1.463
35

Promovendus politicologie Leiden

Simon Otjes (1984) is promovendus politicologie bij de Universiteit Leiden. Daarvoor studeerde hij politicologie en filosofie van de sociale wetenschappen. Zijn onderzoek richt zich op nieuwe politieke partijen. Hij heeft een eigen weblog: cmonotjes.web-log.nl.

Homoseksualiteit is maar een seksuele oriëntatie

Het zou je maatschappelijke positie niet moeten bepalen

Met een persoonlijk verhaal kwam Monique Samuel deze week uit de kast. De Leidse politicologiestudente met een Egyptisch-Koptische achtergrond worstelde zich door haar scheiding terwijl haar publieke profiel groeide. CDA-minister Jan Kees de Jager, misschien wel de op twee-na-machtigste man van Nederland, maakte via de Telegraaf bekend dat hij een vriend heeft.

De reactie van veel seculiere progressieven was: zonde dat hier nou zo’n punt van gemaakt zou moeten worden. De seksuele oriëntatie van een publieke figuur interesseert me niets. Overigens zijn het vooral heteroseksuele mannen die zo reageren. Uit de reacties blijkt een vorm van welwillende desinteresse. De seksualiteit van mensen, en zeker van politici of opiniemakers moet er niet toe doen. Ik denk dat deze vorm van welwillende desinteresse het anders-zijn van homoseksualiteit ontkent. Uit de kast komen is voor (bijna) iedere homo een lastig proces. En de aanwezigheid van publieke aandacht kan daarbij helpen.

Ik kom uit een progressief, seculier gezin. Ik heb een lesbische tante, mijn ouders hadden homoseksuele vrienden die regelmatig over de vloer kwamen. En toch kan ik mij herkennen in het verhaal van Samuel – zonder te niet te willen doen aan de buitengewoon tragische kanten van haar verhaal. Ik ben pas op mijn 18e “uit de kast” gekomen, terwijl ik me al vanaf mijn vroegste jeugd realiseerde dat ik anders was, dat ik me – om de woorden van Samuel te gebruiken- niet prettig voelde bij de traditionele mannelijke heterorol. Iedere homo realiseert zich op één moment dat hij of zij anders is dan anderen, anders dan de norm, en zeker anders dan zijn eigen ouders. Mijn ouders hebben nooit een probleem gemaakt van homoseksualiteit, sterker nog ik heb nog nooit in mijn familie, op mijn werk, of op straat het gevoel gehad dat iemand een probleem had met mijn seksuele voorkeur. Maar de erkenning dat je anders bent dan de rest, afwijkt van de ‘norm’, dat is niet makkelijk.

Homo’s zullen altijd een minderheid vormen en een bijzondere minderheid. Vergelijk het eens met mensen met rood haar, mensen met een voorliefde voor asperges of mensen die in God geloven. Met rood haar wordt je geboren, maar je vader of je moeder zal ook rood haar hebben. Voor de rest heeft het hebben van rood haar geen invloed op je maatschappelijke positie. Een voorliefde voor asperges ontwikkel je gedurende je leven. Je vindt misschien asperges niet meteen lekker maar eet het toch omdat het hoort en dan ga je het lekker vinden. In God geloven, ten slotte, is niet iets waarmee je geboren wordt. Je wordt langzaam gevormd tot Christen of Moslim via heilige communies of Koranscholen. Voor veel mensen is geloven in God dan een bijzonder onderdeel van hun leven dat hen verbindt met een traditie in de familie. Vergelijk dit nu met homoseksualiteit: je wordt homoseksueel geboren, maar anders dan rood haar weet je dat niet meteen van jezelf. Je leert je eigen seksuele oriëntatie langzaam kennen; maar dat betekent, anders dan met asperges, niet dat je het langzaam leert waarderen: het is iets dat in je zit, dat wist je alleen niet. Ten slotte is het net als Christendom een belangrijk onderdeel van je leven, maar wel iets waardoor je juist sterk afwijkt van je eigen ouders.

En zelfs als je dan hebt geaccepteerd dat je anders bent, afwijkt, dan moet je ook nog met het predicaat “homoseksueel” om gaan. En dat is een predicaat met bagage: in de indrukwekkende HUMAN-documentaire “Help! Een homo in de klas” praten middelbare schoolleerlingen over homoseksualiteit. Een meisje vertelt dat ze homoseksuelen juist leuk vindt: ze kijkt met haar moeder met veel plezier naar Gerard Joling en Gordon op televisie. Homoseksualiteit betekent: Songfestival, Gaypride, Abba. Daar heb ik heel weinig mee. Moet ik als homoseksueel voldoen aan het stereotype van de Abba-liefhebber met een te strak roze truitje aan, of moet een lesbische vrouw voldoen aan het lesbische stereotype (stekeltjeshaar en kekke brilletjes, zoals Samuel beschrijft). Er zijn ook homoseksuele geeks, homoseksuele goths en homoseksuele jocks. Christelijke homoseksuelen maar ook Islamitische, homo’s die hun hele dag besteden aan kleding maar ook homo’s die liever met treintjes spelen.

En daarom is het zo goed als we over de seksuele oriëntatie van publieke figuren praten. Niet omdat het interessant is met wie minister De Jager of Monique Samuel een relatie hebben. Maar omdat het laat zien dat er homoseksuele Christenen zijn en homoseksuele ministers van Financiën (en niet alleen D66-woordvoerders cultuur). Homoseksualiteit is maar een seksuele oriëntatie en zou je maatschappelijke positie niet moeten bepalen. Maar iedere homoseksueel ondergaat een proces van zelfontdekking: wie ben ik? Met wie wil ik mijn leven delen? Ben ik een homo? Wat betekent dat als ik dat zeg? En dat schept voor progressieve politiek, die iedereen wil helpen om zijn eigen weg in het leven te vinden, een verplichting: om te laten zien dat er homo’s zijn. Maar ook dat er diversiteit onder homo’s is, omdat het maar een seksuele oriëntatie is: er is gay chique er zijn gay geeks. Dat doe je vooral voor die jongeren die in hun puberteit worstelen met hun ontluikende seksualiteit, voor getrouwde huisvrouwen die twijfelen over hun seksuele oriëntatie, om mensen die zijn opgevoed in een strenge religieuze traditie vol met “Gij zult” en “Gij zult niet” te laten zien dat homoseksualiteit anders is maar toch normaal, dat homo’s verschillen van hetero’s maar ook van elkaar.

We are all different … and there is something kind of fantastic about that.

Dit artikel verscheen eerder op de website van Simon Otjes

Geef een reactie

Laatste reacties (35)