Laatste update 11:46
2.180
32

Columnist

Ik ben geboren op 10 mei 1966 in een kleine plaats ten noordwesten van de stad Kerman (Iran) in een gezin van 7 kinderen. Mijn jeugd heb ik doorgebracht in dat dorp. Op mijn achttiende verliet ik mijn dorp om in een grote stad (Shiraz), 800 km verder, te gaan studeren. Tijdens mijn studie (sociologie) kwam ik in verzet tegen de islamitische regering en dat resulteerde in mijn gevangenisschap voor een korte periode en vervolgens langdurige onderdrukking en achtervolging. In 1993 kwam ik naar Nederland. In Nederland studeerde ik af in Algemene Sociale Wetenschappen aan de universiteit van Utrecht. Tijdens mijn studie en daarna heb ik in verschillende functies (docente, rijinstructrice, onderzoekster en beleidsmedewerkster) gewerkt.
Ik ben politiek zeer betrokken en heb een weblog waarin sociaal-politieke onderwerpen aan de orde stel. Zie: http://ferdowskazemi.wordpress.com

‘Ik’ ben wat jij van me maakt

Ik ben nu vluchteling, vreemdeling, nieuwkomer, buitenlander én allochtoon

8972220637_f12d6da5d6_z
cc-foto: Climatalk

Je noemt me bij vele namen; vluchteling, buitenlander, allochtoon, nieuwkomer, vreemdeling. En ze kloppen allemaal. Hoewel jouw woordkeuze een bepaalde waarde en lading impliceert, betekent het voor mij allemaal hetzelfde, met het voordeel dat ik in een korte tijd veel woorden leer over één begrip, en dat begrip ben ‘Ik’.

In jouw land ben ik een begrip geworden. Ik ben het ‘Ik’ niet dat op een hele jonge leeftijd vorm gekregen heeft. Dat ‘Ik’ bestaat niet meer. Dat ‘Ik’ is afgeslacht of platgebombardeerd in de oorlogen of doodgemarteld en achtergelaten in de martelkamers van dictaturen.

Ik ben nu vluchteling, vreemdeling, nieuwkomer, buitenlander, allochtoon. Over dit ‘Ik’ dat zowel voor jou als voor mij onbekend is, zijn veel ruzies ontstaan in de geschiedenis.

In jouw land besta ik al honderden jaren. Mijn geschiedenis gaat terug naar de jaren waarin ik mijn geloof niet mocht belijden. Ik kwam hier als rijke Fransman en werd met open armen ontvangen. Je verstond mijn taal niet, maar dat was niet erg. Ik sprak een superieure taal waarmee je kon pronken als jij het zou beheersen.

Vanaf dat moment werd ik een begrip, al leefde ik in mijn eigen kringen en sprak ik mijn eigen taal. Ik werd “de vluchteling”. Maar op mij keek je toen nog niet neer. Integendeel; ik had iets meegenomen. Ik had geld en ik beheerste de taal die jou aanzien verschafte in de maatschappij. Ik voegde iets toe. Ik was de gewenste vreemdeling.

Maar hoe comfortabel het nieuwe ‘Ik’ ook voelde, het was het ‘Ik’ niet dat ik gewend was. Dat had ik in Frankrijk achtergelaten. Vervreemd van het nieuwe ‘Ik’ en verlangend naar wat er al verloren was, weigerde ik me te verliezen in jouw cultuur en dat werd me niet kwalijk genomen. Je had toen nog geen taallessen en inburgeringsexamens, ook geen politici die schreeuwden dat ik moest assimileren. Ik was van economische waarde voor jou. Waarom zou je mij dwars bombarderen met onaardige woorden?

Niet veel later was ik de vluchteling met minder geld die vervolgens minder gewenst raakte. Ik werd weliswaar nog steeds vervolgd wegens mijn overtuiging in mijn eigen land, maar ik was niet meer zo sterk van economische waarde voor jou. Jouw open armen gingen zachtjes dicht.

Sinds het verlies van mijn waarde als de motor van jouw economie, zijn er al eeuwen voorbij. Ik heb bij tijd en wijle die waarde in minder grote mate teruggevonden, maar dat is niet benoemingswaardig.

En hoe minder mijn economische waarde, hoe meer jouw angst voor mij geworden is. Het onbekende maakte me langzamerhand onbemind.

Het enige bekende aan mij zou mijn materiële toegevoegde waarde zijn. En die heb ik niet meer, althans niet direct.

Voor jou ben ik degene die jouw belastinggeld komt halen en jouw banen komt inpikken. Voor mij ben je degene die mij bevrijd heeft van oorlogen en van dictatoren, en tegelijkertijd ben je degene die mij in mijn menswaardigheid geraakt heeft.

Je ziet me niet voor volwaardig aan. Ik ben niet jouw gelijke omdat jij werkt en belasting betaalt en ik thuis zit en van jouw arbeid profiteer. En als ik wil werken om niet van jou te profiteren ben ik degene die jouw baan inpikt. Hoe dan ook ben ik ongewenst.

We kennen elkaars taal niet, cultuur niet, geschiedenis niet. We kunnen soms helemaal niet met elkaar communiceren. De afstand tussen jou en mij wordt groter en groter. Jij doet geen moeite om me beter te leren kennen. Om je te verdiepen in mijn geschiedenis. Om het ijzeren gordijn dat tussen ons bestaat te doorbreken. En ik doe geen moeite om te begrijpen waarom jij doet zoals je doet.

Ik verkeer in een identiteitscrisis. Ik heb moeite met het nieuwe ‘Ik’ dat mede dankzij jou aan het ontstaan is. En jij hebt moeite met mij, als ongewenste gast.

Wat nu?

Hoe graag we het ook willen, we kunnen deze situatie niet naar onze hand zetten. Jij kan de geschiedenis niet terugzetten. Ik zal nooit de vluchteling met geld worden.

Wie de oorlog ontvlucht, neemt veel ellende met zich mee. Die kost alleen maar geld. Jij moet de realiteit onder de ogen zien. Jij hebt niets te kiezen, net zo min ik iets te kiezen had.

Waar de bommen in plaats van water uit de lucht vallen, verliezen keuzes hun betekenis. Het is een kwestie van leven en dood.

Jij hebt gelijk, ik ben een indringer. Ik moet doof en blind zijn om dat niet te voelen. Daar word ik immers voortdurend aan herinnerd. Als de uitkeringsambtenaar het niet is die mij daarmee confronteert dan zijn het wel de inburgeringslessen die uitgebreid uitleggen hoe het allemaal in jouw land eraan toegaat. Zij vertellen mij gedetailleerd wat ik in jouw land wel of niet mag; ik mag in de trein mijn voeten niet op de bank zetten. In de stiltecoupee moet ik stil zijn. Ik moet een vervoersbewijs hebben voor het openbaar vervoer. Ik moet altijd en overal mijn beurt afwachten. Ik moet een nummertje trekken. Ik moet mensen aankijken als ik met hen praat. Ik moet jou de eerste keer alleen voor de koffie of thee uitnodigen, en niet gelijk voor het eten. Als ik bij jou op kraambezoek kom, moet ik heel kort blijven omdat moeder en kind rust nodig hebben.

Ik loop met mijn inburgeringsboek onder mijn arm en als ik jou tegenkom klap ik dicht omdat ik niet zeker weet of ik het wel of niet volgens het boekje ga doen als ik met jou in gesprek raak. Ik ontwijk je vervolgens om geen fouten te maken. Ik wil niet zakken voor het examen.

En jij merkt mijn ontwijkende houding op en neemt nog meer afstand van mij in plaats van je af te vragen waarom ik doe zoals ik het doe.

Laten we eerlijk zijn. Jij en ik zijn op elkaar aangewezen. Ik ben altijd geweest en zal ook altijd zijn. Ooit met geld en nu zonder geld. Je zult nooit van me af komen. We kunnen elkaar dwars blijven zitten. En we kunnen ook met elkaar vredig leven. Maar dit tweede vergt enige inspanning van ons allebei.

Oké, ik zal jouw taal leren om beter met je te kunnen communiceren. Dat is een moeilijke opgave voor mij die niet uit vrije wil voor jouw land en jouw taal gekozen heeft. Daar hebben de bommen en de dictaturen voor gezorgd. En als ook jij een stap vooruit zet zal het leven voor ons beiden aangenamer worden.

Haal dat groteske boek dat inburgeringsboek heet van onder mijn arm weg. Geef mij mijn spontaniteit terug en laat me jou een keertje uitnodigen om bij me te komen eten.

Jij mag ook mij uitnodigen. Laat je niet weerhouden door mijn godsdienst of mijn uiterlijk. Dat is voor mij doorgaans van minder belang.

Ik beloof dat ik me ook niet laat weerhouden door al je vooroordelen en je angsten over en voor mij.

Wat vind je ervan?

Deze column sprak Ferdows Kazemi uit tijdens de boekenpresentatie van het boek ‘Achterlaten & opnieuw beginnen’ van Elias van der Plicht.


Laatste publicatie van Ferdows Kazemi

  • De ongewenste zoon

    2013


Geef een reactie

Laatste reacties (32)