte. Slechts Arend Jan Boekestijn heeft me twee links gestuurd. Ik heb onderzocht of deze links voldoende bewijs zijn.

Moeite met Holocaust-les
In de eerste link kopte Elsevier in 2010 op het internet: ‘Moslimleerlingen hebben moeite met Holocaust-les,’ Robert Stiphout vatte een enquête samen van onderzoeksbureau ResearchNed. 339 geschiedenisdocenten beantwoordden vragen over de Tweede Wereldoorlog. Elsevier publiceerde hierover twee artikelen, een op papier en het andere op het internet.

Op het internet stond: “Een op de vijf geschiedenisdocenten in de vier grote steden heeft weleens meegemaakt dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake kon brengen omdat vooral islamitische leerlingen er moeite mee hebben.” Op papier stond: ‘nog geen half procent zegt de Holocaust niet of nauwelijks meer te behandelen.’ Omgerekend is dit 1 docent uit 339. Bovendien ‘één docent gaf aan te hebben meegemaakt dat ook rechts-extremistische leerlingen ertegen in verzet kwamen.’

Zelf ontdekte ik het werk van Remco Ensel, universitair docent cultuurgeschiedenis bij de Radboud Universiteit en antisemitisme onderzoeker bij het NIOD. In zijn boek ‘Haatspraak’ bekritiseert hij de conclusies in de Elsevier-enquête:

“Op basis van het originele vragenformulier en een toelichting door Ruud Deijkers moet worden geconcludeerd dat enige terughoudendheid in het uitventen van de conclusie over de ‘een op de vijf geschiedenisdocenten’ nodig is. Er was bijvoorbeeld van alle ondervraagden slechts één docent naar eigen zeggen gestopt met lesgeven over het onderwerp en dat was wegens het verzet van ‘extreemrechtse’ leerlingen.’

Ensel bekritiseert ook Voordewind:

“In september 2011 stelde kamerlid Joël Voordewind (Christen Unie) dat er al scholen zijn ‘die de Holocaust niet eens meer durven te bespreken omdat ze bang zijn dat ze dan moslims beledigen’. Deze uitspraak ging verder dan het artikel in Elsevier. Het is me niet duidelijk waar het kamerlid zijn uitspraak op had gebaseerd.”

Ensel schreef tevens een artikel met Annemarike Stremmelaar en in de bijlage beschrijven ze hun avontuur met Elsevier. Ruud Deijkers, datajournalist bij Elsevier en medeauteur van het papieren artikel, mailde hen een screenshot van enquêtevraag 21:

“De afgelopen jaren klaagden enkele docenten over het feit dat ze de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake konden brengen wegens afwijzende reacties van vooral islamitische leerlingen. Heeft u dit wel eens meegemaakt?” Mogelijke antwoorden:

  1. ja, vaak
  2. ja, soms
  3. nee, nooit

Ensel en Stremmelaar vonden dat uit deze vraagstelling men niet tot de conclusie kon komen dat de moslims de oorzaak zijn. Vooral omdat de vraag vaag is verwoord. Bovendien is de vraagstelling onnodig sturend. En hoe kwam de schrijver tot resultaten als ‘Ja, ik bleef de Holocaust op dezelfde manier behandelen’? Elsevier mailde hen een tweede versie van vraag 21:

‘Heeft u wel eens meegemaakt dat u de Holocaust niet of nauwelijks in de klas ter sprake kon brengen?’

De mogelijke antwoorden:

  1. Ja, ik bleef de Holocaust op dezelfde manier behandelen
  2. Ja, ik veranderde de manier waarop ik de Holocaust behandelde
  3. Ja, ik behandel de Holocaust sindsdien niet of nauwelijks meer
  4. Nee, nooit meegemaakt

Ensel en Stremmelaar vonden ook de tweede versie onvoldoende:

“Dan blijkt dat één docent het vakje ‘Ja, ik behandel de Holocaust sindsdien niet of nauwelijks meer,’ heeft aangekruist. En dit betrof dus de docent die met extreemrechtse leerlingen had te kampen. Er is dus geen (oorzakelijk) verband tussen het stoppen met Holocaustonderwijs en mogelijke bezwaren van islamitische leerlingen. Sterker nog: er wordt in deze vraagstelling niet naar moslimleerlingen gevraagd.”

Ik vroeg Arthur van Leeuwen – chef redactie onderzoek Elsevier – hoe het zit. Welke van de twee vragen beantwoordden de docenten? Ik vroeg ook een kopie van de vragen en de antwoorden, om zelf te kunnen beoordelen. Hij vertelde me dat Elsevier niet aan transparantie doet:

“Elsevier verstrekt nooit vragenlijsten of data aan derden, ook de auteurs van het door u bijgevoegde artikel hebben nooit de definitieve of correcte vragenlijst ontvangen voor zover ik ter redactie kan nagaan (het is inmiddels wel 6 jaar geleden). In elk geval is die kennelijk niet voor hun artikel gebruikt.”

Dus Elsevier stuurde Ensel en Stremmelaar twee foute versies. Bovendien zou de goede vraag moeten zijn:

“De afgelopen jaren klaagden enkele docenten over het feit dat ze de Holocaust niet of nauwelijks in de klas ter sprake konden brengen wegens afwijzende reacties van vooral islamitische leerlingen. Heeft u dit soort afwijzende reacties zelf meegemaakt en wat deed u daarna?”

De mogelijke antwoorden:

  1. Ja, ik bleef de Holocaust op dezelfde manier behandelen
  2. Ja, ik veranderde de manier waarop ik de Holocaust behandelde
  3. Ja, ik behandel de Holocaust sindsdien niet of nauwelijks meer
  4. Nee, nooit meegemaakt

Maar Van Leeuwen beantwoordde mijn belangrijkste vraag niet: bent u het met mij eens dat de vraag niet tot de conclusie kan leiden dat: ‘Een op de vijf geschiedenisdocenten in de vier grote steden weleens heeft meegemaakt dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks ter sprake kon brengen omdat vooral islamitische leerlingen er moeite mee hebben.’? Dit stond immers in Elsevier.

Let op de formulering. De vraag is ingeleid met drie extra stukken (suggestieve) informatie: 1. De bewering dat enkele docenten moeiten hebben met het doceren van de Holocaust. 2. De bewering dat het ‘wegens afwijzende reacties’ komt. 3. De bewering dat het ‘vooral’ om islamitische leerlingen gaat. De vraag is ambigu. Dit wil zeggen dat men slechts vraagt of de docent problemen heeft met het doceren van de Holocaust. Het woord ‘wegens’ in de vraag slaat (in de beste interpretatie) op ‘afwijzende reacties’, niet op ‘islamitische leerlingen’. Het is waar dat sommige docenten de vraag anders konden interpreteren, maar de onderzoeker heeft geen vrijheid om zelf voor één van de mogelijke interpretaties te kiezen.

En de werkelijke vraag is ‘heeft u dit soort afwijzende reacties zelf meegemaakt?’. De vraag is niet of men de Holocaust ‘niet of nauwelijks in de klas ter sprake’ kan brengen. De vraag gaat ook niet over moslims. De enquête vraagt slechts of men enige afwijzende reactie heeft meegemaakt. Dit wil zeggen dat een ja-antwoord slechts zal aantonen dat de docent ooit geen normale les kon geven. Maar hieruit volgt niet dát de islamitische leerlingen dé oorzaak van de belemmering zijn. Stel, ik ben een docent en mijn les is onderbroken door een Holocaustontkennende neonazi. Welk antwoord zou ik geven? ‘Ja’.

Dus aan de hand van deze vraag, kon de journalist nooit concluderen dat moslims de oorzaak van het oponthoud zijn. De journalist heeft de onderzoekgegevens fout geïnterpreteerd.

Aandikken

De anderen (Zijlstra, Boekestijn, Moszkowicz, Voordewind en Van Fenema) konden dit niet weten. Zij hebben echter de foute interpretatie van Elsevier wel extra aangedikt.

Zijlstra: ‘Denk aan de vele scholen waar men de Holocaust niet of nauwelijks behandelt…’ Zijlstra kon weten dat er niet ‘vele scholen’ zijn, want de PVV heeft daarover Kamervragen gesteld en het volgende antwoord op 15 juni 2010 gekregen:

“Uit de enquêteresultaten blijkt echter ook dat de meeste docenten zich daardoor niet uit het veld laten slaan. Circa één procent van de docenten die de enquête hebben ingevuld geeft aan de manier waarop hij of zij de Holocaust behandelt, te hebben aangepast. Nog geen half procent geeft aan het onderwerp niet of nauwelijks meer te behandelen. Hieruit blijkt dat de Holocaust op de meeste scholen juist wel wordt behandeld en besproken en dat verreweg de meeste docenten niet aan het onderwerp voorbij gaan vanwege verzet vanuit de klas.”

Sterker nog, Zijlstra werd staatssecretaris van Onderwijs slechts een paar maanden na dit antwoord en heeft het dossier geërfd. Hij had het moeten weten. En waarom heeft hij tussen 2010 en 2012, als staatssecretaris, niet geregeld dat ook die ene docent – die door een rechtsextremist gestopt was – weer de Holocaust ging doceren?

Bram Moszkowicz, als lijsttrekker van VNL, schreef op GeenStijl: “Twintig procent van de geschiedenisdocenten uit de randstad kan de Holocaust niet in de klas bespreken door agressie van allochtone leerlingen.” Dit staat helemaal niet in het Elsevier-artikel. In het artikel staat het woord ‘weleens’ en dit informeert ons niet hoe vaak het gebeurt. Moszkowicz daarentegen suggereert dat het voortdurend gebeurt. Sterker nog, weet mr. Moszkowicz niet dat zijn gekozen woord ‘agressie’ geen synoniem is voor ergens ‘moeite mee hebben’?

Van Fenema dikt het ook aan: ‘Neem het feit dat de Holocaust op bepaalde ‘zwarte’ scholen niet meer onderwezen kan worden omdat het te kwetsend zou zijn voor moslims.’ Zij tovert het woord ‘docent’ in ‘school’ om en zegt dat de scholen helemaal geen les meer kunnen geven in dit onderwerp. En dat staat niet in het artikel.

Voordewind wist ook van overdrijven hebben we gezien, maar wat heeft Boekestijn precies gezegd? Op de radio zei hij over moslims: “Middelbare scholieren weigeren dat een docent lees geeft over de Holocaust… Docenten praten niet meer over de Holocaust…Ik heb rapporten gelezen…het schijnt een serieus probleem te zijn.” Heeft hij met zijn eerste link deze stelling onderbouwd? Nee.

En Boekestijn’s tweede link?

De tweede link was naar een onderzoek van de overheid. De Radboud Universiteit onderzocht voor het ministerie van OCW of acht thema’s moeilijk te behandelen waren in de les. 399 docenten in groep 7 of 8 van primair onderwijs (po) en 718 docenten geschiedenis of maatschappijleer in voortgezet onderwijs (vo) hebben een enquête ingevuld. De onderzoekers hebben ook gekeken naar het verschil tussen witte en zwarte scholen, maar ze hebben geen onderzoek gedaan naar moslims. Dus Boekestijn kan dit onderzoek niet als bewijs gebruiken. En hij heeft niet ‘rapporten’ gelezen, maar maximaal één. Want dit rapport zegt dat behalve de enquête van Elsevier er ander ‘empirisch bewijs’ ontbreekt. De wetenschappers van de Radboud concluderen:

“Wanneer de thema’s in de les aan bod komen, zien we dat de meeste docenten hiermee geen problemen hebben. …Met … de Holocaust hebben docenten de minste moeite, fundamentalisme (po: 19%) en antimoslimisme (vo: 17%) zijn het vaakst moeilijk bespreekbaar.”

Laten we de daadwerkelijke percentages bekijken. De relevante vraag luidde: ‘Kunt u voor ieder van deze thema’s aangeven in welke mate het thema te bespreken is in de les?’

PO gemakkelijk neutraal moeilijk N
Holocaust 66% 26% 8% 348
Rechts extremisme 49% 36% 15% 284
Antisemitisme 56% 34% 10% 288
Antimoslimisme 45% 41% 14% 272

 

 

VO gemakkelijk neutraal moeilijk N
Holocaust 81% 16% 3% 627
Rechts extremisme 71% 20% 9% 689
Antisemitisme 73% 20% 7% 669
Antimoslimisme 54% 29% 17% 629

 

(Ik heb de andere thema’s verwijderd.)

Let op. We moeten deze percentages naar beneden bijstellen, want we zijn slechts op zoek naar (islamitische) leerlingen en deze percentages gaan ook over andere oorzaken. Onderzoekers stelden ook de vraag: ‘Waarom is het thema moeilijk te bespreken? Voor wie is het een lastig onderwerp?’ Hier de oorzaken:

 

PO leerlingen docent andere reden N
Holocaust 80% 14% 19% 28
Rechts extremisme 72% 23% 17% 43
Antisemitisme 90% 24% 11% 27
Antimoslimisme 91% 20% 11% 38

 

VO leerlingen docent andere reden N
Holocaust 69% 11% 36% 20
Rechts extremisme 69% 7% 37% 62
Antisemitisme 79% 5% 24% 48
Antimoslimisme 79% 18% 26% 105

 

Wat kunnen we concluderen? De meeste docenten praten makkelijk over de Holocaust in de klas. Maar het is bijna dubbel zo moeilijk om over antimoslimisme te praten op po. Op vo is het 5,6 keer moeilijker om over antimoslimisme te praten. Ook rechtsextremisme is moeilijker te bespreken dan de Holocaust. Bovendien, dit onderzoek informeert ons niet hoeveel procent van de leerlingen die de Holocaust belemmeren moslims zijn en hoeveel rechtsextremisten.

Dus antimoslimisme en rechtsextremisme zijn een groter probleem dan de Holocaust. Omdat de Tweede Kamer dit onderzoek heeft besproken, zou Zijlstra het moeten kennen. Dan zou zijn opstel op de VVD-site anders moeten klinken: ‘Onze manier van leven en onze liberale waarden staan onder druk, vooral door antimoslimisme en rechtsextremisme.’

Ten slotte

Dit verklaart misschien waarom Zijlstra, Moszkowicz, Voordewind en Van Fenema geen bewijzen voor hun beweringen leveren. Ze zijn nog aan het googelen. En Boekestijn’s bewijs is flinterdun.

De lezer moet mijn zoektocht niet verkeerd begrijpen. Ik vind dat alle docenten alle onderwerpen, inclusief de Holocaust, voor 100% vrij moeten geven; desnoods beschermd door de Mobiele Eenheid. Wat dit betreft ben ik het met Zijlstra eens. Ik verzet me slechts tegen zijn manier van argumenteren. Zijlstra suggereert dat de meeste moslims fout zijn en dat zij een gevaar zijn voor onze waarden en manier van leven.

Hij meent liberale waarden te verdedigen. Maar sinds wanneer is het een liberale waarde om iemand te beschuldigen met minimaal bewijs? Was het niet de liberale denker Jeremy Bentham die zei:

“Hoewel een rechter een intern vermoeden jegens de verdachte zou hebben, zou hij niet moeten aarzelen om op te treden bij het vermoeden van zijn onschuld, en, in geval van twijfel, om de fout die vrijspreekt als meer gerechtvaardigd of minder schadelijk te zien voor het welzijn van de samenleving, dan de fout die veroordeelt. In het luisteren naar de stem van de mensheid, zal hij enkel die van de rede moeten volgen.”

Oh ja, Mohammed zei hetzelfde: “Voorkom straf in geval van twijfel, laat u de verdachte, indien mogelijk, want het is beter dat de heerser schuldig is aan vergevingsgezind dan het straffen van de verkeerde.”

Geef een reactie

Laatste reacties (125)