Laatste update 18:32
11.926
296

Natuurkundige

Jelmer Renema is natuurkundige. Sinds 2011 is hij promovendus natuurkunde aan de universiteit Leiden, in de quantumoptica. Verder is hij politiek actief binnen de Partij van de Arbeid, Hij schrijft over de politiek van de VS, het neoliberalisme en conservatisme in Nederland en wetenschapsbeleid.

Hoe het populisme zich uitbreidt van de allerarmsten naar de modaalverdieners

En hoe we Wilders van tientallen zetels terugbrengen naar de paar die de Centrumdemocraten in de jaren ’90 hadden

In anderhalve week Brexit heb ik meer zinnige dingen gelezen over populisme dan in een dik decennium Fortuyn-revolutie. De Nederlandse pers kan of wil niet begrijpen waar het populistisch sentiment vandaan komt. Veel van hen staan of sympathiek tegenover Wilders of zijn gewoon doodsbang voor ‘m. Daarom blijven ze maar zijn verhaal pushen, dat er op neer komt dat het allemaal een cultureel probleem is: een strijd tussen de monoculturele burger en de multiculturele elite.

Wat ik geleerd heb van Brexit is dat er juist ook een sterke economische kant aan het populisme zit. Je moet immers een minimum aan welvaart hebben om van de voordelen van Europa te kunnen genieten. Simpel gezegd: waarom zou je als werkende arme iets geven om studenten die een jaar naar het buitenland willen, als je zelf niet eens een retourtje Groningen-Amsterdam kunt betalen?

Als je nooit op vakantie kunt, wat heeft de euro dan voor praktische betekenis? Als je iedere dag rijst met prutje eet, wat zou het jou dan dat de Stilton duurder wordt door Brexit? Geen wonder dat in het Brexit-referendum economische argumenten niet aansloegen: als je niets te verliezen hebt, waarom zou je je dan druk maken over de economische toestand van je land?

Dit soort vragen raken het hart van de sociaaldemocratie, en het is daarom schandalig dat niemand op links hier mee bezig is, verblind als we zijn door Wilders’ verhaal van allochtonen versus autochtonen. De cruciale uitruil waar de sociaaldemocratie om draait is deze: de arbeider krijgt een zekere mate van materiële welvaart. In ruil daarvoor krijgt de middenklasse zijn immateriële eisen: een goed universiteitssysteem, ontwikkelingshulp, subsidies voor de kunst, enzovoort.

Deze uitruil werkt zo goed omdat de armen mee kunnen genieten van de leuke dingen die de middenklasse voor die tijd voor zichzelf hield. Daardoor ontstaat er een gemeenschappelijk belang tussen arm en midden dat zorgt voor breed draagvlak voor een fatsoenlijk georganiseerd land. Bijvoorbeeld: als universitair onderwijs gratis is, heeft iedereen in het land er belang bij dat de universiteiten dan ook goed zijn. Als niemand honger hoeft te lijden, is iedereen bereid een beetje aan de armste landen bij te dragen. Enzovoort.

Deze uitruil ligt tegenwoordig op zijn gat. De middenklasse is ermee weg gekomen om alles op te eisen: zowel een economisch systeem dat hun belangen dient, met lage belastingen en weinig overheidsuitgaven, als de zeggenschap over de sociaal-culturele koers van het land. Dit is het wereldbeeld van D66, een partij die er af en toe aan herinnerd moeten worden dat niet iedereen in Nederland een huizenbezittende yup is.

Ze zijn daarmee weg gekomen omdat de sociaaldemocratie zijn doelen naar beneden bijgesteld heeft. In de afgelopen jaren zijn we gegaan van een overheid die iedereen helpt naar een overheid die er alleen voor allerzwaksten is. Uit angst om voor geldverkwisters uitgemaakt te worden, gingen de PvdA bijvoorbeeld steeds meer regelingen inkomensafhankelijk maken.

Dat verhoogt op papier de efficiëntie, omdat het geld terecht komt bij de mensen die het echt nodig hebben. Maar het is tegelijkertijd dodelijk voor het draagvlak, omdat niet iedereen van de regelingen profiteert. Als je dit te gek maakt wordt het onredelijk voor de mensen in het midden: wel de kosten, maar niet de voordelen.

Dat punt is nu bereikt. Immers, als je het gevoel hebt dat de overheid er niet voor jou is, waarom zou jij er dan voor de overheid willen zijn? Op een gegeven moment ga je je zelf dan de vraag stellen wat je voor je belastinggeld krijgt. Als je dan tegelijkertijd ziet dat de allerrijksten wegkomen met allerlei dubieuze belastingconstructies, dan is het logisch dat jij het gevoel krijgt dat je Gekke Gerrit bent als jij je wel aan de regels houdt. Zo kan het populisme zich uitbreiden van de allerarmsten naar de groep die  een a twee keer modaal verdient.

Rechts doet er alles aan om dit gevoel te versterken. Als Jort Kelder een boek schrijft over belastingontduiking, dan doet hij dat natuurlijk niet omdat hij dat echt een probleem vindt: de beste man heeft al jaren een potsierlijk ritueel, waarin hij zijn inkomen publiceert en vervolgens klaagt hoeveel belasting hij daarover moet betalen.

Het is algemeen bekend dat Wilders, toen hij nog bij de VVD zat, op economische kwesties de rechtsbuiten was. Toen hij zich van de VVD afscheidde pleitte hij voor een vlaktax. Al dat gepraat over oudjes in bejaardentehuizen is puur voor de bühne: het is bedoeld om het gevoel aan te wakkeren dat er voor iedereen gezorgd wordt, behalve voor de gewone man.

Op termijn ontstaat er zo een één-tweetje met de VVD, waar die partij de verzorgingsstaat verder afbreekt, wat Wilders meer koren op de molen geeft, enzovoort. Er zijn twee stabiele eindsituaties: een verzorgingsstaat voor iedereen, of een verzorgingsstaat voor niemand. Er is een klassieke sociaaldemocratische oplossing voor het populisme: een sterke overheid die er voor iedereen is.

En natuurlijk zal racisme niet spontaan verdwijnen als we deze koers volgen. Ook in de genivelleerde naoorlogse jaren waren er rassenrellen toen de eerste Turken in Nederland aankwamen. Wat het wel zal doen, is de steun voor Wilders terugbrengen van de tientallen zetels waar hij nu op staat naar de paar zetels die de Centrumdemocraten in de jaren ’90 hadden.

Dit stuk verscheen eerder op de Publieke Tribune.

Geef een reactie

Laatste reacties (296)