2.910
8

Tweede Kamerlid D66

Wassila Hachchi (Rotterdam, 1980) is Tweede Kamerlid voor D66. Ze voert het woord over Defensie, de Nederlandse Antillen en Arubaanse Zaken (NAAZ).
Hachchi heeft bedrijfskunde gestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Na haar afstuderen is ze gaan werken bij de Koninklijke Marine als officier logistieke dienst. Na 4 jaar maakte ze de overstap naar het Ministerie van Economische Zaken. Daar werd ze uitgeroepen tot Jonge Ambtenaar van het Jaar 2007. Vanaf 2009 werkte ze bij het Ministerie van Defensie als controller en beleidsadviseur.

Ik mag er zijn, omdat ik ben wie ik ben

Waarom is het zo moeilijk om elk mens als een uniek wezen te zien?

“Wat een stomme man” is de reactie die je hoort als een man een fout maakt. Als een vrouw een fout maakt: “wat zijn vrouwen toch stom”. En dit gebeurt niet alleen bij vrouwen, die anno 2013 nog steeds een sociale minderheid zijn, maar ook bij andere minderheden, zoals etnische of seksuele. Het lijkt wel alsof zodra iemand in het hokje van een minderheid past, mensen niet meer in individuen kunnen denken maar alleen nog in groepen.

Gek genoeg gebeurt het alleen bij negatieve reacties. Zodra iemand succes heeft, dan is het de uitzondering op de regel. Waarom is het zo moeilijk om elk mens als een uniek wezen te zien? Dàt is voor mij wat diversiteit betekent. Sommige mensen roepen dat ze voor diversiteit zijn, want ze houden van verschillen. Diversiteit klinkt vrolijk en lijkt gedegradeerd te worden tot “ik houd van heerlijk buitenlands eten”. Het mag duidelijk zijn dat dàt niet mìjn betekenis van diversiteit is. En als ik om me heen kijk, moeten velen de innerlijke transitie nog doormaken om ècht te snappen wat diversiteit is. Verschil tussen mensen, of dat nu geslacht is, etniciteit, seksuele voorkeur, culturele verschillen, wat dan ook. Het zijn al die verschillende identiteiten die je tot een mens maken, een uniek mens. En zo kijk je niet alleen naar jezelf, maar ook naar anderen.

Elk jaar weer sta ik bewust stil bij de Internationale Vrouwendag. En elk jaar draait het voor mij om dàt wat mijn ziel raakt, diversiteit. Het begint in mijn kindertijd. Mijn moeder vertelde me toen ik een jaar of 6 was over hoe zij in haar jeugd Marokko wilde ontvluchten. Zij groeide op in een gezin met 4 meisjes en jaren later een nakomeling, een jongen. Hoewel mijn oma en opa liefhebbende ouders waren, ging het gezin gebukt onder sociale druk van ooms en tantes die wèl zoons hadden. Mijn moeder, als oudste kind in het gezin, groeide op met blikken van medelijden. Ze voelde een diepe weerstand groeien tegen al die mensen die meisjes maar als minderwaardige mensen zagen.

Ondanks de liefde voor haar familie, pakte ze de eerste de beste kans om die bekrompen wereld achter zich te laten. Ze trouwde mijn vader en ging met hem mee naar Nederland. Ze kreeg een zoon, dochter en nog een zoon. Ze vertelde me wat haar eerste reactie was toen ze van mij beviel. Een meisje. Ze voelde een golf van teleurstelling. En de eerste dagen dat ik in de wieg lag, was ze niet blij met mij. In die eerste dagen kreeg ze van het een op het andere moment een enorme dreun van binnen. “Waar ben je mee bezig? Ben je gek geworden? Het is jòuw dochter?!” ging er door haar heen. Ze pakte me op en liet me uren niet los. “Mijn dochter”, zei ze vele malen hardop en sindsdien was ze bewust blij met hààr dochter. Als 6-jarige kwam dit verhaal diep binnen, zo diep dat als ik het nu als 33-jarige vrouw vertel, nog de tranen voel opwellen. Het gevoel “ik mag er zijn, omdat ik ben wie ik ben”.

Dat gevoel bleef sindsdien bij me, en ik denk dat ik daardoor mijn hart volg in mijn leven, zo ook toen ik koos om militair te worden. Een uitzonderlijke keuze, zeker in de omgeving waar ik ben opgegroeid. Ik was net afgestudeerd, klaar om bij een multinational carrière te maken, zoals het een bedrijfskundige van de Erasmus Universiteit betaamt. Terugkijkend heb ik geen seconde spijt van die keuze en alle keuzes die daarop volgden. Zelfs de Marine, een militaire organisatie waarin iedereen het zelfde kapsel krijgt aangemeten en een uniform draagt, was voor mij een omgeving waarin ik mezelf kon zijn. Tijdens de cruciale eerste fase van militaire vorming gaat het namelijk niet om wat je huidskleur is en waar je vandaan komt, maar om wie jìj bent, jouw karakter en wat je unieke bijdrage is aan de groep. Hoe jij de groep naar een niveau hoger tilt. En als je inzoomt op het vrouw of man zijn binnen de Marine, ze zijn niet gelijk – denk aan de fysieke verschillen – maar wel gelijkwaardig.

Als ik denk aan die tijd en het vergelijk met mijn huidige werkomgeving, de politiek, dan zie ik verschillen. Je zou verwachten dat als het gaat om “jezelf kunnen zijn” de politiek er beter voor staat dan een militaire organisatie. Niets is minder waar. Maar ik ben er van overtuigd dat ik alleen een goede volksvertegenwoordiger kan zijn àls ik helemaal mezelf ben. En als het om diversiteit gaat heb ik hoop, want ik geloof in de nieuwe generatie, in mijn land maar ook over grenzen heen in de wereld. Ik zie generatiegenoten die net als ik niet alleen zeggen en pretenderen voor diversiteit te zijn, maar het in- en uitademen als zuurstof om in leven te blijven. Zij die het hokje immigrant, vrouw of welk andere hokje al lang en breed onbruikbaar hebben verklaard zonder een woord daaraan te verspillen. Mijn hoop, geloof en vertrouwen is hier op gericht. Want zij, zìj zijn de leiders van toekomst. In de politiek en de wereld daar buiten.

Geef een reactie

Laatste reacties (8)