4.889
56

Onderzoeker RADAR/Art1

Rita Schriemer studeerde Algemene Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Daarna werkte ze als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit en voor de gemeente Rotterdam. Haar interesse voor mensenrechten leidde naar een overstap naar RADAR/Art1, waarvoor ze nu ruim 10 jaar onderzoek doet naar (de aanpak van) discriminatie in Nederland.

Houden Nederlandse antiracisten racisme in stand?

De Brit Adrian Hart vindt van wel. Alleen als 'antiracisme' je baan is, denk je daar wel anders over. Maar doen we wel de juiste dingen?

In Trouw verscheen op zaterdag 8 november een interview met de Brit Adrian Hart, in het verleden actief in antiracisme, die betoogt dat de antiracismebeweging juist racisme in stand houdt. Het was een prikkelende bijdrage. Vooral omdat hij geen klassieke tegenstander is van antiracisme. Hij ontkent het bestaan van racisme niet. Wel is hij kritisch over de manier waarop racisme wordt geagendeerd en bestreden.
Rita Schriemer is in Nederland werkzaam in de wereld van antiracisme en antidiscriminatie. Ze legt uit waar voor haar de schoen wringt bij de huidige aanpak van racisme en discriminatiebestrijding.

In Nederland ontstond de antidiscriminatiebeweging uit antiracisten antifascisten die bezorgd waren over extreemrechtse bewegingen en politieke partijen in de jaren ’80. Deze antidiscriminatie pioniers verenigden zich in lokale vrijwilliger organisaties en deden onderzoek naar structureel racisme en acties van extreemrechts. Migranten vroegen deze organisaties om hulp bij hun ervaringen met racisme door werkgevers, huisbazen, woningcorporaties, politieagenten of buren. Individuele klachtbehandeling werd de core business van antidiscriminatieorganisaties. Door een professionaliseringsslag werd het werk steeds vaker verricht door beroepskrachten. De antidiscriminatiebureaus ontvingen overheidsfinanciering om dit mogelijk te maken. Diezelfde overheid verving antiracisme door algemeen antidiscriminatiebeleid in de jaren ’90. 

Meer dan 6000 meldingen per jaar

In het afgelopen jaar keert racisme prominenter terug op de menukaart van de antidiscriminatievoorzieningen. En volgens mij is dat terecht. Onderzoeken wijzen uit dat de maatschappelijke positie van etnische minderheden, ondanks kleine verbeteringen, achterblijft bij die van de autochtone bevolking. Een niet-witte huidskleur maakt de kans op werk kleiner, net als de kans op een stageplaats. De kans dat je als jongen met getinte of donkere huidskleur een discotheek binnenkomt is kleiner en de kans om door de politie aangehouden te worden juist groter. Rassendiscriminatie wordt in de onderzoeken aangevoerd en erkend als een van de oorzaken van deze verschillen.  

Bovenstaande onderzoeksresultaten legitimeren de keuze voor specifiek antiracismebeleid. Empirische data ook. Landelijk zijn er ongeveer 6000 meldingen van discriminatie. In het werkgebied van mijn organisatie vragen jaarlijks bijna 1000 mensen hulp en ondersteuning bij discriminatieklachten. Meer dan de helft van deze zaken gaan over racisme. Op individueel niveau zijn er soms ook successen te boeken. Door de interventies van mijn collega’s van de klachtbehandeling krijgen cliënten welverdiende verontschuldigingen voor horkerig discriminerend gedrag, worden relaties tussen buren of collega’s gerepareerd, oneerlijk beleid aangepast en soms worden zelfs contractontbindingen teruggedraaid.

Contraproductief

Tot zover het goede nieuws over het werk van antiracisten in Nederland. Waarom meen ik dat het werk van antiracisten in Nederland ook contraproductief kan zijn?  

De discriminatiemeldingen dienen ook een ander doel. Op mijn onderzoeksafdeling analyseren we deze gegevens en combineren ze met andere signalen, cijfers en onderzoeksdata over discriminatie. De belangrijkste discriminatieknelpunten agenderen wij vervolgens bij lokaal en landelijk bestuur. Die knelpunten manifesteren zich vooral op de arbeidsmarkt, binnen de dienstverlening (juist ook door de overheid!) en sinds kort de opinies in de media. 

Meldingen blijven achter bij ervaringen

In de cijferoverzichten verwijzen wij er dikwijls naar dat de meldingen maar het topje van de ijsberg laten zien. Adrian Hart bekritiseert deze beweringen, volgens hem kan niemand bewijzen dat deze aanname valide is. Anders dan Hart suggereert is uit Nederlands onderzoek zeker hard te maken dat meldingen achterblijven bij ervaringen. Lang niet alle klachten met discriminatieaspecten worden als zodanig geregistreerd (onderregistratie). Bovendien wordt maximaal 1 op de 8 discriminatie-ervaringen überhaupt ergens gemeld. Met name over deze onderrapportage zijn onderzoeksgegevens bekend. Dat laat onverlet dat de meeste mensen afzien van een melding omdat ze denken dat het niet helpt of ze het niet belangrijk genoeg vinden. Juist omdat we dat weten roepen antidiscriminatiebureau’s mensen op hun ervaringen te melden.

Dat roept de vraag op in wiens belang het is om discriminatie te melden, te agenderen en er beleid op te zetten. En daar zit het deel van de kritiek waar ik Hart, zij het schoorvoetend, gelijk in kan geven. Als mensen die racisme of discriminatie ervaren er persoonlijk geen brood in zien om er iets mee te doen, waarom zien antiracisten dat dan wel? 

Melden helpt antiracisten bij hun werk

Het voortbestaan van antidiscriminatievoorzieningen, die zich recent prominenter melden in het antiracismedebat, staat enorm onder druk. De wettelijke plicht van gemeenten om een voorziening te treffen waar mensen hulp en ondersteuning kunnen inroepen bij discriminatieervaringen wordt niet vanzelfsprekend belegd bij de klassieke antidiscriminatievoorziening. Het belang van dergelijke organisaties moet dan ook goed worden onderbouwd en dat gebeurt vaak met behulp van meldingencijfers. Het zijn in de eerste plaats ‘bedrijfsgegevens’ die het gebruik (en dus de noodzaak) van de voorzieningen tonen. Hogere meldingscijfers dienen dus zeker ook het belang van de antiracisten. 

In Nederland is er vanuit de grassroots ook kritiek op antiracismewerk. Gaat het beleid van de overheid en het werk van antidiscriminatievoorzieningen niet teveel uit van racisme als individueel gevoel, wat een structurele aanpak van de oorzaken en veroorzakers van racisme belemmert. En door welke mensen wordt het werk gedaan en in wiens naam? Zijn er niet teveel (witte) beroepskrachten die bepalen hoe racisme het best bestreden kan worden? Via deze redenering kom je, vanuit een totaal ander perspectief, tot een gelijksoortige conclusie als die van Hart: dat antiracisten racisme in stand houden.

Doen we de juiste dingen?

Het zou onjuist zijn om te betogen dat antidiscriminatievoorzieningen en antiracisten geen koosjere doelen nastreven. Op individueel niveau kunnen we een belangrijk verschil maken voor gedupeerden. Bovendien werken wij vanuit de overtuiging dat de samenleving is gebaat bij gelijkwaardigheid, gelijke kansen en non-discriminatie en dragen we die overtuiging uit. 

Dat ontslaat ons niet van de vraag of wij anno 2014 nog altijd de juiste dingen doen met de juiste mensen. Waar heeft de huidige maatschappij momenteel behoefte aan als het gaat om de bestrijding van racisme en andere vormen van discriminatie? Volstaat ons instrumentarium dat gericht is op individuele ondersteuning van gediscrimineerden, en niet op de aanpak van structurele discriminatie? En voelen mensen die incidenteel of juist structureel last hebben van discriminatie zich wel gerepresenteerd en geholpen door de antidiscriminatie organisaties? Hierin ligt voor mij de uitdaging voor 2015.

Geef een reactie

Laatste reacties (56)