2.296
27

Emeritus hoogleraar Gezondheidszorg

Ivan Wolffers (1948) studeerde af als arts. Sindsdien schrijft hij over medische onderwerpen, variërend van medicijnen tot zijn eigen prostaatkanker. Hij promoveerde in de medische antropologie en werd in 1989 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar hij tot zijn emeritaat in 2014 Gezondheidszorg en Cultuur doceerde.

Ik reken erop dat je de medicijnen levert die me in leven moeten houden

'Moet je als patiënt het halve land opbellen voor pillen die nergens meer te krijgen zijn, hopend dat ze ergens op het nachtkastje liggen van iemand die net dood is en ze niet meer nodig heeft?'

Cc-foto: DraconianRain

“Nee, het kan echt niet eerder”, zei de jonge vrouw die bij de apotheek werkt en per ongeluk die middag mij aan de telefoon kreeg. Ik, een verontruste man die opbelde omdat het witte bestelbusje van de apotheek nog niet was langs geweest om het medicijn tegen de kanker te brengen. Al drie dagen deed ik het zonder.

“Hoe kan dat?”, vroeg ik. “Een telefoontje naar de groothandel en je hebt het een paar uur later in huis.”

“Nee, in de computer krijg ik te zien dat het pas op 18 maart weer leverbaar is.”

“Dan bel je toch alle apotheken in de buurt om te vragen of ze nog een strip tabletten hebben. Ik heb het maandagochtend om negen uur bij jullie besteld. Het is nu woensdagmiddag. Ik blijf wel even aan de telefoon.”

Er was gelukkig geen wachtmuziek bij de apotheek, anders zou mijn ongerustheid kunnen veranderen in ergernis.

Even later was ze er weer. “Ik heb in hun computer gekeken en zij hebben ook niets.”

Ik voelde dat ze nu het liefst het gesprek zou beëindigen, maar ik was vastbesloten haar niet te laten gaan. “Elke zorgverlener heeft zorgplicht, ook een apotheker. Ik reken op jullie dat je me de medicijnen levert die me in leven moeten houden.”

Natuurlijk overdreef ik een beetje. Ik krijg om de drie maanden een prik in mijn buik waarmee een spiraaltje ingebracht wordt dat trouw mijn testosteronproductie lam legt. Daarnaast slik ik de pillen die de inmiddels wat geïntimideerde vrouw van de apotheek me moest leveren, om op de aanhechtplaatsen van het mannenhormoon te gaan zitten en zo de hormonen die toch nog in mijn lijf rondzwerven de weg te versperren. Een beetje behandeling á la thermostaat hoog en alle deuren potdicht. Twee dingen doen meer dan één.

“U moet het bij een ziekenhuisapotheek vragen”, suggereerde ze.

“Dat moet ik niet doen. Dat moet u doen. Moet je als patiënt het halve land opbellen voor pillen die nergens meer te krijgen zijn, hopend dat ze ergens op het nachtkastje liggen van iemand die net dood is en ze niet meer nodig heeft?”

Daar overdreef ik natuurlijk heel erg, maar het voelde of die vrouw het enige draadje was dat me naar die kankerredders kon voeren.

“Waarom belt u niet even naar de apotheek van het UMC”, stelde ik voor.

Wat een pech dat de wanhopig wordende vrouw mij getroffen had. Ik geef nooit op.

“Maar wij zijn maar een kleine dorpsapotheek. Dan kan ik toch niet naar het UMC bellen.”

“Hoe denkt u dat patiënten zich in zo’n situatie voelen? U moet eens denken aan al die andere prostaatkankerpatiënten die zo maar van de ene op de andere dag zonder hun dagelijkse pil zitten.”

De ironie was dat ik juist voor deze dag – woensdag – aanvankelijk een afspraak had gemaakt met mijn uroloog, maar later toen ik wist dat de kleindochters zouden komen logeren, deze had verplaatst naar een week later. Ik weet namelijk wat de prioriteiten in mijn leven zijn. Met mijn arts zou ik praten over het vervangen van die pillen, want ze doen hun werk steeds slechter. Dat is het vervelende: de kankercellen worden resistent en trekken zich er geen bal meer van aan. Mijn PSA was die week ineens van 30 naar 40 gegaan en ik was toe aan het laatste redmiddel op het gebied van hormoononderdrukking. Dat ik licht emotioneel was viel dus gemakkelijk te verklaren en ook mijn opwinding over het niet kunnen leveren van de trouwe medicijnen voor de laatste week dat ik ze nog nodig had was daarop terug te voeren.

Als ik de gebeurtenissen van alles wat mis ging zou moeten interpreteren als een signaal van boven, zou ik er geen mooi stuk over kunnen schrijven. Het is het verhaal van mijn prostaatkanker. Ik ben overal net even te laat bij en dreig met volle vaart uit de flauwe bocht die het leven bij het ouder worden maakt te vliegen. Ik trek met alles wat ik in me heb aan het stuur om toch alsjeblieft op de weg te blijven, de boom in de bocht te missen en misschien zelfs weer voor een tijdje aan de goede kant van de straat te belanden.

Mijn uroloog was aan het opereren, maar zijn secretaresse beloofde dat hij terug zou bellen. Wie weet kon hij me de nieuwe pillen wel snel leveren. De hoop dat de vrouw van de apotheek me verlossing zou kunnen bieden met pillen die eigenlijk niet zo veel meer helpen had ik laten varen.

“Ach, die week zonder zal niet veel uitmaken”, liet hij later weten.

Aan de keukentafel hielp ik Helena bij de voorbereiding van de proefwerken die ze volgende week heeft; aardrijkskunde, biologie en geschiedenis. Ik overhoorde haar over de val van het Romeinse rijk, over de Hunnen en Vandalen, de decadentie en corruptie. Op een gegeven moment zei ze: “Het is zo gek. Een mensenleven is maar zo kort in vergelijking met de tijd van de geschiedenis.” Ze hield haar duim en wijsvinger vrijwel tegen elkaar. “Er gebeurt zoveel en wij spelen vrijwel geen rol.”

Wat zijn een paar witte pillen nu en week eerder of later? Ik kruip tussen haar duim en wijsvinger met mijn kanker die uit de bocht wil vliegen. Het is daar wel gezellig. “In het derde jaar krijgen we de wereldoorlogen”, zegt ze. “Ik kijk er zo naar uit.” Ja, ik moet nog door om haar dan ook bij het huiswerk te helpen.


Laatste publicatie van IvanWolffers

  • Broer van God

    Oktober 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (27)