1.651
4

schrijver, columnist en journalist

Heb ik toch niet gedaan…

Prachtig en herkenbaar kort verhaal over de jeugd van tegenwoordig

Twee weken geleden zag ik ’s avonds in een van de supermarkten in mijn buurt een groepje jongens van niet veel ouder dan negen of tien jaar, met speknekken van de blikken energiedrank en vele hartige snacks. Een van hen stootte, na het gebruikelijke duw- en trekwerk zoals dat kennelijk bij jongens moet gaan, een fles wijn om. Hij brak niet, maar rolde door het betegelde pad. Een oudere jongen, een twintiger, die er niet bij hoorde, sprak hen aan. ‘Heb ik toch niet gedaan’, riep een jongetje met een geconditioneerde blik vol onschuld in de ogen. De oudere jongen schakelde fel over op een taal die ik niet machtig ben. Een van de jongetjes zette gedwee de fles terug.

Gisteravond, een uur of acht. Het was nog prachtig weer. De rubberachtige grond van het speelterrein in de binnentuin van het complex was bezaaid met papiersnippers, keien, snoep- en chipsverpakkingen, blikjes en pakjes.

Trapbewegingen
Het was nog druk, maar er hing een Lord of the Flies-achtige sfeer. Ik zag vanaf mijn balkon een jongetje ruwe boks- en trapbewegingen maken naar een meisje. Hij scheerde rakelings langs haar gezicht. Een ander jongetje gooide met keien tegen de speeltoestellen. Dat soort taferelen. Ik ging naar binnen, pakte de bezem en nam de lift naar beneden.

De jongens jutten de meisjes op en vice versa. ‘Hé, mafketels’, baste ik over het plein met de bezem in mijn handen. ‘Doe eens even normaal tegen elkaar. Jij, vechtjas, je schiet nog een keer uit.’
‘Maar ik heb geen pistool, meneer’, klonk het oprecht defensief.
‘Ik heb het over je vechtbewegingen. Vast voor de lol bedoeld, maar er is geen klap aan.’
‘Zij noemen mij Bob de Bouwer Onderbroekenvouwer, meneer.’ Hij wees naar de meisjes.
Ik keek om me heen. ‘Wat is het een bende hier.’
Ze haastten zich om het weer te zeggen: ‘Hebben wij toch niet gedaan?’ 
‘Zei ik dat dan?’, mompelde ik en begon te bezemen. ‘Waar zijn je ouders?’, vroeg ik aan de vechtjas. Hij knabbelde op fluorescerende zoetwaren.
‘Werken.’
‘Waar woon je?’ 
‘Verderop, meneer.’ 
‘Zeg straks thuis tegen je ouders dat je hier gezelliger moet wezen.’ 
‘Goed, meneer.’ Hij ging er als een haas vandoor op zijn crossfiets, zijn vriendjes in zijn kielzog.

Plakkerige snoeten
Ik bleef met de meisjes achter. Ze hadden plakkerige snoeten en liepen in veel te kleine t-shirts met korte mouwen. Het speelterrein lag al volledig in de schaduw. Op de bovenste verdiepingen van het complex dronken de yuppen hun rosé. Zij hadden wel zon.

Ik ging verder met bezemen. ‘Meneer, die jongens zijn vervelend, maar wij waren ook vervelend.’
‘Ik houd niet van die gein’, zei ik, stevig vegend. ‘Je moet het een beetje met elkaar uithouden.’
‘Zullen wij u helpen, meneer?’ Een van de meisjes heette Zeyneb en at een soort zaden uit een plastic zakje. Ze gooide de schilletjes op de grond.
‘Kijk dan wat je doet’, zei ik. ‘Daar ligt een hele berg bij de glijbaan.’
‘Maar dat heb ik niet gedaan!’ 
‘Nee maar, je doet het nu.’
Ze boog voorover en raapte het schilletje op. De dames hielpen het plein te ordenen. Ze wierpen de snippers, keien, Wicky-verpakkingen en chipszakjes in de container. Ook sleepte ik een matras naar de container. Die had iemand bij het grofvuil gezet en de kinderen hadden ermee gespeeld. ‘Jullie zijn ook gek, hoor. Spelen met een vieze matras. Daar hebben bejaarden misschien op gepiest.’
‘Wij hadden er niet mee gespeeld, meneer.’

‘Vijf minuten verder en het is een stuk gezelliger hier’, concludeerde ik. Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd.

Geschorst
Er lag nog één ding. Een rode fietshelm. ‘Die is van Sharif. Sharif is tien en is nu al geschorst. Hij had iemand geslagen’, zei een meisje. Ik zag dat de helm kapot was. Die ging ook de container in. ‘Oh, maar meneer, als Sharif zijn helm morgen niet terugvindt, wordt hij dan niet kwaad?’ Ik haalde mijn schouders op. De helm kletterde in de duisternis van de stalen container. ‘Heb ik toch niet gedaan.’

Het was acht uur. De meisjes moesten naar huis. ‘Dag, meneer!’ Ik zwaaide, leunend op de bezem.

Geef een reactie

Laatste reacties (4)