458
7

Tweede Kamerlid GroenLinks

Mariko Peters (1969) is Tweede Kamerlid voor GroenLinks sinds 2006. Ze is woordvoerder op Buitenlandse Zaken, Defensie, Privacy, Europese Zaken en Cultuur & Media. Peters was voorheen werkzaam als mensenrechten-jurist bij de OVSE-missie in Bosnië en Herzegovina en als diplomaat in Afghanistan. Zo was zij namens de Nederlandse regering de adviseur van Dr.Rangin Dadfar Spanta, de minister van Buitenlandse Zaken van Afghanistan. Hierbij is ze nauw betrokken geweest bij democratiseringsprocessen en armoedebestrijding. De in al die jaren opgebouwde kennis en ervaringen gebruikt ze nu als Kamerlid om te strijden voor vrede, mensenrechten, democratisering en stabiliteit in de wereld. Ze studeerde rechten aan de Universiteit Leiden tot 1995. In 1996 behaalde zij haar Master of Law aan de Columbia University School of Law in New York.

Het buitenland bestaat echt

Kom uit de Haagse tunnel en wees transparant. Alleen zo kan Nederland een rol van betekenis spelen in het buitenland. 

Nederlandse bewindspersonen en diplomaten hebben decennia de mond vol gehad van het belang van een sterke internationale rechtsorde. We hebben een wijd netwerk van ambassades en diplomaten en Nederland leek echt te willen investeren in een effectief buitenlandbeleid en bouwde een geloofwaardige reputatie op. Die reputatie is op het spel gezet in de twee internationale oorlogen waar Nederland in de 21ste eeuw bij betrokken raakte. Voor Irak werd het volkenrecht opzij geschoven zonder een politiekinhoudelijke analyse van de mogelijke consequenties van ingrijpen voor Irak en de regio. De waarheidsvinding over de achtergronden van deze beslissing werd jarenlang uitgesteld. Uiteindelijk werd een commissie en niet het parlement het groene licht gegeven om de gang van zaken uit te zoeken.

Waar de bevindingen van de commissie-Davids, en het parlementaire debat daarover morgen helaas niet over gaan is de vraag op basis van welke politiek Nederland zich  liet verleiden om de visie van Bush c.s. serieus te nemen. En wat die oorlog in Irak eigenlijk heeft betekend voor de strijd tegen het terrorisme, de internationale rechtsorde, de proliferatie van massavernietigingswapens en democratiseringsprocessen in het Midden-Oosten.

Dergelijke vragen zijn ook ver te zoeken in de slepende besluitvorming rondom Uruzgan. De  coalitie presteert het om het Afghanistan-beleid tegelijk met het Irak-rapport op te offeren aan de binnenlandse verhoudingen. Discussie over de strategie zou moeten gaan over waarom bondgenootschappelijke trouw of de Amerikaanse jacht op Al-Qaeda  verdere Nederlandse militaire aanwezigheid vereisen, of welke politiek-culturele en veiligheidsontwikkelingen in Afghanistan om diplomatieke inspanningen vragen.  In plaats daarvan vernauwt de bandbreedte van de besluitvorming zich tot Haagse streken van een CDA-minister die voor zijn beurt spreekt, en een PvdA-bewindspersoon die met een NAVO-brief pokert. Zo houd je weinig geloofwaardig buitenlandbeleid over. Enige reflectie over wat al dit betekent voor de bevolking in Afghanistan is  ver te zoeken. Zij heeft net als de Iraakse bevolking pech dat ze buiten het blikveld van de Haagse tunnel valt.

Juist een partij als de PvdA met een belangrijke traditie op buitenlandbeleid zou in staat moeten zijn om in  plaats van een dogmatisch nee een alternatief te kunnen formuleren voor het huidige  gekissebis tussen Bos en Verhagen. Een alternatief voor Afghanistan dat gebaseerd is op een echte politiek-inhoudelijke analyse; ook als die leidt tot vertrek van onze troepenmacht. Uiteraard gebruikmakend van de informatie van diplomaten en experts in de regio. Pas dan kan Nederland prat gaan op een verantwoord buitenlandbeleid dat in het belang van Nederland is, maar zeker ook in het belang van het buitenland aan het einde van die Haagse tunnel.

Het is dan ook de hoogste tijd dat de Haagse elite zich de vraag durft te stellen op welke basis politiek-inhoudelijke beslissingen over interventies in andere landen echt plaatsvinden. De kabinetsreactie op het Irak-rapport   ontwijkt politieke conclusies maar staat boordevol ‘lessen voor de toekomst’. Wat het kabinet met deze lessen wil doen is onduidelijk. Een van de lessen is de instelling van een volkenrechtelijk adviseur op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook herbevestigt het kabinet de regel ‘dat ambtelijke notities met afwijkende meningen over belangrijke onderwerpen de politieke leiding bereiken’. Maar de instelling van een adviseur heeft  alleen zin, als dit keer de expertise van die adviseur wel serieus wordt meegenomen. Nu lijkt dit besluit haast een belediging voor de expertise van de afdeling Juridische Zaken van het departement. Uit het rapport blijkt immers dat deze afdeling al jaren regelmatig had geschreven over de ‘flinterdunne’ basis voor een eventuele inval. Ook de herbevestiging van die ‘ambtelijke notities’ wekt weinig vertrouwen. Juist de regiodirecties die met de ambassades kennis van de landen verzamelen krijgen nauwelijks toegang  tot de ambtelijke top.

Bovendien beschrijft Davids treffend hoeveel moeite topambtenaren  van Buitenlandse Zaken hebben met ‘afwijkende ambtelijke visies over politiek belangrijke kwesties’ gebaseerd op volkenrechtelijke, culturele of andere landinhoudelijke expertise. Het bepalen van de beleidslijn is gericht op het ‘uit de wind houden van de bewindspersonen’. Datzelfde mechanisme gaat bij het beantwoorden van Kamervragen vaak voor het daadwerkelijk inhoudelijk informeren van het parlement.

Het is de vraag of het dit kabinet nog gaat lukken dit patroon te doorbreken. Daarvoor is een proces van meer transparante en meer democratische besluitvorming nodig. Juist op de terreinen van Buitenlandse zaken, Defensie en Algemene Zaken, die traditioneel in grote geheimzinnigheid opereren. Het is de hoogste tijd voor openbare technische briefings van topambtenaren en diplomaten aan Tweede Kamerleden over de politieke situatie in het buitenland.

Hetzelfde moet gelden voor die nieuwe volkenrechtadviseur. Elke minister die vertrouwt op de kwaliteit van zijn ambtenaren zou hier geen enkele moeite mee moeten hebben. Al die geheime brieven, codes en bijeenkomsten achter gesloten deuren onder het mom van ‘diplomatie achter de schermen’ passen niet meer bij de 21e eeuw. Dat is de overkoepelende betekenis van de aanbevelingen die Davids ons meegeeft. Het is te hopen dat de ambtelijke commissie die momenteel onze internationale samenwerking heroverweegt de noodzaak van transparantie in de besluitvormingsprocessen meeneemt. Openheid is onmisbaar om politieke democratische verantwoording over buitenlandbeleid mogelijk te maken en bij te sturen als binnenlandse machtsverhoudingen de inhoud dreigen te overschaduwen. Alleen zo kan een zinnige discussie ontstaan over de belangrijke beslissingen over interventies in andere landen. Alleen zo kunnen we uit die Haagse tunnel komen en als Nederland echt een rol van betekenis spelen in het buitenland.

Mariko Peters schreef dit stuk samen met Petra Stienen. Zij is auteur van Dromen van een Arabische lente. Beiden zijn voormalig diplomaat. Het stuk staat ook in NRC.

Geef een reactie

Laatste reacties (7)