3.575
28

Lid Stadsdeelcommissie Amsterdam West (PvdA)

Namens PvdA zit ik in de Stadsdeelcommissie Amsterdam West. Ik werk al jaren binnen Justitie en Jeugdzorg.

Het leed is niet convertibel en de schuld niet af te kopen

De keus is nu aan ons. Willen wij een “kleurblinde” wereld, de rechtvaardigheid voor elk van ons, dan laten we dat geld even liggen, alstublieft

George heette hij. Een gemoedelijke man, gekleed in meer rimpels dan geleefde jaren, en twee diepe, donkere irissen waarachter zich een eeuwigheid durende lijdensweg verschool.

Dat hij zwart is zie ik niet. Ik ben blij dat ik een goede schilder heb gevonden die ik ook betalen kan. Sleutel van huis, toegang tot al de voorraad in de koelkast, koffie, thee…

“Wil je wat eten, drinken, gewoon pakken.”

Als kind en mens groei ik op in een land dat de eerste voorzitter van de Niet-Gebonden landen levert: Josip Broz Tito. Mijn schilder en ik zijn gelijkwaardig. Zowel zijn als mijn land (van herkomst) doen mee aan de beweging. Wat ons bindt, overstijgt de huidskleur, de cultuur of de religie. Het is de lust naar de vrijheid, solidariteit en verlichting. Door middel van “actieve vreedzame co-existentie” tegen de “Koude Oorlog”, tegen de terreur van geld, bezit en heersen, onderdrukking…

herstelbetalingen
Slavernijmonument Rotterdam | cc-foto: Wikifrits

In de twintig jaar dat mijn voetstappen over de Nederlandse bodem slenteren, ben ik nauwelijks een (Oude of Nieuwe) Nederlander tegen gekomen die iets weet van de Niet-Gebonden landen. Ook weinigen die in ons eigen land kamp Westerbork ooit bezocht hebben of haar verhalen kennen. Het lot van de Schokland bewoners, een UNESCO Werelderfgoed treurig verhaal, ook dat lijkt de meesten te ontgaan. Het Veenhuizen Museum, het barre leven van de Veenkoloniën, de recente expositie Vondelingen in het Stadsarchief van Amsterdam… Nee. Men weet het niet. Doch wemelt het van oordelen, links of rechts.

Wellicht schiet mijn observatie tekort, maar ik mis een brede beschouwing van zaken. Het gaat er steeds meer om wat we menen in plaats van wat we weten. Het moet ook snel en kort, twitter bepaalt het tempo van de media en alles moet in het maximaal aantal woorden. Zaken worden uit de context gehaald, losse items gaan een eigen leven leiden en vaak zijn we gebiologeerd door de mening over de mening. De moralisten delen zweepslagen uit en wij hebben daar weer een mening over. Zoals Inez Weski het zegt: “Er is niet veel ruimte meer voor ontdekking, voor de diepte, het reliëf. Het is nu oppervlakkig. Het maakt dat feiten niet veel meer tellen.”

Niet alleen Weski, ook Arnon Grunberg, Stine Jensen en Leo Lucassen deden mij denken aan George. Waarom vertel ik u zo.

De wanden waren inmiddels keurig wit. Zijn pedante handen zijn druk bezig met de randjes en de hoekjes wanneer ik ze van de ladder afhaal om een kop koffie te gaan drinken. Samen. Ik net terug van mijn werk, hij nog druk bezig met het zijne.

Eenmaal op de grond is zijn kwast nog nat wit. In de linkerhand draagt George een halfleeg emmertje verf, met de rechterhand manoeuvreert hij richting de aangeboden koffie. Met kwast en al. Plots vallen er druppels van af, een paar. Op mijn schoen. George knielt. Zijn blik verstijft. Bevende vingers vegen de witte druppels van mijn schoen. George likt de vingers af, slikt de verf in, een overvloed aan “sorry” dreigt over te slaan in huilen. Zijn onderdanigheid verlamt mij acuut. Voor het eerst voel ik me wit. Voor het eerst zie ik dat hij zwart is. Het is het zwart dat niet voor de kleur staat maar voor de positie, ten opzichte van elkaar. De scheidslijn tussen “hoog en laag”. De oppermacht versus afhankelijkheid. Onderdanigheid. Anders dan Romana Vrede: ‘Ik zie niet dat ik zwart ben. Dat zie jij’, ziet en plaatst George zichzelf wel degelijk zwart. Het schrijnende zwart als minder waard. Wat hem bij zijn geboorte ingeprent was. Wat hij als een permanente wikkeldoek draagt. Als baby, jongen, als man in zijn overtocht van ellende naar hoop, in zijn asielzoeker zijn en nu tegenover mij. Mij. Ik wenste dat ik nooit als wit geboren was.

Ons huidige gevecht tegen racisme zie ik als een gezamenlijke strijd tegen alle generaliserende en stigmatiserende vormen van hoe wij naar elkaar kijken, met elkaar (wel of niet) omgaan en waarmee wij onze kinderen (lijken) niet meer (te) willen voeden. Voor eens en altijd rukken wij de ongelijkheid uit ons midden. Wat er over zal blijven is het (wederzijdse) begrip en het besef dat sommige gedachten (en daden) racistisch zijn en kwalijk. Omdat ze als zodanig leed berokkenen en daarom wij met zijn allen zeggen: Nee! Dit doen wij elkaar niet meer aan!

En toen marcheerde de kwestie over geld de kamer in.

“Ook Nederland ontkomt niet aan enige vorm van herstelbetalingen voor zijn slavernijverleden of voor het etnisch profileren door de politie, meent Arnon Grunberg”

Welk Nederland?, vroeg ik me af. Ook het (witte) deel dat zelf verscheidene vormen van ontmenselijking en onderdrukking, honger, leed en vernedering heeft moeten doorstaan? De Oude zowel als de Nieuwe Nederlanders, bedoel ik dan. Een volk, alle burgers van een land aanwijzen als schuldigen en van hen de boete opeisen jegens hen volkomen vreemd en ver verleden, is dat niet juist een soort “etnisch profileren”, waar Grunberg herstelbetaling voor bepleit?

“…Een compensatie die zoals gesuggereerd altijd ten dele symbolisch zal blijven. Maar het symbool waarmee men de eigen wandaden erkent, is een niet onbelangrijke tegemoetkoming.”

Welke “eigen wandaden”, Arnon? Wie wordt hier waarvoor berecht? Onterechte beschuldigingen vernederen een ieder, geloof mij, en niet alleen “zwarte Nederlanders” en “Marokkaans Nederlandse jongeren”.

“Jij moet een bepaald niveau van rechtvaardigheid te proberen te handhaven. Ongeacht de meuten…”, zei Weski.

Hoe Inez? Ons hele racismedebat dreigt nu overgenomen te worden door juist veel te veel onrechtvaardigheid. “De meute” roept van alles, wijst met de vinger, beschimpt elkaar, en daar waar de tolerantie en vreedzaamheid zich moeten nestelen, groeit het tegenovergestelde. Eng en pijnlijk. Bovendien bekruipt ons een soort selectieve verontwaardiging. “Als Bouva aangeeft dat zij het niet zou toejuichen als haar dochter met een wit vriendje zou thuiskomen…” of aangeeft dat in zulke relaties „de zwarte gemeenschap het onderspit moet delven” en „haar cultuur zou kunnen verwateren”, dan staan wij niet op om deze gedachten als racistisch te veroordelen. “Ik probeer mij in Bouva te verplaatsen”, zei Jensen en neemt ons mee in de mogelijke verklaring van Bouvas gedachten. En dan denk ik, waarom doen wij allen dat niet? “De diepte, het reliëf” van Weski meer ruimte geven, elkaar bevragen welke (goede) reden een ieder heeft om te denken en te doen zoals hij of zij doet, Wit of Zwart. Of Bruin, zo noemt Stine Jensen een niet-witte huidskleur. En ik dacht vindt Peggy Bouva die kleur wel goed of wordt ze liever als Zwart gezien? Of liefst geen kleur? Ik zou dat graag willen weten.

Leo Lucassen inspireerde mij met zijn artikel over “Kleurenblinden”. George zag mij als wit, ik hem op een gegeven moment als zwart, hoewel wij veel meer gemeen hebben, vrijwel alles op onze huidskleur na. Die in feite geen enkele verschil maakt en moet niet maken.

Ook ons verre verleden hoeft ons heden niet te sturen en te bepalen. De keus is nu aan ons. Willen wij een “kleurblinde” wereld, de rechtvaardigheid voor elk van ons, dan laten we dat geld even liggen, alstublieft. Ik ben bang dat die herstelbetalingen mensen tegen elkaar kunnen opzetten die eigenlijk elkaars bondgenoot zijn. Verwondingen die wij elkaar aanricht(t)en, op welke manier dan ook, die helen moeizaam en met de symbolen als “herstelbetalingen” ook niet. Het leed is niet convertibel en niet af te kopen. Never en nooit. Beweren we anders, dan hoeven de rijken zich geen zorgen te maken of zich in te houden. Hun onschuld kopen ze zo.

Voordat ons gevecht tegen racisme in doofpot belandt, terwijl wij nog lang niet uitgepraat zijn, moest ik deze nog even kwijt.

Geef een reactie

Laatste reacties (28)