1.591
10

Dichter, essayist en boekverkoper

Joost Baars (1975) is dichter, essayist en boekverkoper. Zijn poëzie verscheen in ondermeer Liter en Tirade, en in zijn chapbook iemand anders dat in 2012 verscheen. Hij schrijft over poëzie voor Poëziekrant en Awater, over film voor deRecensent.nl en maakte een reeks columns over boekverkopen voor hard//hoofd. Hij maakt de poëziepodcast VersSpreken en geeft een reeks no-budget chapbooks uit met Halverwege Chapbooks.

Het grote verschil tussen vrijheid en toekomst

Hoe we het verhaal van de interventie tegen IS aanpassen aan onze wensen

Militair ingrijpen wordt vaak verantwoord met het argument dat onderdrukte mensen recht op vrijheid. Want vrijheid is vrede, hebben we geleerd van WO II. Maar klopt dat wel? Joost Baars over hoe subtiel het verhaal van vrijheid, verzet en vrede wordt aangepast aan de wensen van de tijd.

Een paar dagen geleden werd de Syrisch/Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun geciteerd in De Wereld Draait Door. Frénk van der Linden, die hem enige tijd daarvoor had geïnterviewd voor het NCRV-programma Altijd Wat, greep toen hem werd gevraagd naar de betekenis van de Amerikaanse aanval op ISIS terug naar een van zijn uitspraken. Omdat Damascus de oudste stad ter wereld was, zijn alle steden erna er afspiegelingen van, en dus, zo citeerde Van der Linden Almadhoun, zal er “geen vrede voor de mensheid zijn, als er geen vrijheid komt in Damascus, de oudste stad ter wereld.”

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Vrede? Vrijheid? Daar had Almadhoun toch niet over gesproken? Toen ik het interview nog eens terugkeek, bleek dat inderdaad. Almadhoun had niet gezegd dat er zonder Damascus geen vrede is, en ook niet dat er voor wereldvrede vrijheid in Damascus zou moeten komen. Hij had gezegd dat hij zonder Damascus geen toekomst zag. Dit waren zijn precieze woorden:

“Het meest pijnlijke van de vernietiging van Syrië is de vernietiging van onze dromen, herinneringen en ervaringen. Dus ik weet het niet. Ik hoop dat er iets goeds komt. Al mijn plannen hebben met Damascus te maken. Damascus is een prachtige stad. Je kunt je niet voorstellen hoe prachtig. Ik ben overal geweest, maar niets gaat boven Damascus. Dus als ik het zie zoals het nu is… Ik weet het niet… We hebben geen toekomst zonder die stad.”

Nota bene ging het om een antwoord op Van der Lindens vraag hoe Almadhoun zijn persoonlijke toekomst zag. Al impliceerde hij met dat “we” wel een klein beetje terug te grijpen naar zijn betoog eerder dat Damascus de bakermat van alle steden ter wereld is. De verheffing van het persoonlijke van zijn antwoord tot een soort van algemene verklaring over Damascus is dus wel voor te stellen. Maar in de parafrasering door Frénk van der Linden,  die nota bene het interview zelf afnam en die bekendstaat als een goed luisteraar (en dat in het betreffende mooie interview trouwens ook toonde), maakte niet alleen van “toekomst” “vrede”, maar ook sprak Van der Linden over “vrijheid” of het gebrek eraan, waar Almadhoun het overduidelijk over de dreigende destructie van Damascus had. 

Dat kan natuurlijk een toevallige vergissing zijn, en ik wil Frénk van der Linden zeker niet beschuldigen van het intentioneel verdraaien van de uitspraken van Ghayath Almadhoun. Het toont simpelweg aan hoe dwingend de taal van de tijd is. Het is alsof de woorden van Almadhoun daar aan tafel bij DWDD zo werden aangepast dat ze precies pasten in het narratief van de humanitaire interventie, het narratief waarmee de bombardementen op IS worden verdedigd, een gebeurtenis die op dat moment aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk werd geanalyseerd. 

D-Day
Je kunt volgens mij het narratief van de “humanitaire interventie” zien als een samengaan van dat van de vredesbeweging en dat waarmee we nu het verhaal vertellen van de geallieerde oorlogvoerders in de Tweede Wereldoorlog. Van hen zeggen we dat ze ingrepen in Europa “voor de vrijheid”. Later is die gebeurtenis gaan dienen als verdediging voor het idee dat je de idealen van de vredesbeweging ook met militair ingrijpen zou kunnen dienen. Natuurlijk is D-Day nooit een “humanitaire interventie” geweest: Amerika besloot niet op eigen houtje Europa binnen te vallen, het waren de regeringen in ballingschap van de landen waarin werd binnengevallen die de hulp van de Amerikanen inriepen. We intervenieerden dus zélf, in ons éígen Europa, omdat er iets verschrikkelijks gebeurde. Maar sindsdien is er een krachtig idee dat “we” niet werkloos kunnen toezien als er ergens anders iets heel ergs gebeurt (al wordt dat idee toch eigenlijk maar sporadisch ingezet – zoals Arnon Grunberg vandaag in Buitenhof al zei: er vinden genoeg genocides plaats waarbij niet wordt ingegrepen, en Zuidamerikaanse drugsbendes onthoofden ook mensen, maar hen bombarderen we niet). 

In het licht van de Tweede Wereldoorlog en het idee van D-Day als humanitaire interventie is de plaatsing van dat “we” trouwens ook interessant. Het is dan alsof, in de collectieve herinnering aan die gebeurtenis, “wij” destijds onszelf zijn binnengevallen als een vreemde mogendheid, die democratie en vrijheid kwam brengen. Alsof die vrijheid van buiten kwam, en “wij” dat toen hebben meegenomen onze eigen landen in. Dat is een aantrekkelijk idee, want daardoor hoeven we dat “wij” niet te associëren met de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Door D-Day als humanitaire interventie te beschouwen, onthechten we onszelf van het feit dat de réden voor D-Day in ónze achtertuin lag, niet in de achtertuin van een ander. 

Ghayath Almadhoun werd in Kamp Westerbork geïnterviewd. Dat was aan de ene kant logisch: destructie en massamoord zijn thema’s in zijn werk. Aan de andere kant haakte het aan bij een narratief waarin onze Europese antisemitische traditie wordt versmolten met de antisemitische traditie in de Arabische wereld. Die laatste bestaat natuurlijk absoluut, maar in de manier waarop we er in Europa over spreken zit ook iets comfortabels, alsof we de Arabieren alsnog de schuld van de Holocaust in de schoenen kunnen schuiven. Maar zij hebben de kampen en de gaskamers niet gebouwd. Dat waren wij. 

Toekomst
Wat zou er gebeuren als je de maatregelen tegen IS (de bombardementen, het bewapenen van de tegenstanders) niet doet omwille van de “vrijheid”, maar van de “toekomst”? Ik wil niet doen alsof ik de wijsheid over IS in pacht heb, maar feit is dat je dan een veel lastiger gesprek krijgt, dat niet past in het discours van de waan van de dag. De VS en het Westen brengen al decennialang met militaire middelen “vrijheid” naar allerlei regio’s, door te bombarderen, te interveniëren en door de tegenstanders van de tegenstanders te bewapenen. Je kunt op die manier, in zekere zin, best volhouden dat ze bijvoorbeeld een kortstondig moment “vrijheid” in Irak hebben gebracht. Maar toekomst? Als de “vrijheid” is veroverd, zit de klus erop, kan men weer vertrekken, en zit het land of de regio met de gevolgen.

Maar als het zou gaan om het brengen van “toekomst”, dan wordt wat Hillary Clinton hierboven zegt relevant. Dan wordt bijvoorbeeld zichtbaar dat er een rechte lijn loopt van de Tweede Wereldoorlog, naar de Koude Oorlog, naar de Strijd tegen het Terrorisme. En dat wie oorlog voert, hoe humanitair ook, uiteindelijk ook een dader is. Zoals Ghayath Almadhoun schrijft in zijn magistrale door Djûke Poppinga vertaalde bundel Weg van Damascus, die onlangs bij Uitgeverij Jurgen Maas verscheen: “Het probleem van de oorlog zit hem niet in wie sterven, maar in wie na afloop nog in leven zijn.”

Ik denk dat Ghayath Almadhoun dát bedoelde toen hij aan Damascus refereerde, “de eerste stad, waarnaar alle volgende steden gemodelleerd zijn”: als we ons verleden en onze actieve rol daarin slopen, ontkennen of uitwissen, dan kunnen we het nooit hebben over het bouwen van een toekomst. Dan veroordelen we onszelf tot een zich eeuwig herhalend heden.

Naschrift 30/9

Frénk van der Linden laat weten dat de hier aangehaalde discrepantie tussen interview en quote anders tot stand is gekomen. In een e-mail schrijft hij: “We trokken een uur of drie met Almadhoun op, waarvan ik al gauw anderhalf, twee uur met hem heb zitten praten. Uiteraard hebben we lang niet alles opgenomen en uitgezonden. Dat was in totaal misschien maar tien minuten. Verschillende dingen heeft Almadhoun tijdens de momenten dat de camera liep anders gezegd dan toen wij aan tafel zaten, op een bank in Westerbork, of elders. Jammer genoeg kan dit natuurlijk misverstanden oproepen.”

Dit is natuurlijk heel goed mogelijk. En zoals ik al schreef is dit stuk niet bedoeld om op een “fout” van Frénk van der Linden te wijzen. Dat zou ondergraven wat het stuk beoogt. Waar het om gaat is de bijna automatische toe-eigening van wat een enkeling – in dit geval Ghayath Almadhoun – zegt, door een dominant maatschappelijk narratief – in dit geval dat van de “humanitaire interventie”. Dit zou ook aan de hand zijn als de discrepantie tussen interview en quote op de manier tot stand zou zijn gekomen die Van der Linden hier schetst. Dat automatisme is niet de schuld van Frénk van der Linden; zeker niet als hij een niet uitgezonden uitspraak citeerde, maar ook niet als hij een wel uitgezonden uitspraak parafraseerde. Het is veeleer onderdeel van een proces waar we allemaal deel van uitmaken. Anders gezegd: ik weet zeker dat ik zelf in gesprekken ook zaken naar het dominante maatschappelijke narratief toe redeneer. Het is een bijna vanzelfsprekend maatschappelijk mechanisme, waarin dat-wat-we-al-vonden het stilletjes maar onvermijdelijk wint van hoe-je-er-ook-tegenaan-kunt-kijken. In een tijd waarin we juist dringend behoefte hebben aan alternatieven, doen we er goed aan ons hier collectief bewust van te zijn.

Geef een reactie

Laatste reacties (10)