680
25

Beeldend kunstenaar en schrijver

Jimini Hignett is beeldend kunstenaar en schrijver. Zij was woon en werkzaam in onder meer Moskou, Havana en New York. Haar werk behandelt de rol van het geëngageerde kunstenaarschap in tijden van crisis. Zij publiceerde onder meer ‘How To Go On Making Art When Everything Is All Fucked Up’ (2008) en ‘The Detroit Diary’ (2010), dat in 2011 the Best Swiss Book Award won. Haar scenario ‘Het portret van Natasha’ kreeg in 1990 de eerste prijs toebedeeld op de IDFA Amsterdam.

Het oudste beroep

Occupy Campaign #6: Het is niet binnen de Occupy gemeenschap dat ik mij onveilig voel, dat ik me lastig gevallen voel – het is in de wereld daarbuiten dat ik voortdurend oploop tegen de alom geaccepteerde objectificatie van vrouwen

Dit weekend voert een uit de Occupy-beweging voortgekomen tak met de naam ‘Occupy Campaign’ actie in onder meer de Jan van Galenbuurt in Amsterdam. Dat gebeurt naar Amerikaans model: met folders, banners, een huis aan huis team en een phonebank. Zie: www.occupycampaign.nl. Joop publiceert een aantal teksten van betrokkenen over Occupy, over de maanden op Beursplein, de doelstellingen van de Occupy beweging, dilemma’s en scenario’s voor de toekomst. Hier Jimini Hignett over Occupy en vrouwenemancipatie.

Hoewel sommige media proberen de Amsterdamse tak van de Occupy beweging af te schilderen als niets dan een broeinest van criminaliteit, smerigheid en onveiligheid was het juist een van de meest positieve aspecten van het leven op het Beursplein dat er voor de mede-Occupyers gezorgd werd. Er werd opgelet dat niemand onderkoeld raakte, of overstuur, dat het eten bij iedereen terecht kwam, enzovoorts. Gedurende de nacht werd er door het deëscalerend optreden van de ‘peacekeepers’ de rust en veiligheid bewaakt (die overigens veelal van buitenaf verstoord werd, met name bezoekers van de Rosse Buurt en de studenten sociëteit zorgden voor agressiviteit). Voor voorbijgangers en bezoekers van het Beursplein kamp was deze zorgzaamheid een van de meest opvallende zaken – zij staat in schril contrast met de ontbrekende zorg in de samenleving in brede zin en was een wezenlijk onderdeel van het politieke engagement van Occupy. Hier wordt een poging ondernomen om op inclusieve wijze zorg te dragen, zonder de verantwoordelijkheid af te schuiven op anderen.

Maar, wandelend over het Occupy terrein met activistische vrienden uit de V.S., valt het hun op dat er geen actieve feministische aanwezigheid is. Het is waar, in tegenstelling tot andere Occupy’s – in Spanje, of V.S. bijvoorbeeld – heeft de strijd om seksueel gelijkheid geen prominente positie op de agenda hier in Amsterdam. In dit land zijn vrouwenrechten een gegeven, iets waar we ons niet meer om hoeven te bekommeren. Het is een gevecht waarvan wordt verondersteld dat het allang gewonnen is, een gewonnen gevecht dat nu opzij geschoven kan worden om plaats te maken voor belangrijkere zaken.

Wij dwalen af richting de Rosse Buurt. Beïnvloed door de repressieve seksuele moraal van de V.S., zien mijn Amerikaanse vrienden de liberale Nederlandse ‘tolerantie’ als iets om na te streven. In de duistere portiek van de Banana Bar, vangt de portier, die eruit ziet alsof hij in geen jaren daglicht heeft gezien, professioneel de aandacht van een jonge voorbijganger. Hij ratelt rap het lokpraatje af: voor 45 euro mag je zo veel drinken als je kunt in een uur, de drankjes worden door naakte meisjes geserveerd, die staan op de bar, en als je ze geld geeft dan doen ze iets. Hij wijst in de richting van de banaan op het uithangbord. Dan somt hij snel de voorstellingen op – Vrouw met man, twee vrouwen, twee mannen met één vrouw, vrouw met gorilla, etcetera.

Het begint donkerder te worden, er lopen meer mannen over straat. Een sterke biergeur stijgt op als we een handvol mannen passeren die in een kluitje voor de ingang van een andere live show staan. Dit zijn dezelfde jonge mannen die, vol bier en bravoure, Occupy s’nachts lastig vallen. Het zijn dezelfde jonge mannen die, struikelend door het aan slaapgebrek lijdende kamp, luidkeels dreigen bakstenen te gaan smijten of tentjes in de fik te gaan steken. Meestal blijft het bij het doorsnijden van scheerlijnen.

Er is veel gesproken over hoe de minigemeenschap van het Occupy kamp als een spiegel voor de grotere gemeenschap gezien kan worden. Als dat zo is dan blijkt óns kamp een spiegel voor de dichtstbijzijnde wijk, de Rosse Buurt: een van de tenten werd geëxploiteerd door een jonge prostituee. De tent werd binnen enkele minuten nadat dit bekend werd, en zonder het gebruikelijke collectieve debat, leeggehaald en afgebroken. Er was in dit geval een overheersende opvatting die elk debat onnodig maakte: prostitutie bleek simpelweg iets onacceptabels.

Maar wàt was er nou precies onacceptabel? Het gebruik van het Occupy kamp voor kapitalistisch gewin? Of gaat het om het idee dat de aanwezigheid van een prostituee werkend in het kamp een onveilige sfeer creëert – verbonden aan het idee dat vrouwen die in de openbare ruimte in tentjes slapen hun lijven beschikbaar maken voor mannen? Of gaat het hier simpelweg om het eeuwenoude stigma van de prostituee als slechte vrouw?

Achteraf is het argument te voorschijn gehaald dat zij de idealen van Occupy niet promootte, dat zij haar aanwezigheid (haar lijf) niet gebruikte als medium voor protest, maar dat zij enkel gebruik maakte van de situatie (en van het haar gedoneerde tentje) als een plek voor haar werk. Misschien is dat waar. Alhoewel ik me ook goed kan voorstellen dat het kamp een veiligere plek was dan de auto’s en de vergeten uithoeken die normaal de aangewezen plekken zijn om klanten af te werken. In ieder geval, zij was de eerste die van het kamp verwijderd werd vanwege een gebrek aan activistische intenties – eenzelfde redenering zou later gebruikt worden om andere niet-activisten van het Beursplein te doen verdwijnen.

Ik vlucht naar huis, wanhopig op zoek naar een nachtje ononderbroken slaap. Helemaal gesloopt maar met nog te veel adrenaline van de avond om naar bed te kunnen gaan, zet ik de TV even aan. De afstandsbediening is nog steeds naar de klote dus moet ik handmatig de kanalen wisselen. Al zappend beland ik in het voorbijgaan bij iets dat Cupido TV heet. Het verafschuwd en intrigeert me tegelijk. Een lenige blonde dame op mijn scherm suggereert dat het meisje dat naast mij woont en dat net achttien is geworden, en over wie ik natuurlijk vaak fantaseer hoe het zou zijn om seks met haar te hebben, nu ook zit te fantaseren over seks met mij. Voordat ik doorzap wordt mijn aandacht gevangen door de volgende reclame waarin een stem met overdreven Surinaams accent de kijkers aanmoedigt om de telefoon op te pakken en deze ‘wilde vrouwen’ te ‘temmen’. Raciale stereotypering is ook iets waar we hier tolerant over doen. Racisme is zo passé.

Onlangs werd Vincent Tabak – een architect die opgegroeid is te midden van een cultuur die dit soort ‘openheid’ als het toppunt van tolerantie ziet – veroordeeld voor de moord op zijn buurvrouw. Hij had haar nooit gesproken, maar hij had zich verbeeld dat zijn seksuele interesse in haar wederzijds was. Zij verzette zich tegen zijn avances waarop zij door hem werd gewurgd. Waarom is de link tussen deze twee gebeurtenissen zo veel controversiëler en marginaler dan die tussen de bloedbaden op scholen en supermarkten en gewelddadige videospelletjes? Waarom wordt Tabak’s gewoonte om porno te kijken enkel aangegrepen om zijn persoonlijke schuld te bevestigen en leidt het niet tot hernieuwde debatten over de link tussen (gewelddadige) porno en geweld tegenover vrouwen?

Terug bij Occupy. Ik poets mijn tanden buiten met een bekertje water. Terwijl ik in de goot spuug, word ik ervan bewust dat deze activiteit een duidelijk teken is dat ik hier ga overnachten. Nerveus gemaakt door de aanhoudende blikken van mannelijke voorbijgangers neem ik expres een omweg door het kamp voordat ik mijn tent weer inga.

s’Ochtends, wanneer ik gebruik maak van het toilet in een vriendelijk, beetje artistiek café, word ik aan beide kanten van de wc-deur geconfronteerd met een reclameposter met daarop een foto van een jonge vrouw. Zij is slechts gehuld in een billenvertonende, met kant versierde string. Terwijl zij me uitdagend aankijkt over haar schouder proclameert de tekst op de poster: “I don’t give a shit, as long as he buys me Saph lingerie”. Gelukkig past mijn Zwitsers zakmes in de schroeven die de poster op zijn plek houden.

Het is niet binnen de Occupy gemeenschap dat ik mij onveilig voel, dat ik me lastig gevallen voel – het is in de wereld daarbuiten dat ik voortdurend oploop tegen de alom geaccepteerde objectificatie van vrouwen. Een objectificatie die zo normaal is geworden dat het gevoelens van kwetsbaarheid en vernedering alledaags doet lijken. Alsof het een normale staat van zijn is, een ‘natuurlijk’ fenomeen. Feminisme is zo passé.

En toch, tot het moment dat Occupy deze zaken net zo serieus neemt als de andere onrechtvaardigheden, zal de echte veiligheid van het kamp – de veiligheid van gedeelde idealen en bekommernissen – een illusie blijven. De hoeveelheid vrouwen in het kamp zal blijven afnemen. Er zal een leemte blijven bestaan in ons engagement, en we zullen er allemaal keurig omheen proberen te navigeren en ondertussen doorgaan alsof alles in orde is. Want omgaan met onze eigen vooroordelen vereist het om dieper te graven in vooronderstellingen over de betekenis van tolerantie dan waar veel Occupiers – zowel mannen als vrouwen – vooralsnog toe bereid zijn.

Bekijk hier de Occupy Campaign website

Geef een reactie

Laatste reacties (25)