3.167
58

Kinderpsychiater, auteur, columnist

Frits Boer was hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie bij het AMC. Hij is sinds 1 december 2009 met emeritaat. Hij is auteur van talrijke wetenschappelijke artikelen en boeken, zoals Angst bij kinderen, Slaapproblemen bij kinderen, Broers en zussen van speciale en gewone kinderen en Tussen de regels – 14 literaire meesterwerken (kinder)psychologisch bekeken (Houten: Lannoo Campus, 2011/2013).
In het blad Kind en Adolescent Praktijk heeft hij de column Psychobellettrie, waarin hij het psychologisch inzicht, dat literatuur te bieden heeft, onderzoekt.
Als student was hij redacteur van Hitweek, later Aloha. Ook was hij jarenlang popjournalist voor KRO-gids Studio.

Hoe vertellen we het de kinderen?

Kinderen groeien op in een samenleving waar dieren worden opgesloten en gedood voor de productie van vlees en zuivel

Door: Frits Boer, Pier Prins en Roos Vonk

Kinderen
cc-foto: Abumelle

Kinderen houden van dieren. Al vanaf negen maanden trekken dieren hun aandacht, terwijl vreemde mensen angst oproepen. Hond, poes, eend, paard, beer, vogel en koe horen tot de eerste vijftig woorden die peuters zeggen. Afgezien van mama en papa zijn dierennamen de meest gebruikte eigennamen in het vocabulaire van het jonge kind. Natuurlijk kunnen dieren ook angst of afkeer oproepen, of een dieronvriendelijke experimenteerdrang. Maar dieren zijn van nature belangrijk voor kinderen. Huisdieren zien ze als vergelijkbaar met leeftijdgenoten, ze praten ermee en delen zelfs geheimen. In veel gezinnen worden huisdieren als gezinsleden gezien, ook door het kind.

Tegelijkertijd groeien onze kinderen op in een samenleving waar dieren worden opgesloten en gedood voor de productie van vlees en zuivel. De beelden van kippenvergassingen, misstanden in slachthuizen en stalbranden illustreren het enorme verschil met onze huisdieren. Van nature zien kinderen dit onderscheid niet: een varken of kip is voor een kind niet minderwaardig aan een hond of kat. Terecht, want deze landbouwhuisdieren hebben niet minder intelligentie of minder gevoel dan huisdieren. Voor volwassenen geldt echter dat ze selectief minder gevoel toekennen aan eetbare dan niet-eetbare dieren; denk bijvoorbeeld aan varken versus hond. Dit verschil is ook aangetoond in gecontroleerd experimenteel onderzoek met fictieve dieren van een andere planeet, waarbij alle kenmerken van de dieren constant werden gehouden en alleen hun eetbaarheid werd gevarieerd.

De lagere waarde die wordt toegekend aan varkens, koeien en kippen, lijkt dus eerder te berusten op een rechtpraten-wat-krom-is waar kinderen nog geen last van hebben. Waar de empathie van volwassenen zich veelal beperkt tot huisdieren en schattige dieren op Facebook-video’s, is het meeleven van kinderen met dieren minder selectief en opportunistisch. Vanaf zes jaar ervaren ze dieren als wezens met eigen belangen en gevoelens en beseffen ze dat dieren pijn kunnen ervaren.

Wanneer kinderen ontdekken dat die leuke dieren van de kinderboerderij in de maaltijd worden verwerkt, is hun reactie vaak: ‘zielig!’ In plaats van met open vizier het gesprek aan te gaan over de productie van ons voedsel, zullen de meeste ouders liever van onderwerp veranderen of het dierenleed vergoelijken. Dit wordt aanzienlijk vergemakkelijkt doordat het buiten het gezichtsveld van de gemiddelde burger plaatsvindt en dieren voor de consument worden ontdaan van empathie-uitlokkende kenmerken, zoals kop (ogen) en vacht. Vissticks en kipnuggets blokkeren de weg naar elke gedachte aan dieren die hiervoor werden gedood.

Deze socialisatie van kinderen in een wereld waar sommige diersoorten gereduceerd zijn tot productiegoederen, heeft effect. Van nature voelen kinderen empathie met de meeste dieren, maar naarmate ze ouder worden, blijken ze zich minder te identificeren met eetbare dieren. De ‘moral disengagement’ waarmee volwassenen de dissonantie tussen hun empathie en hun eetgedrag opheffen, wordt uiteindelijk door kinderen overgenomen. Dat we kinderen afschermen van dit deel van de samenleving, gaat niet alleen ten koste van openheid, nieuwsgierigheid en bewustzijn van de gevolgen van eigen keuzes; het is ook in strijd met de leerdoelen in het Leerplan primair onderwijs. Die omvatten onder meer: ‘leren met zorg om te gaan met het milieu, en leren hoe veel voorkomende planten en dieren […] functioneren in hun leefomgeving’.

De meeste kinderen hebben, net als de meeste volwassenen, geen idee waar hun voedsel vandaan komt. Ze weten niet dat de kip die ze eten pas 6 weken oud was en de ham 4 à 6 maanden; dat koeien melk geven voor hun kalf dat na de geboorte direct bij de moeder wordt weggehaald; dat een ‘scharrelkip’ leeft in een grote loods met tienduizenden kippen op elkaar gepropt. Nog los hiervan komen ze ook niet in aanraking met het meer elementaire biologische inzicht dat mensen, dieren en planten een gezamenlijke leefomgeving vormen; en dat alles wat mensen doen met dieren en planten, een weerslag heeft op hun eigen leefomgeving. We zien dat aan de gevolgen van onze veehouderij voor klimaatverandering, een onderwerp dat juist voor onze kinderen van belang is omdat het hun wereld sterk zal veranderen en bedreigen.

Het is uiteraard niet aan het onderwijs hierin een moreel standpunt in te nemen, maar wel om te laten zien hoe ons voedsel wordt geproduceerd, wat de gevolgen hiervan zijn voor mens, dier en natuur, en dat er verschillend wordt gedacht over de weging van ieders belang in dit samenspel. Uiteindelijk zullen kinderen zelf hun keuzes maken. Maar dat kan pas als ze weten dat er iets te kiezen valt, en niet hun ogen hoeven sluiten voor de ongemakkelijke waarheden waarmee volwassenen hun toekomst hebben opgezadeld.

Frits Boer, emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, UvA.
Pier Prins, emeritus hoogleraar klinische kinder- en jeugdpsychologie, UvA.
Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie, Radboud Universiteit.

Geef een reactie

Laatste reacties (58)