743
6

Filosoof/Docent Universiteit Groningen

Ronald Hünneman (1961) is filosoof en docent bij de studie Kunsten, Cultuur en Media aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij doet onderzoek naar de wijze waarop kunsten en media van invloed zijn op denken en bewustzijn (cognitie). Eerder werkte hij als groepsleerkracht in het Cluster IV-onderwijs (voormalig ZMOK) en deed onderzoek naar het vakmanschap van mensenwerkers (leerkrachten, jobcoaches, en ambtenaren die direct contact met cliënten hebben). In het kader van het voortijdig schoolverlaten interviewde hij (in opdracht van Ingrado, de landelijke vereniging van leerplichtambtenaren) jongeren, docenten en managers in het voortgezet- en MBO-onderwijs.

In staat van beschuldiging

Je denkt aan je zus. Ze is veel thuis. Haar MBO-diploma Detailhandel staat trots naast de televisie in de woonkamer. Maar werk vinden is lastig

Het is donker, midden in de nacht. Had je nu maar de afgedankte laptop van je broer om op YouTube voetbalfilmpjes te kijken, zoals je thuis doet als je wakker ligt. Je denkt aan je slaapkamertje, behangen met posters van sterspelers. “The Mocro grandmasters of the game” noemt je broer ze. Voetballers die het hebben gemaakt. Juichend, toegezongen, met prachtige auto’s en zoveel geld dat je gemakkelijk de rijles van je zus zou kunnen betalen.

Als je thuis ’s nachts het gordijn opzij schuift, zie je de lichten van de flat verderop, waar je meeste vrienden wonen. Dat voelt veilig. Net zoals het geluid van de wasmachine die maar niet op wil houden met centrifugeren. Of de koelkast die telkens aanslaat omdat de deur niet goed dicht wil. Je mist het.

Het licht van de galerij achter je slaapkamerraam schijnt ’s nachts naar binnen. Pas in de vroege ochtend gaat het uit. Niet lang daarna neemt de buurman luid afscheid van zijn vrouw. Je hebt hem een paar keer gevraagd of het wat zachter kon, omdat je dan nog ligt te slapen. De laatste keer zei hij dat hij geen rekening kon houden met al die verschillende ritmes van al die verschillende culturen. “Nederlanders staan nu eenmaal op tijd op.”

Je denkt aan je zus. Ze is veel thuis. Haar MBO-diploma Detailhandel staat trots naast de televisie in de woonkamer. Maar werk vinden is lastig. Ze schrijft iedere week wel honderd brieven. Een enkele keer wordt ze uitgenodigd, maar ze wordt steeds afgewezen. “Doe die hoofddoek dan ook af als je gaat solliciteren”, zegt je vader. Maar je zus is koppig. Te koppig, wat jou betreft. Nederlanders houden nu eenmaal niet van hoofddoeken. Dus ga je gewoon zonder hoofddoek solliciteren, zou jij zeggen. En dan doe je ‘m toch weer op als je de baan hebt? Wat maakt jou dat uit? Als je eenmaal werk hebt, mogen ze je niet zomaar ontslaan.

Je broer is groter en sterker dan jij. Hij is veel buiten. Sommige avonden zie je hem niet eens voordat je naar bed gaat. Dan hoor je hem laat thuiskomen. “Respect!” zegt hij vaak. En als hij dat niet krijgt, berg je dan maar. Een keer was hij, in de buurt van het Rembrandtplein, geweigerd bij een discotheek. “Vol!” had de man bij de deur gezegd, terwijl vlak na hem twee Nederlandse jongens wel naar binnen mochten. Zo vernederend, zo erg geen respect. Daarna had je broer de zijspiegels van wel tien dure auto’s afgeschopt. “Allemaal van mannen die dat soort bouncers gaaf vinden”, had hij je uitgelegd.

Je vader was kwaad op hem geworden. “Zo gaat dat nu eenmaal als je met een Marokkanen-kop in Nederland woont!”, had je vader geroepen, “Als we ons netjes gedragen zul je zien dat het over een tijd anders zal zijn. Nu ga jij rotzooi trappen, en dan gaan zij weer slecht van ons denken.” Je broer werd er alleen maar kwader van. “Kanker Hollanders!”

Toen je moeder eens huilend vertelde dat ze op straat voor de zoveelste keer was uitgescholden, omdat ze “vodden op haar kop” had, vond je vader ook al dat ze niet boos mocht worden. “Laat ze maar roepen, wat kan ons dat schelen?!” “Klootzak”, had je broer gesist, “Als ze tegen mij zoiets zeggen maak ik ze dood. Echt waar. Ik maak ze dood! Ik laat m’n moeder toch niet uitschelden?! Respect moeten ze haar geven!”

Jij gaat dat probleem nooit krijgen, want jij gaat voetballer worden. En goede voetballers krijgen respect. Echt wel. En als je doelpunten maakt, schelden ze je niet uit, maar zingt het hele publiek voor jou.

Een tijd geleden was je vader onbedaarlijk kwaad. Dat had je nooit eerder gezien. Hij schreeuwde en schold in het Marokkaans, en liep het huis uit. “Laat maar”, zei je moeder, “het was iets op tv. Beledigingen. We worden voor leugenaars en misdadigers uitgemaakt. Je vader vindt het racisten, en de regering gaat met ze samenwerken. Je vader dacht dat Christenen niet zo waren.”

Soms denk je dat je vader het ook niet meer weet. Dan praat hij over teruggaan. Maar waarheen? “Waar ze normaal tegen je doen”, zegt hij dan. “Waar ze respect voor je hebben”, vult je broer aan.

Maar jij gaat in ieder geval niet mee, want iemand gaat jou ontdekken. Straks na de winterstop, als alles achter de rug is, zal je ze laten zien hoe goed je eigenlijk bent. Ooit ga je een beroemde voetballer worden. Affelay, Sektioui, Hadji…

Het is donker, midden in de nacht. Je denkt aan thuis.

Ronald Hünneman is filosoof en docent/onderzoeker bij de studie Kunst, Cultuur en Media van de Rijksuniversiteit Groningen, en was eerder werkzaam als groepsleerkracht in het Cluster IV onderwijs (gedragsmatig lastige jongeren).

Geef een reactie

Laatste reacties (6)