2.951
43

Fractieleider GroenLinks

Bram van Ojik is fractieleider van GroenLinks en volgt daarmee Jolande Sap op. Van Ojik was eerder werkzaam voor het ministerie van Buitenlandse Zaken als, ambassadeur in Benin, directeur van de Inspectie en directeur Voorlichting en directeur Sociale Ontwikkeling.

Ik durf nog steeds een optimist te zijn

GroenLinksers gruwen van de ideologie van de eigen-schuld-dikke-bult-economie, van de red-jezelf-samenleving

GroenLinks bestaat dit jaar 25 jaar. Zondag hield GroenLinks-leider Bram van Ojik op een bijeenkomst waar de lokale democratie centraal stond, deze speech.

Wat is dat wonderlijk
Wat is dat wonderlijk
Alles is niet de som
Van alle dingen
Afzonderlijk

Met deze strofe van Martinus Nijhoff eindigde de inleiding bij het eerste verkiezingsprogramma van GroenLinks. Het heette Verder Kijken – nog steeds een mooie titel – en het is ook na 25 jaar nog steeds zeer leesbaar. Dat geldt althans voor de inleiding, daarna wordt het, zoals bij de meeste verkiezingsprogramma’s – van GL en ook van anderen – eerlijk gezegd flink doorbijten.

De regels van Nijhoff drukten een in die eerste maanden van GL diep gevoelde wens uit: GL moest geen optelsom worden van bestaande partijen, maar iets nieuws, een nieuwe politieke formatie zo noemden we dat. We hadden er tijdens de onderhandelingen nog flink ruzie over gemaakt: was GL nou een coalitie, of zelfs slechts een gelegenheidscoalitie van PSP, PPR, CPN en EVP, was het een akkoord met het oog op de verkiezingen of was het een nieuwe organisatie, waarin het oude zo snel mogelijk moest opgaan. Daar werd verschillend over gedacht in die eerste tijd.

De naam was in dat verband een vondst. Het was Wim de Boer, als ik het wel heb, die er mee op de proppen kwam. Om te voorkomen dat we moesten kiezen tussen partij, akkoord (zoals in Europa), coalitie of iets anders, stelde Wim voor alleen de bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken: Groen-Links. Verder niks. De meesten van ons vonden dat gek. We kwamen uit de PPartij Radikalen, de CPartij Nederland, de EVPartij en de PSPartij.

GroenLinks wat dan, Wim? Vroegen we. Nou niks, zei Wim. Ggewoon GroenLinks. Nu de gewoonste zaak van de wereld, toen een beetje vreemd. 

Al met al was een pijnlijke hobbel, die ons nog lelijk had kunnen verdelen, uit de wereld. En daar ging het om.

Dat we niet simpelweg een voortzetting waren van vier oude partijen moest ook blijken uit de zogenoemde onafhankelijken op onze lijst. We haalden Paul Rosenmuller over de vakbond in te ruilen voor de politiek, Maarten van Poelgeest kwam over van de LSVB en Marijke Vos uit de milieubeweging. Zo wilde GL laten zien hoe nieuw ze was (je hoefde heus geen langjarige partijtijger te zijn), hoe laagdrempelig (iedereen mocht meedoen), hoe politiek vernieuwend (niemand anders deed dit zo) en hoe nauw verbonden met belangrijke sociale bewegingen. Heel veel vliegen in een klap. Het wrong daarom enigszins dat de eerste drie plekken op de lijst gewoon werden gereserveerd voor de voor-vrouwen van de belangrijkste fusiepartners, keurig in volgorde van de toenmalige zetelaantallen: de PR op 1, de PSP op 2, de CPN op 3. Vernieuwing is mooi, maar het moest natuurlijk niet te gek worden.

Het is verleidelijk dit compromis tussen nieuwe en conventionele politiek als een wezenskenmerk van onze nu 25-jarige partij te zien. We lopen graag voorop, willen anders zijn dan anderen, gedreven door de inhoud en door onze idealen, niet door zucht naar macht en verlangen naar het pluche.

Maar we willen het contact met die anderen ook niet verliezen, we willen ook samen met anderen in de modder staan, compromissen sluiten, mee doen als er iets te halen valt. Dat zie je bij onze wethouders – waarvan we er vier keer zo veel hebben als de landelijk vier keer zo grote SP – en dat zie je ook in Den Haag, waar we samen met de PvdA, die we op zo veel punten bekritiseren, dit najaar 100 miljoen binnen haalden voor de kinderopvang en waar we tot het laatst aan tafel hebben gezeten bij de onderhandelingen over het herfstakkoord om het groen en sociaal te maken. Pas toen zeker was dat het niet zou lukken, stapten we op. Resultaten halen, maar niet ten koste van alles: zo zit het in ons DNA.     

GroenLinks is ook een optimistische partij. In 1989 liepen de kille jaren tachtig niet alleen letterlijk ten einde. Het al te ruwe recept van vrije markt, lage belastingen en kleine overheid (ongeveer het verhaal zoals Buma dat nu houdt) was uitgewerkt. Reagan en Thatcher verdwenen van het toneel en ook Lubbers ging op weg naar de uitgang. Ook de Koude oorlog liep ten einde: door Gorbatsjov spraken we ineens allemaal twee woorden Russisch: Perestrojka en Glasnost. Een half jaar na de oprichting van GL viel de muur (geen oorzakelijk verband). Wederzijdse ontwapening, het vredesdividend, een VN die plotseling uit de kramp raakte en waarin zaken konden worden gedaan over armoedebestrijding en milieubehoud.

In Nederland kwam het milieu weer hoog op de agenda: de koningin sprak haar volk in de kersttoespraak vermanend toe: als we niet meer rekening zouden houden met het milieu, dan zou het onvoorstelbare voorstelbaar kunnen worden en kon het voortbestaan van de aarde op het spel komen te staan.
Het kabinet viel in 1989 over het reiskostenforfait omdat Nijpels en Kroes het autoverkeer niet langer fiscaal wilden stimuleren en het RIVM publiceerde Zorgen voor Morgen. Een rapport dat bijna net zo veel indruk maakte als in 1972 het Rapport van de Club van Rome. 

Dat was de sfeer in deze eerste levensjaren van GL: alert en optimistisch. Bewust van de omvang van de problemen maar overtuigd van de mogelijkheid die problemen te lijf te gaan. Ook dat zit in ons DNA.

Zoals het gaat met optimisme is ook het onze later danig op de proef gesteld. Er kwam geen vredesdividend maar oorlog op de Balkan en genocide in Rwanda. Er kwam geen andere economie, maar een paarse opknapbeurt, waarbij de publieke taak verder werd uitgehold, de ongelijkheid toenam en veel, zo niet alles werd verwacht van privatisering en deregulering. Er kwam geen groene transitie, maar halfslachtige symptoombestrijding die niets deed aan de opwarming van de aarde, die onze verslaving aan fossiele brandstof bestendigde en die ruim baan gaf aan de auto, de bio-industrie en het vliegverkeer. Dat is helaas nog steeds zo. Let maar op: nu we weer gaan groeien, groeien het energieverbruik, de files en de verre vakantiereizen als eerste.   

En dan toch nog optimistisch? Ja, dat kan. Maar met een scherp oog voor wat er mis is en de vaste wil om daar iets aan te doen. Je ziet de mensen die vermalen worden, geen baan vinden, steeds minder te besteden hebben, onvoldoende scholing. Voor hen is de participatiesamenleving waar dit kabinet naar zegt te streven een volledig loze kreet.

Maar je ziet ook de anderen: goed opgeleid, werkend, maatschappelijk actief, financieel onafhankelijk. Voor hen is het streven naar de participatiesamenleving volstrekt overbodig. Ze participeren al, en zullen dat ook blijven doen. Steeds meer, zelfs. In hun straat, in de wijk of gemeente, op de school van hun kinderen, of samen met collega’s.

De participatiesamenleving van het kabinet werkt alleen voor de mensen die zich zelf kunnen redden. De burger bestaat niet. Tussen actieven en afzijdigen, zoals de WRR dat noemt, gaapt een kloof die steeds wijder wordt. Wie dat niet ziet, speelt met vuur.

Bruggen slaan is het motto van dit kabinet en dat is precies wat er moet gebeuren. Maar in de praktijk gebeurt het omgekeerde.

Het is de ideologie van de eigen-schuld-dikke-bult-economie, van de red-jezelf-samenleving. GroenLinksers gruwen daarvan. En we zijn gelukkig niet de enigen. Overal waar ik kom, zie ik mensen samen initiatieven nemen om de tweedeling te lijf gegaan. Ze wachten niet op de politiek, maar steken zelf de handen uit de mouwen. Ze zetten zorg op in straat of buurt, helpen mensen die financieel aan de grond zitten met kleding voor hun kinderen, doen aan energiebesparing en leggen zonnepanelen op hun dak. Ze creëren letterlijk plekken, in leegstaande winkelpanden of kantoren, soms op verlaten fabrieksterreinen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en samen iets van de grond kunnen tillen.

Die verandering van onderop is niet meer terug te draaien, is nog maar net begonnen. Als de politiek niet mee verandert dan zal ze steeds verder aan relevantie verliezen. Het pleidooi voor een participatiesamenleving is ongeloofwaardig als je beleid de kloof vergroot en miljarden weg bezuinigt voordat je taken bij de gemeenten legt.

Overigens heb ik niks tegen de overdracht van taken van rijk naar gemeenten. Integendeel. Ik geloof dat de verandering van onderop die overal gaande is in beginsel zeer gebaat is bij een sterk lokaal bestuur, met veel bevoegdheden en veel bijbehorende middelen. Burgemeesters, wethouders en gemeenteraadsleden staan uiteindelijk dichter bij de burger dan al die landelijke politici die je avond aan avond op de televisie ziet.
Gemeenten zijn nu nog te veel de uitvoerders van landelijk beleid. Ze moeten wel de problemen oplossen, maar mogen niks terugzeggen. En als ze wat terugzeggen, heeft het weinig status. Kijk hoe het ging met de decentralisatie van de zorgtaken. Tweederde van de gemeenten was tegen, iedereen is ongerust, maar de plannen gaan gewoon door.

Het is hoog tijd dat gemeenten, die steeds meer op hun schouders krijgen, ook meer te zeggen krijgen.
Ik zou niet zo ver willen gaan als de Amerikaanse bestseller wetenschapper Benjamin Barber die voorstelt dat de burgemeesters de wereld gaan regeren, maar zijn idee van een burgemeesters parlement is in elk geval prikkelend… Misschien zou het dan trouwens nog beter zijn een parlement van wethouders te maken, of meerdere parlementen, voor zorg, voor werk, voor vergroening.

Zelf heb ik deze week een gele-kaart-procedure voorgesteld. Zoals we dat nu al in de Europese Unie hebben.
Stel dat het kabinet met een plan komt, waarbij het takenpakket van de gemeente substantieel verandert. En stel dat de meerderheid van de gemeenten het anders willen, zoals bij de overdracht van zorgtaken het geval is, dan trekken ze een gele kaart. En dwingen zo het kabinet  het voorstel te heroverwegen. De gele kaart maakt het lastiger voor het een kabinet om ongestoord zijn gang te gaan.

Minstens zo belangrijk als de herschikking van taken tussen overheden is het dat de burger meer te zeggen krijgt over de politiek. We proberen van alles, maar pakken niet door.

Nog van voor de oprichting van GroenLinks herinner ik me de zogenoemde Brede Maatschappelijke Discussie over het energiebeleid. Onder leiding van de onverdachte Jonkheer De Brauw sprak het Nederlandse volk zich uit tegen kernenergie, maar dat kwam niet goed uit. We zouden een nieuwe BMD over het energiebeleid nu overigens uitstekend kunnen gebruiken.

We experimenteerden met een burgerforum over het kiesstelsel. De aanbevelingen werden genegeerd. We hadden een referendum over de Europese Grondwet waarbij de regering zich zo lamlendig opstelde dat het nog een wonder was dat zo veel mensen voor stemden. In Utrecht mocht je een burgemeester kiezen, zolang ‘ie maar van de PvdA was. Daar trapten de mensen niet in. Het kabinet Balkenende legde voor het ging regeren, 100 dagen lang het oor te luister bij de bevolking. Het leidde, ere wie ere toekomt, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau zelfs tot een opleving van het vertrouwen in de politiek. Maar van de uitkomsten vernamen we weinig meer. We kennen, tenslotte, burgerinitiatieven die, als ze voldoende handtekeningen ophalen, het parlement kunnen dwingen een bepaalde kwestie te bespreken. Het komt zelden voor, maar als het voorkomt, zoals onlangs bij het initiatief Sloop de Muur, gericht aan Israël, is de parlementaire bespreking een ritueel zonder enige consequentie voor het Nederlands beleid ten opzichte van het Midden-Oosten.

Ik denk dat het zeer de moeite waard is om al deze recente en minder recente ervaringen nog eens goed tegen het licht te houden, te zien wat er aan schortte, en te kijken hoe het beter kan. De democratie – lokaal en nationaal – kan zo’n impuls heel goed gebruiken.

Ik sluit af. Gisteren was ik onder andere in Breda. Onder aanvoering van onze GroenLinks wethouder en lijsttrekker Selcuk Akinci wordt daar ruimte gemaakt voor betrokken burgers die elkaar niet loslaten, maar die samen werken aan een leefbare en sociale stad. GroenLinks geeft in Breda vorm aan een overheid die dienstverlenend is in plaats van sturend. Een loket voor burgers die met eigen initiatieven komen, een wijkbudget waaruit nieuwe initiatieven kunnen worden betaald, terugdringen van bureaucratie en overbodige regelgeving, beschikbaarstelling van lege gebouwen en braakliggende terreinen, bevordering van kennisuitwisseling tussen groepen burgers die iets voor hun stad willen betekenen. Wat Selcuk in Breda doet, doen 70 GroenLinks wethouders overal in het land. Voor hen is de participatiesamenleving niet de red-jezelf-, maar de doe het samen maatschappij. En ik zie dat het aanslaat. Daarom durf ik nog steeds een optimist te zijn.

Dit artikel staat ook op de website van GroenLinks

Geef een reactie

Laatste reacties (43)