1.274
58

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Het is nog steeds de economie, domkop!

De traditionele strijd tussen links en rechts wordt de laatste jaren verdrongen door een nieuw fenomeen: tribalisme

cc-foto: Trevor Coultart
cc-foto: Trevor Coultart

In de nabeschouwingen op het referendum over het associatieverdrag gaat het steevast over de kloof tussen een groot segment van de kiezers dat het verdrag afwees en het bestuurlijke establishment dat in grote meerderheid voor was. Joris Luyendijk verklaarde de keuze van de meerderheid een aantal dagen geleden in The Guardian als een gevolg van de verwijdering tussen een pragmatische, postideologische, gevestigde orde die de links-rechts tegenstelling ontgroeid is en een sceptische, ontevreden en opstandige groep kiezers aan de ideologische flanken van het electoraat. Ewald Engelen koppelde dat in een column voor Follow the Money aan de onthullingen in de Panama Papers. Die tonen volgens Engelen aan “dat de groeiende populistische afkeer van de elite volkomen terecht is”. Er sluimert volgens hem al zo’n 15 jaar een electorale revolte over “een wereldomspannende exploitatiemachine die de rijken bevoordeeld en Jan Modaal het nakijken geeft.” Die electorale onvrede ontbrandt bij de geringste aanleiding, zoals recentelijk het associatieverdrag met Oekraïne.

Neoliberalisme
De analyses van Luyendijk en Engelen geven een begin van een verklaring voor de veranderde politieke verhoudingen die met het referendum wederom zichtbaar werden, maar ze blijven steken in een simpele binaire tegenstelling tussen elite en volk die uiteindelijk weinig verheldert. Er is meer te zeggen over het veranderende politieke landschap. In de blogosfeer is al een aantal maanden een debat gaande tussen economen over de politieke gevolgen van de economische crisis in de westerse wereld, een debat dat ook een scherper licht werpt op de situatie in Nederland. De Australische econoom John Quiggin stelt in een veelbesproken blog op Crooked Timber dat voor het begrip van de politiek in het westen in de laatste 25 jaar drie politieke stromingen bepalend zijn: tribalisme, neoliberalisme en links radicalisme. Tot aan de kredietcrisis van 2008 werd het democratische proces in westerse landen volledig overheersd door linkse en rechtse varianten van het neoliberalisme. Politiek draaide in feite om de vraag of de staat radicaal moest worden teruggedrongen om de markt en het individu vrij baan te geven (de aanpak van Reagan, Thatcher en in Nederland de VVD), of dat de staat slechts beperkt moest worden teruggedrongen en de markt moest worden aangewend om een gesaneerde welvaartstaat in stand te houden (de Derde Weg van Clinton, Blair en in Nederland de PvdA). Beide varianten accepteerden de wenselijkheid en onvermijdelijkheid van het geglobaliseerde kapitalisme en de geglobaliseerde financiële sector. De politieke strijd ging om accentverschillen in de manier waarop de staat met die vermeende gegevenheden moest omgaan.

Deze beleidsconsensus is wat Luyendijk enigszins verwarrend als een “postideologische” consensus beschrijft. Het gaat echter bij uitstek om een ideologische consensus, om een politieke en economische heilsleer die lang succesvol leek, maar die steeds slechter in staat is om de ontwikkelingen van vandaag te verklaren en die beleidsrecepten voorschrijft die evident niet meer werken. De financiële crisis heeft de beide varianten van het neoliberalisme behoorlijk in diskrediet gebracht en overal in de westerse wereld zijn de gematigde middenpartijen die ze omarmden op hun retour. Dat wil niet zeggen dat de rol van het neoliberalisme is uitgespeeld. (Door de voortdurende crisis wordt het neoliberale programma in veel landen paradoxaal genoeg juist steeds radicaler doorgevoerd. Groeiende twijfel over een politieke koers wordt bezworen met steeds grotere vastberadenheid in de navolging ervan.) Volgens Quiggin is het neoliberale midden echter in toenemende mate afhankelijk van de twee andere stromingen in de politiek, tribalisme en links radicalisme, om in het zadel te blijven.

Tribalisme
De rechtse variant van het neoliberalisme (en in Nederland eigenlijk ook de linkse) leunt steeds zwaarder op het groeiende tribalisme. Daarmee doelt Quiggin op de impuls om de oorzaak van alle problemen te zoeken in het buitenland en bij vreemdelingen, om je steeds meer terug te trekken op de eigen groep of de eigen natie, om je eigen identiteit voorop te zetten, om je af te wenden van internationale samenwerking en internationale instituties. Het is de drijvende kracht achter Brexit en Nexit. Rechtse partijen maken duidelijk gebruik van dit sentiment in het electoraat. De Republikeinse partij in de VS flirt al jaren met xenofoben en tea-party aanhangers, om na winst in de verkiezingen vervolgens gewoon haar vertrouwde neoliberale agenda uit te voeren die grotendeels indruist tegen de belangen van de burgers die door dit tribalisme worden aangesproken. (Deze strategie dreigt zich nu met Trump tegen hen te keren. Zuiver tribalisme, volledig losgekoppeld van de neoliberale agenda, blijkt een nog succesvollere formule om teleurgestelde kiezers aan te spreken.)

Op een soortgelijke manier is er in Nederland, tenminste sinds Fortuyn, een breed onbehagen over de groeiende diversiteit van de samenleving, maar ook over de verschraling van de welvaartstaat, de toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt, de verzakelijking van de arbeidsbetrekkingen en de ontsporing van neoliberale hervormingen in de publieke sector ― kortom over de schaalvergroting, marktwerking, en bonuscultuur die sinds de Paarse kabinetten door alle grote partijen is nagestreefd. Het antwoord daarop van middenpartijen was vooral om de vreemdelingen voor de leeuwen te gooien en de aandacht af te leiden van de sociaal-economische ontwrichting die met het neoliberaal beleid in de samenleving werd veroorzaakt. Het programma van Fortuyn en Wilders werd gecoöpteerd en er werd breed geflirt met de notie dat vreemdelingen en vluchtelingen de oorzaak waren van de economische stagnatie, de werkeloosheid, de criminaliteit, de verschraling en uitholling van publieke voorzieningen, en de problemen van de grote steden. Het was nooit de bedoeling dat de kiezers deze smetvrees voor het vreemde zouden doortrekken naar onze traditioneel internationalistische houding en onze inzet voor vrije handel, open grenzen, internationale samenwerking en supranationaal bestuur. Zoals de Britse econoom Simon Wren-Lewis stelt in zijn blog over het thema laat neoliberalisme zich ook slecht met tribalisme verenigen:

Neoliberalism tends to favour a more internationalist outlook (e.g. free movement of labour, low tariffs etc). When neoliberalism is discredited, this potential contradiction on the right becomes more evident. This is emphasised when politicians on the right use identity politics to deflect attention from the consequences of neoliberalism.

Met de afwijzing van het associatieverdrag oogst de Nederlandse politiek in het algemeen, en de VVD in het bijzonder, de rancune en het onbehagen dat ze zelf jarenlang politiek heeft uitgebuit.

Links radicalisme
Van de links radicale stroming in de politiek is in Nederland vooralsnog weinig sprake. Quiggin denkt daarbij vooral aan links radicale groepen die in de nasleep van de kredietcrisis zijn opgekomen, zoals Syriza en Podemos, of radicale politici die het opeens goed doen in gevestigde partijen, zoals Jeremy Corbyn in het Engelse Labour, of Bernie Sanders in de Democratische voorverkiezingen. (Nederlandse linkse partijen passen slecht in deze lijst. Het biefstuksocialisme van de SP kiest meer voor het tribale “eigen arbeiders eerst”, en GroenLinks voor een softe variant van het neoliberalisme.) Geen van deze groepen heeft voorlopig een overtuigende oplossing, maar ze leggen wel de vinger op de juiste plek: drie decennia neoliberaal beleid heeft voor grote delen van het electoraat bitter weinig opgeleverd. De welvaart die het neoliberalisme beloofde met haar liberalisering van markten en globalisering van de economie gaat aan grote groepen gewone burgers voorbij. De Panama Papers roepen een beeld op van een internationale elite van superrijken die zich onttrekken aan de nationale regels van gewone stervelingen en die de nationale staten waarin ze opereren behandelen als wingewesten waaruit zoveel mogelijk winst moet worden onttrokken. Dat is niet de wereld die mensen werd voorgeschilderd toen dit neoliberale experiment begon en daarom trekken ze bij iedere mogelijke gelegenheid aan de noodrem. Ook als dat niet direct een oplossing biedt voor hun onbehagen, zoals bij de afwijzing van het associatieverdrag met Oekraïne.

Geef een reactie

Laatste reacties (58)