Laatste update 20:27
2.721
22

eindredacteur Joop

Francisco van Jole is journalist en eindredacteur van Joop.
Verder is hij politiek commentator bij De Nieuws BV en presentator van Draad, een politieke talkshow in Arminius te Rotterdam.

Hoe Facebook een Frankensteinmonster kon worden

Wie beweert dat iedereen journalist is, moet niet gek staan te kijken als op den duur het onderscheid tussen journalistiek, propaganda en verzinsel voor de consument inderdaad niet meer duidelijk is

cc-foto: Insomnia Cured Here

Mark Zuckerberg zegt sorry. Het ‘sociale’ netwerk Facebook dat hij ooit begon voor jongens die over te weinig sociale vaardigheden beschikken om meisjes te versieren, is verworden tot een Frankenstein-achtig machine die democratieën bedreigt, het privé-leven van gebruikers exploiteert en de journalistiek verwoest. Sorry.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Is dat louter en alleen de schuld van Zuckerberg? Of komt het ook door wat we denken dat internet is? Het antwoord op die laatste vraag is wat mij betreft ja, anders zou ik dit stuk niet schrijven.

Je kunt je het nu misschien niet meer voorstellen maar het probleem met internet was ooit dat eigenlijk niemand wist wat het was. En wie het verhoor van Zuckerberg door de Senaatscommissies zag, weet dat er nog steeds politici zijn die het ook nu nog niet helemaal weten. Ja natuurlijk, internet is de moeder aller netwerken van computers. Maar wat wil dat zeggen? Is het een medium? Een communicatiemiddel? Een techniek?

Halverwege de jaren negentig werd die vraag nijpend omdat de vraag rees in hoeverre wettelijke beperkingen, die bijvoorbeeld voor tv-stations waren bedacht, van toepassing waren op de online wereld. In de VS leidde dat tot de Communications Decency Act, een zeer omstreden wet die trachtte te reguleren – of zo je wilt censureren – wat er ook online mocht verschijnen. Op basis van de gedachte dat er niet veel verschil is tussen een tv-scherm en een computerscherm. Daarbij ging het natuurlijk om seks. Dat mag niet op tv vertoond worden, dus waarom wel op internet?

Als je die vraag wilde beantwoorden, moest je bepalen wat internet eigenlijk is. Of in dit geval: wat is een provider precies? Kon je die vergelijken met tv-stations en uitgevers? Oftewel waren providers informatieverspreiders die verantwoordelijk zijn voor wat ze verspreiden? Of waren providers juist meer te vergelijken met telefoonmaatschappijen? Die verspreidden immers net zo goed informatie, de inhoud van telefoongesprekken, maar konden daar nooit verantwoordelijk voor gehouden worden.

Uiteindelijk werd het debat beslist in het voordeel van de tweede vergelijking. Niet alleen in de VS maar ook in andere westerse landen. Het idee wat internet is, werd zo gevormd. Providers kunnen niet verantwoordelijk gehouden worden voor hun gebruikers. En die gebruikers kunnen gewoon anoniem hun ding doen. Oftewel: niemand is ergens verantwoordelijk voor, zo lang je de wet maar niet overtreedt.

Het was een grote overwinning voor de online vrijheid. Althans dat leek het. Niemand kon toen bevroeden hoe anders dat twintig jaar later zou uitpakken. Google bestond nog niet, Facebook evenmin. Internet was nog niet zozeer het domein van de facto monopolies wat het nu is.

Als er toen anders was beslist, had internet er nu waarschijnlijk anders uitgezien. Want metaforen, zoals internet is als een telefoonmaatschappij, bepalen nu eenmaal hoe je over abstracte zaken denkt en ze uiteindelijk vorm geeft.

Als het debat een andere richting uit was gegaan was Facebook, zoals we dat nu kennen, nooit ontstaan. Facebook is inmiddels voor veel mensen ‘het internet’ en heeft de status van provider. Het bedrijf is nergens verantwoordelijk voor, behalve voor winst. Doordat Zuckerberg de positie van provider inneemt kan hij zijn gebruikers allemaal verhalen met elkaar laten delen zonder zich ooit te hoeven afvragen ‘waar zijn zij mee bezig?’ of liever nog ‘waar ben ik mee bezig?’ Hij hoeft er alleen maar geld aan te verdienen. En dat doet hij dan ook: miljarden. Hij is er een van de 5 rijkste mannen ter wereld mee geworden.

Facebook is voor veel gebruikers een soort knipselkrant waar ze hun nieuws vandaan halen. De nieuwsartikelen komen uit tal van bronnen en worden op verschillende manieren gepresenteerd maar voor de onwetende gebruikers is het allemaal Facebook. “Dat las ik op Facebook.” De werkelijke bron is voor veel mensen net zo irrelevant als de vraag waar het water uit de kraan precies vandaan komt, of de elektriciteit uit het stopcontact.

Facebook is daarmee een nieuwsmedium dat zelf geen nieuws produceert, geen redactie noch journalisten in dienst heeft. Het parasiteert op de nieuwsindustrie met maar een doel: reclames verkopen. En waar komt dat reclamegeld vandaan? Ja, dat is het geld dat voorheen naar media ging die wel journalisten in dienst hebben. Facebook heeft de nieuwsindustrie gekoloniseerd, maakt zo een hele bedrijfstak kapot en kan dat doen vanwege de manier waarop wij over internet en providers denken. Het verdient aan de – dure – journalistiek, zonder er zelf een cent aan uit te geven. Het is digitale roofbouw.

Niet alleen Facebook ondergraaft de journalistiek maar onder invloed van het dominatie denken – ‘technologie is altijd goed en waardeneutraal’ – zijn zelfs veel journalisten meningen toegedaan die hun eigen vak om zeep helpen. Toen rond de eeuwwisseling het webloggen als fenomeen snel terrein won en de boze burger online van zich deed spreken, vatte het idee post dat met de komst van internet eigenlijk iedereen journalist is geworden. Het is een opvatting die bijvoorbeeld Mark Deuze, voormalig Telegraaf-journalist en nu hoogleraar Mediastudies aan de UvA, verkondigde, zoals hier in 2006:

Journalistiek lijkt niet meer nodig omdat iedereen journalist is. De journalistiek lijkt overbodig omdat de samenleving steeds meer een redactioneel karakter krijgt, waar iedereen voortdurend met elkaar in nieuwsvergadering zit om te besluiten wat de meest belangrijke en relevante informatie van de dag, het uur of het moment is.

Wie beweert dat iedereen journalist is, moet niet gek staan te kijken als op den duur het onderscheid tussen journalistiek, propaganda en verzinsel voor de consument inderdaad niet meer duidelijk is. Ja natuurlijk, journalistiek is een vrij beroep, iedereen kan zich zo noemen en dat is een groot goed. Maar of je ook echt journalist bent, wordt toch vooral bepaald door je werkwijze.

De discussie in de jaren negentig ging – terecht – over vrijheid, en de enige macht die ter discussie stond was de macht van de staat. Google en Facebook zijn inmiddels machtiger dan staten. Ze weten meer van burgers dan regeringen en ze bepalen de vrijheid van de burger. Van de wet mag ik naar blote tepels kijken, van Facebook niet. En naar nu blijkt, gaat het niet alleen om tepels.

De actuele discussie gaat natuurlijk over of Facebook deze crisis overleeft en of Zuckerberg, die naar het schijnt presidentiële aspiraties heeft, kan aanblijven. Dat is allemaal belangrijk maar het zou ook goed zijn als we onze opvattingen over wat internet is en wat we er mee willen nog eens tegen het licht houden. We dachten dat de ultieme online vrijheid ons zou beschermen tegen foute machthebbers, nu heeft dat principe er toe geleid dat er dankzij Facebook juist zo’n foute machthebber in het Witte Huis terecht is gekomen. Die ook nog eens de schurft heeft aan echte journalisten. Dat was toch niet de bedoeling. Om maar weer eens een metafoor te gebruiken: we zijn in een wereldwijd web verstrikt geraakt

Geef een reactie

Laatste reacties (22)