721
4

journalist

Marcia Luyten (marcialuyten.nl) is econoom en cultuurwetenschapper, schrijver, journalist, essayist en moderator. Ze woont en werkt in Kampala, Oeganda. Ze fietst (in Afrika even niet), danst, drumt, slaapt graag in een tent op de savanne, rijdt paard en auto. Samen met een creatieve avonturier heeft ze drie kinderen. In Nederland wonen ze op een woonboot boven Amsterdam, in de velden van Broek in Waterland. Auteur: Ziende blind in de sauna, Hoe onze politiek, economie en cultuur ´Afrikaanse´ trekken krijgen (Lemniscaat, 2008).

Het einde van de Goede Man in Afrika

Het is 1980, de hoogtijdagen van de ontwikkelingshulp, als in Kinjanja Morgan Leafy zijn bediende om meer gintonic stuurt.

De Brit Leafy is eerste ambassadesecrataris in het olierijke West-Afrikaanse land en hoofdpersoon in William Boyd’s debuutroman A Good Man in Africa. De jonge diplomaat is kalend, bleek en vlezig. Zijn verveling bestrijdt hij met de twee dingen die hem níet tegenvallen op deze “godvergeten onbeduidende plek op deze aardkloot”: bier en sex. In het boek gaat de good man ten onder in corruptie en een bloedige coup.

Ook in het echte leven nadert het einde van de good man in Africa, de diplomaat annex ontwikkelingswerker die goed komt doen  Niet omdat hij in het hart van de macht vuile handen maakt. Erger: hij doet er niet meer toe. Zijn levensstijl lijkt weliswaar nog op die van Leafy (in grove pixel: een groot huis, bediendes, een halve hectare tuin achter een muur met scheermesjesdraad, een mooi salaris opgetopt met riante hardship-vergoedingen, gintonic en iets van dédain voor Afrika), zijn macht is hij kwijt. Zowel zijn morele als zijn materiële superioriteit is verdampt.

Hoe zag 125 jaar terug zijn entree eruit? Na 1885 kwam de witte man met een dubbele opgave naar Afrika. De Britse schrijver Rudyard Kipling muntte die tweeledige taak met één term: The White Man’s Burden. De Europeaan had de messianistische opdracht de wilden te beschaven; ze te bekeren tot het Christendom, én hij had de opdracht ze te overheersen. Het eerste was in handen van de missionarissen, ultieme ontwikkelingswerkers. Het tweede, het imperialisme, manifesteerde zich met roof van grondstoffen en de opbouw van een naar het Westen gemodelleerde samenleving. Roofbouw was dat, naar de letter en naar de geest.

De Europeanen vernielden een traditionele bestuurscultuur waarin de chief verantwoording aflegde aan zijn onderdanen. In plaats daarvan ontstond een bestuur waarin een kleine kliek de macht en de middelen verdeelt, zich met gunsten en giften van stemmen verzekert en zich van burgers niks aantrekt: het patronagesysteem.

Na 75 jaar imperialisme liet de witte man in 1960 een stinkende rotzooi achter. Europa had Afrika vergiftigd met de natiestaat. In schuldgevoel geworteld, groeide na de onafhankelijkheid een nieuwe White Man’s Burden. Het Westen moest Afrika aan de praat krijgen. Vijftig jaar hulp was het gevolg.

Het tijdperk van de hulp zoals we die kennen nadert zijn einde. Begin 21 eeuw zijn er drie krachten die de witte man van zijn voetstuk stoten. Allereerst: de emancipatie van de Afrikaanse elite. In de kringen waar macht en geld zijn verklonken, moeten ze niks meer hebben van de witte man die ze vertelt hoe het land te besturen. In veel landen is de macro-economie naar westers advies geherstructureerd en gestabiliseerd. Vervolgens gaat het over mensenrechten, armoedebestrijding en democratisch bestuur; zaken die de positie van de elite in gevaar brengen.

In mijn Afrikajaren maakte ik wel mee dat iemand treurde over het (figuurlijk) verdwijnen van de witte man. Altijd een arme Afrikaan. Onze bewaker zei dat in de koloniale dagen het bestuur werkte, de wegen heel waren en dat er goed onderwijs was voor iedereen – nu alleen voor de rijken. Of een door de oorlog getroffen weduwe in Congo die me vroeg: “Weet u misschien wanneer de onafhankelijkheid eindigt?”

Daar ging het om de materiële voordelen van Europees gezag. De witte man als maatstaf voor het goede leven kom je alleen nog tegen bij de (letterlijk) uitstervende generatie Afrikanen die opgroeide in de hoogtijdagen van het kolonialisme. Neem de 78-jarige Oegandees John Kaddu Wasswa. Bij de opening van de foto-expositie over zijn leven (tot 2 januari in het Fotomuseum in Rotterdam), vertelde Kaddu Wasswa hoe hij probeerde Oegandezen te leren leven als de blanken. “Alleen door de westerlingen te kopiëren kun je vooruit komen. Ik droeg daarom altijd een driedelig pak met das.” In de jaren vijftig organiseerde hij Tea Party’s – echte. Wit porcelein op gesteven damast, mannen in pak en vrouwen in petticoatjurken dronken thee aan de oever van het Victoriameer. In Rotterdam had Kaddu Wasswa een rood pochet in zijn pak. De Afrikaanse leider van vandaag trekt een Afrikaanse tuniek aan of zet een rangerhoed op.

Bestuurders in Afrikaanse overheden zijn nu ook zo goed opgeleid, meestal aan Westerse universiteiten, dat ze de vaak holle praat van een nieuwe diplomaat aan een half woord herkennen. Een topambtenaar van het Oegandees ministerie van Financiën schetst een beeld van zijn gesprekspartners: “Het is telkens hetzelfde. Om de vier jaar zit er een nieuwe diplomaat tegenover me. Al weten ze van toeten noch blazen, ze denken ons te moeten vertellen hoe het moet.” Zelfs als de witte wel iets van zijn land begrijpt, zoekt deze topambtenaar het graag zelf uit: “In plaats van dat jullie het me allemaal komen voorschrijven, maak ik liever mijn eigen fouten. Daar leer ik nog wat van.”

De tactiek van de topambtenaar is dan ook die van beleefd negeren. Hij hoort de diplomaten allemaal aan, toucheert hun miljoenen dollars en op wat cosmetische ingrepen na blijft alles bij het oude.

Onder de intellectuele Afrikanen zijn er steeds meer die liever zien dat de hulp stopt – een gedachte die de gewone Afrikaan doet verstijven van schrik. George Ayittey, econoom uit Ghana, klaagt de zittende elite aan: “Ze zeuren over imperialisme en kolonialisme, maar zij zullen nooit de economie hervormen. Omdat ze zelf profiteren van de verrotte status quo.” Hulpgeld houdt volgens hem die status quo in stand. Ook de Oegandese journalist Andrew Mwenda vervloekt de hulp. “Wij hebben geen vrijgevige westerlingen nodig. Wij moeten de meest gierige hebben; degenen die komen om te investeren en om winst te maken. Daar hebben wij wat aan.”

Die emancipatie van de Afrikaanse elite wordt geholpen door de exploitatie van grondstoffen – de tweede ontwikkeling. In Afrikaanse landen die de laatste tien jaar geld zijn gaan verdienen met olie (Ghana, Angola, Soedan en binnen een jaar Oeganda) ontwaakt een wat agressief zelfbewustzijn tegenover het Westen. Afhankelijk van donorgeld waren ze gedwongen naar westerse pijpen te dansen. Tot lang na de onafhankelijkheid voelden ze zich gekleineerd. Olie is een morele bevrijding. Nog voordat president Museveni van Oeganda een vat olie op de markt heeft gebracht, kondigde hij aan 8 gevechtsvliegtuigen ter waarde van 400 miljoen dollar te kopen – hetzelfde bedrag als hij jaarlijks aan begrotingssteun ontvangt. De donoren klaagden en dreigden. De president nam het voor kennisgeving aan.
 Als derde en misschien meest krachtige ontwikkeling is er China. De  opkomende wereldmacht scoort deze week een historische notering: president Hu Jintao is door het Amerikaanse zakenblad Forbes uitgeroepen tot meest machtige man op aarde. China werd afgelopen jaar de grootste handelspartner van Afrika. Niet belemmerd door enige burden zet China zijn eigen producten af en haalt het grondstoffen weg. China betaalt graag met (door Chinezen aangelegde) bruggen en wegen. De Chinese aanwezigheid in Afrika is dan ook zichtbaar; de Chinezen zitten overal.

De witte man mokt. Moppert: die Chinezen zijn alleen uit op grondstoffen. Ze kappen de oerwouden van Congo, voeren bloedrode boomstammen van zes meter doorsnee over de Congo-rivier naar de oceaan en schepen president Kabila af met een schijntje. Kralen en spiegeltjes in de vorm van asfalt.
Maar de Chinees is graag gezien. Hij bemoeit zich niet met politiek. Als het werk is gedaan, verschanst de Aziaat zich op een hoog ommuurde compound die met stroomdraad wordt gescheiden van de zwarte buitenwereld.

Dat bevalt de Afrikaanse mannen met macht. Als ik de Oegandese minister van Energie vraag naar de Chinezen – “Gebruiken zij Afrika niet uitsluitend als wingewest?” – begint hij keihard te lachen. Dan buigt Hillary Onek zich voorover. Op gedempte toon: “Hebben jullie dat niet honderd jaar lang gedaan?”

Touché. Dat hebben wij inderdaad gedaan. In een voltooid verleden tijd. Zelfs onze wiedergutmachung, het verlenen van ontwikkelingshulp, nadert zijn vervoeging. Want de good man in Africa heeft zichzelf overleefd. Zoals hij eerder in Indonesië en India zijn koloniale lifestyle heeft moeten opgeven, zo zal hij ook in Afrika zijn conclusie gaan trekken.

Geef een reactie

Laatste reacties (4)