2.106
22

Demograaf

Ralph Hakkert is demograaf. Hij woont sinds 1981 in Brazilië, zij het met een aantal onderbrekingen, waarin hij voor de Verenigde Naties werkte. In Brazilië was hij betrokken bij het CEBRAP, een linkse denktank van universitaire docenten, die in 1968 door de militairen uit de Universiteit van Sao Paulo gezet waren.

Het einde van een tijdperk in Brazilië

Hoe de linkse partijen aan onderling gekibbel ten onder gaan

De simpele etiketten waarmee de Nederlandse pers soms de ingewikkelde politieke verhoudingen in Brazilië beschrijft verbazen me wel eens. “Niet linkse [Marina] Silva, maar rechtse [Aécio] Neves strijdt tegen president [Dilma Rousseff]” schreef de NRC in oktober vorig jaar toen Aécio Neves als tweede eindigde in de voorronde van de Presidentsverkiezingen. Beide etiketten zijn discutabel.

Marina Silva’s milieu-posities hebben haar internationaal erkenning geoogst, maar links Brazilië wantrouwt haar wegens haar evangelische overtuigingen ten aanzien van abortus en homoseksualiteit. De PSDB van Aécio Neves staat rechts van Dilma Rousseff’s PT, maar het verschil is niet groter dan tussen de SP en de PvdA in Nederland. In de tweede ronde van de Presidentsverkiezingen steunde Marina Silva de PSDB. Dilma’s eigen regerings-coalitie bevat partijen die aanmerkelijk rechtser zijn. Naast fouten in haar macro-economische beleid tijdens haar eerste mandaat zit daar één van de oorzaken van Dilma Rousseff’s huidige problemen.

Dilma Rousseff is misschien de laatste vertegenwoordiger van de generatie opgegroeid onder de militaire dictatuur (1964-1985). De toenmalige Grondwet stond maar twee partijen toe, die de Brazilianen soms oneerbiedig beschreven als de partijen van “ja” (ARENA) en “ja meneer” (MDB) tegen de militairen. De regeringspartij ARENA is na de dictatuur afgebrokkeld in steeds kleinere stukjes, waarvan alleen de Democratas overgebleven zijn. De oppositiepartij MDB (nu PMDB) bestaat nog steeds en is de op één na grootste in het Congres. De partij is met 13% van de Kamerzetels iets kleiner dan de PT van Dilma Rousseff (13,6%) en groter dan de PSDB van Aécio Neves (10,3%).

Het is een amorf geheel, zonder duidelijk ideologisch profiel, losjes bijeen gehouden door de regionale belangen van politici van verschillende pluimage. Toen ik begin jaren ’80 kwam werken aan het CEBRAP in São Paulo, een instituut geleid door Fernando Henrique Cardoso, die later President zou worden, waren de PT en de toekomstige PSDB nog in opbouw. Beiden streefden naar een duidelijker socialistisch respectievelijk sociaal-democratisch profiel voor de oppositie dan de amorfe (P)MDB. Lula steunde Cardoso toen, in het begin van zijn politieke loopbaan als Senator. Maar om redenen die zowel te maken hebben met verschillen in politieke stijl en visie als met persoonlijke ambities zijn ze later uit elkaar gegroeid, vooral nadat Lula in 2002 President werd.

Als in de Weimar-republiek
Veel linkse intellectuelen in Brazilië betreuren dat het onmogelijk gebleken is om de twee partijen, allebei voortgekomen uit het verzet tegen de militaire dictatuur, bijeen te houden. Ze vergelijken de situatie soms met het gekibbel tussen communisten en sociaal-democraten in de Weimar-Republiek, waar politiek (uiterst) rechts uiteindelijk voordeel uit trok. Het programma Bolsa Famïlia ter bestrijding van de extreme armoede, was bijvoorbeeld oorspronkelijk een creatie van Fernando Henrique Cardoso waar de PT toen tegen was. Maar als regeringspartij hebben ze de naam veranderd en, geholpen door een uitzonderlijk gunstige economische conjunctuur tijdens zijn eerste mandaat, heeft Lula het uitgebouwd en daarmee zijn internationale faam verworven.

Corruptie
Door hun rivaliteit hebben zowel de PSDB als de PT noodgedwongen met rechtse coalitie-partners moeten regeren. In het geval van Fernando Henrique Cardoso betekende dat een regering met een duidelijk minder linkse signatuur dan wat zijn sympathisanten van hem verwachtten. Bij de PT betekent het de noodzaak om via cliëntelistische schema’s en regelrechte corruptie een coalitie bij elkaar te houden die politiek bijzonder weinig cohesie heeft. Zo is daar Fernando Collor de Mello die in 1990 een uiterst harde en manipulatieve verkiezingscampagne tegen Lula won, in 1992 via een ‘impeachment’-procedure wegens corruptie uit zijn ambt werd gezet en die nu op onverklaarbare wijze behoort tot de regerings-coalitie (via de PTB), waarin hij wederom aangeklaagd is wegens corruptie.

Maar ernstiger is het geval van Eduardo Cunha, de Voorzitter van de Kamer, en evenals zijn collega in de Senaat, Renan Calheiros, aangeklaagd wegens corruptie. Beiden zijn van de polivalente PMDB, vooralsnog de grootste coalitie-partner van de PT. Maar hoe onbetrouwbaar die coalitie is werd de afgelopen week duidelijk toen Cunha zich distantiëerde van de regering en overliep naar de oppositie.

De reden? Beide heren voelen zich verongelijkt over het feit dat de regering te weinig doet om ze te beschermen tegen de strafrechtelijke corruptie-onderzoeken van het Openbaar Ministerie, dus zoeken ze hun heil bij de oppositie. Dat maakt een toch al moeilijke politieke situatie van Dilma nog moeilijker. Zelfs als ze, zoals ik hoop, ontsnapt aan de pogingen om het meest impopulaire Presidentschap van de recente Braziliaanse geschiedenis via ‘impeachment’ te beëindigen, dan nog is haar regering nu zo vleugellam dat ze de komende jaren weinig van haar regeringsprogramma zal kunnen realiseren.

En ondertussen is de Braziliaanse samenleving duidelijk verrechtst. Dat is de trieste nalatenschap van de linkse generatie van 1964-85 waar velen van ons onze hoop op gevestigd hadden. Waren ze maar een beetje flexibeler geweest in het bijleggen van hun ideologische verschillen, persoonlijke ijdelheden en onderlinge strijd om de macht.

Geef een reactie

Laatste reacties (22)