Laatste update 15:04
1.658
20

Onderzoeker en historicus

Onderzoeker en historicus. Onderzoeker van Afrikaanse historische emancipatie bij UNESCO. Promovendus aan het instituut voor geschiedenis in Leiden.

Hoe uniformiteit de samenleving beperkt en discriminatie in de hand werkt

Met de verkiezingen voor de deur lijkt het tijd om de kans te pakken om eens niet om de eigen navel te wentelen, maar de dynamiek van de Nederlandse samenleving kracht bij te zetten.

Slecht geïnformeerd conservatisme wil nog wel eens het idee aanmoedigen dat het nastreven van diversiteit hand in hand gaat met een achteruitgang van kwaliteit. In de werkelijkheid is het andersom, diversiteit is hard nodig voor kwaliteitsverbetering. Dat diversiteitsbeleid tot een kwaliteitsachteruitgang zou leiden is een argument wat tot in de oneindigheid wordt herkauwd. Het veronderstelt een valse tegenstelling en suggereert dat het bijna onmogelijk zou zijn om capabele vrouwen en minderheden te vinden. Daarnaast wordt er uit gegaan van een situatie van gelijke kansen tussen man en vrouw, minderheid en meerderheid, en dat is niet het geval.

Maar er is nog iets aan de hand: het idee van een uniforme samenleving en elite wordt verheerlijkt. Het idee dat het nastreven van diversiteit onherroepelijk een achteruitgang van kwaliteit met zich meebrengt suggereert namelijk dat uniformiteit een na te streven doel is. Dit terwijl we een meer diverse elite juist nodig hebben om de problemen in een steeds pluriformer wordende samenleving op te lossen. Uniformiteit op de werkvloer, in de politiek en in de wetenschap is geen deugd, maar een gevaarlijke institutionele tekortkoming en zorgt voor positieve discriminatie van de bevoorrechte groep. Wie kijkt naar de samenstelling van Nederlandse kabinetten, de wetenschappelijke elite en de top van het bedrijfsleven ziet meteen welke groep de bevoorrechte is en wie profiteren van positieve discriminatie.

Waarom is het dan gevaarlijk als de elite voornamelijk uit blanke mannen bestaat? Tijdens een aflevering van de DWDD-heimweeserie Het Lagerhuis was er een  debater die het in een kernzin prachtig wist samen te vatten. Shurendy Gerardus stelde dat we in onze samenleving diversiteit nodig hebben omdat je, als je allemaal hetzelfde bent, elkaar de moeilijke vragen niet stelt. Hij nam de bankencrisis als voorbeeld. In zijn boek over de Londense City bevestigt Joris Luyendijk dit beeld min of meer, hoewel hij ook benadrukt dat je in een 24-hour workday zo wordt gehersenspoeld dat je vanzelf hetzelfde wordt.

In een competitieve samenleving als de onze is uniformiteit geen deugd, maar een gevaar. Als we allemaal hetzelfde zijn is de kans dat we als lemmingen op de afgrond aflopen groter. Voor innovatie heb je mensen nodig die anders over dingen nadenken, de zogenaamde trailblazers. Juist daarom is het belangrijk om oog te hebben voor mensen die een andere achtergrond hebben, in de breedst mogelijke betekenis van dat woord. Een van de meest innovatieve en alom geprezen periodes van onze geschiedenis was de Gouden Eeuw toen er een rijkdom aan diversiteit bestond. Er woonden toen meer immigranten in Amsterdam dan nu het geval is en zij stimuleerden met hun aanwezigheid de handel en de cultuur.

Hoe zit het dan met positieve discriminatie van de heersende groep? Wanneer iedere politiek leider een man in een pak is, ga je bijna denken dat mannelijk zijn en het dragen van een pak een inherente kwaliteit is van leiderschap. Hoe onze leiders er in de praktijk uitzien, beïnvloedt hoe wij denken dat leiders eruit horen te zien. Omdat blanke mannen zo enorm zijn oververtegenwoordigd in de wetenschap, de politiek en het bedrijfsleven, wordt onbewust het idee gevoed dat intelligentie, doortastendheid en leiderschap dus kwaliteiten zijn die specifiek bij die bevolkingsgroep horen. Deze beeldvorming weerspiegelt zich in de realiteit van het carrière maken. Daardoor wordt het voor een  blanke man makkelijker om tot de top door te dringen. Immers, wat we zijn gaan zien als leiderschapskwaliteit is bij hem letterlijk aangeboren.

Dit wordt nog eens bevestigd doordat bijna alle filosofen, historici en andere grote namen die we onderwezen krijgen, blanke, meestal Europese, mannen zijn. Dit terwijl er een grote hoeveelheid aan diverse denkers bestaat. Dit voedt het idee dat het mannelijke blanke standpunt een universeel standpunt is. Soms wordt de keuze voor bepaalde denkers gemotiveerd door te stellen dat zij bij onze cultuur horen. Maar onze cultuur is aan verandering onderhevig. Hoewel de boeken van briljante mannen als Hegel en Rousseau natuurlijk niet uit het curriculum moeten verdwijnen, zou er misschien ook, in de juist historische context geplaatst, meer oog moeten zijn voor de racistische aspecten van hun denken, aspecten die we toch niet meer tot onze cultuur willen rekenen. Het curriculum zou vaker moeten worden aangevuld met belangrijke postkoloniale en feministische denkers, zoals Spivak en Lorde. Die laatste omschreef het anders zijn als een ‘dynamic human force, one which is enriching rather than threatening.’

Diversiteit is, conform de ideologie erachter, een breed begrip dat niet alleen op genderdiversiteit of de diversiteit van etnische achtergrond slaat, maar er bijvoorbeeld ook over gaat hoe belangrijk het is diversiteit van politieke kleur te stimuleren, of van gezinsachtergrond. Dit geldt voor het bedrijfsleven en de wetenschap, maar is nog veel belangrijker in de Tweede Kamer, die tot op zekere hoogte een afspiegeling zou moeten zijn van de bevolking. Niet omdat mannen niet in staat zouden zijn voor vrouwenrechten op te komen, maar bijvoorbeeld omdat mannen misschien moeite zullen hebben zich in te leven in de problemen rondom seksuele intimidatie. Ze zijn er zelf namelijk bijna nooit slachtoffer van. Beleid dat wordt gemaakt zonder inleving in degenen die door dat beleid worden getroffen, is zelden goed.

Daar staat tegenover dat beleid er vaak profijt van heeft wanneer ervaringsdeskundigen erbij worden betrokken. De situatie in onze overzeese gebiedsdelen en de onafhankelijke landen binnen het Nederlandse koninkrijk is hiervan een voorbeeld. Den Haag scheept topambtenaar met ‘een zwak ontwikkelt inlevingsvermogen’ naar Sint Eustatius , aldus het Antilliaans Dagblad van donderdag 2 maart. Den Haag lukt het niet om zich voldoende in te leven in de eilandcultuur om voor een vruchtbare samenwerking te zorgen, stelt de krant. Ook uit een rapport van het sociaal en cultureel planbureau uit 2015 blijkt dat de Caribische Nederlanders zich niet goed begrepen voelen. Den Haag legt regels op die niet bij de eilanden passen, vinden bewoners. Het voelt neokoloniaal, wellicht omdat het dat ook is. Er zijn dan ook nauwelijks Antillianen werkzaam bij de Buitenlandse Zaken. Een probleem wat zou kunnen worden verholpen door diversiteitsbeleid.

Ook in de Volkskrant stond een paar weken geleden een treurig stuk over onbegrip. PvdA-kamerlid Astrid Oosenbrug stopt ermee omdat ze zich als laagopgeleide ICT-er niet begrepen voelt door de rest van de kamer. Niemand nam de moeite zich echt in te leven in het ICT-beleid waar zij zich hard voor maakte. Ze kon zich bovendien niet goed genoeg aanpassen aan de gewenste uniformiteit van de kamer, met als gevolg dat haar innovatieve plannen voor de ICT-sector er nooit door zijn gekomen.

Het verheerlijken van uniformiteit door te stellen dat diversiteit en kwaliteit elkaar tegenspreken staat dus haaks op innovatie en vooruitgang. Wie het ‘partijkartel’ wil doorbreken moet meer doen dan de ene uniforme elite vervangen door een nieuw clubje waarbij iedereen op elkaar lijkt. Juist het Nederlandse coalitie-systeem leent zich erg goed voor pluriformiteit, dus waarom zijn we er zo bang voor? Met de verkiezingen voor de deur lijkt het tijd om de kans te pakken diversiteit in de Nederlandse samenleving te steunen door te stemmen op die partijen en personen die begrijpen hoe belangrijk het is eens niet om de eigen navel te wentelen, maar de dynamiek van de Nederlandse samenleving kracht bij willen zetten.

 

Foto: CC David Drexler

Geef een reactie

Laatste reacties (20)