386
1

Schrijver

Raoul de Jong (1984) is schrijver. Hij schreef onder meer columns voor NRC Handelsblad en de boeken 'Het leven is verschrikkulluk', 'It’s Amaaazing' en 'Stinknegers'. Voor het laatste boek won hij de Dick Scherpenzeelprijs als jongste winnaar ooit.

Het celibaat

'Het was iets in zijn ogen, een soort verlekkerde blik. Of vond hij het echt leuk me te zien?'

Raoul de Jong loopt deze zomer van Rotterdam naar Marseille. Voor NRC Handelsblad en Joop tikt hij zijn avonturen op.

Coolheid
Het laatste stuk voor Antwerpen was als het pellen van een ui, of misschien meer een artisjok: eerst waren er de grote grijze blokkendozen met bouwmarkten, woonboulevards, fastfoodketens en mega supermarkten. Toen een stoffig voorstadje waar niemand ons kon vertellen hoe we precies bij Antwerpen konden komen, behalve met de tram. Toen kwamen de havens en industrie, toen koude stalen kantoorgebouwen en grijze flats en toen herkende mijn tijdelijke reisgenoot, Aldrin, een grafisch vormgegeven blok in de verte als De Mas, het historische museum van de stad.

Vrij snel daarna waren de eerste tekenen van coolheid aanwezig: skatende jongens met Fructis Beach Effect-haar, minimale winkels met underground fashion labels en volle terrassen met Pete Doherty hoedjes. Ik had meer dan 100 kilometer gelopen vanaf mijn huis, even geleefd in een compleet andere dimensie en tijd en nu was ik terug in de wereld waaruit ik vertrok. Onze eindbestemming: het centrum.

Halverwege de woonboulevards dacht ik de buzz van dit centrum al te kunnen horen. Een kosmopolitisch parel vol theater! Kunst! Cultuur! Cinema! Cha cha cha! Maar na nog een paar uur ploeteren door de buitenlagen, begon ik me af te vragen of ik het centrum ooit nog serieus kon nemen. Want uiteindelijk kan dat centrum niet bestaan zonder alle lelijkheid eromheen, nietwaar? Ook al is dat centrum zich prettig onbewust van al die lagen, zijn ze niet onderdeel van hetzelfde?

La Grande Route
Aldrin zou tot Antwerpen met mee lopen. Hij wilde niet terug, maar zijn studie wachtte. Gisterochtend stond hij met zijn rugtas op in de huiskamer, klaar om te gaan. Zonder hem aan te kijken duwde ik een Geheime Orde des Puck Patch in zijn handen en begon toen oncontroleerbaar te huilen. Ook Aldrin kreeg tranen in zijn ogen. Een tot nu toe ongekend spektakel van emotie in onze mannenvriendschap. Genoeg om Aldrin te overtuigen nog een dagje langer te blijven, totdat ik vanochtend dan echt uit Antwerpen vertrok.

Om 9 uur ‘s ochtends was het zo ver. We trokken de deur achter ons dicht en begonnen te lopen. Hij richting station, ik de andere kant op richting Marseille. Zonder tranen, maar nu officieel alleen.

Oorspronkelijk voelde alles om heen als ANDER LAND, tot ik de weg moest vragen aan een oude vrouw en iedereen die langsliep of fietste stopte om me te helpen. In Lier nam ik voor het eerst een stukje van de Grand Route 12. Een route die met rode en witte stickers staat aangegeven, overal als je er op let. Alles wat je hoeft te doen is de tekens volgen.

Ik liep langs water, door parken en tussen lange maïskolfen door over de eerste onverharde paden van deze reis. Maar in een plaatsje genaamd Sint Katelijne Waver nam ik een verkeerde afslag en moest verder via een N-weg. Daar was ik dan weer. In de buitenwijken, dit keer alleen. De lucht was grijs, auto’s raasden voorbij en ik dacht aan de jongen van wie ik houd, naar wie ik nu op weg was en hoe traag dat ging. Waarom doe ik dit in Godsnaam?, dacht ik. Als ik met de trein al een week geleden bij hem had kunnen zijn? Ik dacht aan mijn vrienden, mijn moeder, mijn familie, de mensen van wie ik hou en dat deed pijn. Thuis. Ik kon wel huilen als ik dacht aan hoe ver het nog is. Al wist ik tegelijk dat ik er waarschijnlijk alleen maar zou klagen en zou dromen van een avontuur als dit.

Het celibaat
Ik stond weer eens op een N-weg en had twee keuzes: rechtdoor, nog elf kilometer, naar een stad met een jeugdherberg. Of rechtsaf, vier kilometer naar een dorpje waarvan ik dacht te herinneren dat het een abdij had. Het dreigde te gaan regenen, mijn voeten waren kapot en ik had al een flink stuk gelopen, dus koos ik voor de laatste keuze.

De abdij stond naast een enorme kerk in een verder vrij klein dorpje. Via een intercom galmde er een kiestoon over het dorpsplein. “Ik kom wel even naar beneden,” zei een stem aan de andere kant van de lijn. “Dat praat wat makkelijker.”

Een jonge man met rode wangen en dik bruin haar opent de deur. Hij draagt een zwarte blouse met zilver kruisje. Broeder Piet, met 33 jaar de jongste monnik die ik ooit heb gezien. De jongste monnik van deze orde ook, maar hier hebben ze monniken van alle leeftijden, zegt hij. Deze abdij is een levende.

Via lange lichte gangen met ramen van glas en lood en portretten van meneren in witte habijten, volg ik hem naar een fijn kamertje op de laatste verdieping. Of ik mee wil eten? Want dat kan. En of ik mee doe met het avondgebed?

Ik vind het moeilijk om u te vertellen wat ik u nu vertellen zal. Mensen in problemen brengen is niet het doel van deze reis of van deze stukjes. Bovendien zou wat ik u wil vertellen opgevat kunnen worden als een ander bewijs van de totale waardeloosheid van de kerk. Terwijl ik die kerk het liefst een beetje in bescherming zou willen nemen. Niet omdat ik gelovig ben, dat ben ik niet. Maar omdat ik ook niet geloof in wat er voor in de plaats is gekomen. Juist omdat ik niet gelovig ben weet ik hoe weinig dat is en met welke leegte dat je kan achterlaten.

Veel van de aardigste, meest wijze mensen die ik heb leren kennen tijdens deze en andere reizen waren broeders en zusters. Ze zorgden voor me, gaven me eten en een bed of gewoon een beetje liefde op het moment dat ik dat het meeste nodig had. Die mensen mogen niet vergeten worden en zijn misschien wel waar het echt om gaat.

En toch wil ik u vertellen wat ik u nu vertellen zal. Omdat dit is wat me overkwam. Omdat het verzwijgen zou voelen als liegen. En omdat ik door wat er gebeurde iets begreep. En wat ik begreep was positief.

Twee dagen bleef ik in de abdij. De laatste avond ontmoette ik broeder Leo, een 76-jarige monnik, in het halletje voor mijn slaapkamer. Ik had hem voor het eerst gezien na het eerste ochtendgebed en eigenlijk had ik het meteen al geweten. Het was iets in zijn ogen, een soort verlekkerde blik. Of vond hij het echt leuk me te zien? “Zo, jij blijft gezellig een paar daagjes bij ons?” had hij gevraagd.

Nu droeg hij een rood T-shirt met in grote letters BRAZIL. Wat het zilveren kruisje dat er overheen hing een beetje maffia maakte. En een onderbroek. “Klaar voor het lopen?” vroeg hij en gaf me een soort klopjes op mijn heupen. Toen deed hij hetzelfde op mijn haar. 

“Prachtig vol natuurlijk haar.” Of hij het aan mocht raken? “Dat doet u al,” zei ik. Of ik al wist waar ik morgen ging slapen? Nog niet echt. Hij dacht dat hij me wel kon helpen.

Lees verder bij NRC

Geef een reactie

Laatste reactie