1.184
15

Publicist

Damon Golriz is geboren in Teheran maar woont sinds zijn viertiende (1995) als politieke vluchteling in Nederland. Hij is een Iraans-Nederlandse publicist met een scherpe pen en neemt geen blad voor de mond als het gaat om zijn visie op zijn gelievde vaderland Iran, positie van de vluchtelingen in Nederland en de islam. In 2006 richtte hij samen met de Iraanse dissidenten wereldwijd de internationale organisatie Solidarity Iran op die zich inzet voor een seculier democratische Iran. Golriz is een van de weinigen in Nederland die publiekelijk afstand nam van zijn geloof en de gevaren van afvalligheid binnen islam kenbaar maakte. Hij was vast panellid voor het NTR-talkshow De Halve Maan en gaf commentator bij het debat in De Balie met Sjeikh Al Haddad. Damon Golriz is hogeschooldocent en opinieert regelmatig in de Perzische-, Engelstalige- en Nederlandse media.

Ingrijpen in Syrië zonder mooie motieven

Het is machtspolitiek maar daarom hoef je een aanval nog niet af te wijzen

De discussie over ingrijpen in Syrië draait het niet om de bescherming van burgers maar om het redden van prestige. Obama weet dat zijn reputatie op het spel staat. Maar als machtspolitiek ook leidt tot het einde aan het uitmoorden van de Syrische bevolking moet het een kans krijgen.

Syrië baart niet alleen zorgen vanwege het hoge aantal slachtoffers, en de vraag of er chemische wapens werden ingezet tegen burgers. Het land is inmiddels  de frontlinie voor een proxy-oorlog van grootmachten. Bevinden we ons aan het begin van een nieuw tijdperk van nieuwe regionale hegemonie?

Het – nu nog – machtigste land van de wereld voelt zich gesteund. Aan Obama’s ene kant staan de drie belangrijkste Europese landen en aan de andere kant staat de incoherente coalitie van Israël, Saoedi-Arabië en Turkije. Tegenover Amerika en haar bondgenoten staan Rusland, China en Iran die de status quo in Syrië willen bewaren en kansen zien hun eigen invloed te vergroten.

Te midden van deze confrontatie treden de Iraanse ayatollahs op als een mentor voor Assad en tegelijk een intermediair tussen China en Rusland. Gisteren berichtte de Libanese krant A-Nahar dat Assad voor advies naar Teheran vloog. Snel daarna belde de Russische President Poetin met zijn Iraanse ambtgenoot Rohani om te benadrukken dat zij in Syrië dezelfde belangen hebben en overtuigd zijn van ‘de onschuld’ van Bashar al-Assad.

Beiden beschuldigen Amerika dat zonder VN-mandaat een aanval aankondigt. Waar Iran en Rusland op inspelen is de afwezigheid van hard bewijs – gevonden door de VN-wapeninspectie – dat het Syrische regime direct kan beschuldigen. Bewijs dat het Syrische regime chemische wapens heeft ingezet leverde voorlopig alleen Israël. Zelfs het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken geeft toe dat zij niet weten wie in het Syrische regime de opdracht heeft gegeven, maar stellen Assad verantwoordelijk. De reactie van het Witte Huis op de wens om de resultaten van verdere inspecties af te wachten, luidt dat meer VN-wapeninspecties in Syrië ‘overbodig’ zijn nu chemische wapens op ‘significante schaal’ zijn gebruikt. Als er een aanval tegen Syrië komt, dan zal de zwakke legitimatie ervan de argumenten van de tegenstanders van oorlog juist versterken.

Iran houdt zich in
Iran en Syrië hebben in 2006 een verdedigingsverdrag gesloten waarbij ze elkaars militaire bondgenoten zijn. Iran zal wapens, raketten en de regeringsambtenaren van Syrië moeten helpen beschermen. Daarnaast wordt Syrië als de frontlinie tegen Israël beschouwd en als doorvoerluik van wapens aan Hezbollah in Zuid-Libanon.

Maar anders dan verwacht zijn alle uitingen door regeringsleiders uit Teheran doordacht en opvallend zeer gematigd van toon. Zowel de opperste leider Khamenei als president Rohani en ook parlementsvoorzitter Larijani veroordelen het gebruik van chemische wapens maar waarschuwen voor escalaties en een ‘onduidelijke toekomst’. Georkestreerd vermijden zij ieder woord dat ook maar de indruk kan wekken van assertiviteit. De ultraconservatieve krant Kayhan houdt het bij de pragmatische analyses en analyseert in verschillende stukken waarom een aanval grote nadelen voor Israël en Amerika zal hebben. Het laat echter na de Jihad te promoten.

Het vrijdaggebed voor morgen, als belangrijkste politieke-religieuze spreekbuis, zal door Sediqqi worden gehouden, een geestelijke zonder veel invloed. Niet alleen de hoogste commandant van de Revolutionaire Garde maar zelfs het bevelhebber van de basij-militie, die uit 50.000 vrijwillige jihadisten bestaat, houden het hoofd koel.

Tehran lijkt Tel-Aviv geen smoes te willen geven om, nu de grootmachten gemotiveerd en bewapend in de regio aanwezig zijn, na Syrië, Iran aan te vallen. Ondertussen geniet Iran van de prijstoename met ruim 15 dollar per olievat en maakt het al plannen om het machtsvacuüm dat na de cosmetische aanval op Syrië ontstaat, op te vullen. Iran rekent er daarbij op dat de VS dezelfde fouten als met Irak en Afghanistan zullen maken.

Genocide
In deze oorlog draait het niet om de bescherming van burgers maar om het redden van prestige. Obama weet dat zijn reputatie als president van het machtigste land ter wereld op het spel staat. Tragisch is dat niet 99 procent van de ruim 100.000 burgerdoden maar juist 1 procent van hen die door chemische wapens zijn vermoord doorslaggevend zullen zijn voor deze oorlog.

Dat in besluitvorming over oorlog en vrede de bescherming van burgers niet vaak beslissend is, bewijzen de recent gepubliceerde CIA-documenten waaruit blijkt dat Saddam Hoessein eind jaren ’80 met de Amerikaanse toestemming en informatie 5.000 Koerden met een gifgasaanval vermoordde. Was dat moreel wèl verantwoord? Nee, maar vanuit machtspolitiek oogpunt gezien wellicht een te verklaren keuze. Waren de genociden in Darfur (2003) met circa drie miljoen doden en Rwanda met 1 miljoen burgerslachtoffers (1994) niet overtuigend genoeg om Amerikanen en hun bondgenoten te mobiliseren? Nee, omdat daarmee de belangen van VS en zijn bondgenoten kennelijk niet behartigd werden.

Dat is realpolitik die natuurlijk niet is voorbehouden aan de VS alleen.

Zowel het communistische regime van China als het post-communistische regime van Rusland en de islamitische theocratie van ayatollahs in Iran handelen uit ogenschijnlijk tegenstrijdige machtsbelangen. Zo hielpen de ayatollahs hun ‘Grote Satan’ Amerika tijdens de oorlog met Afghanistan en Irak. En om dezelfde reden verkocht Israël in jaren tachtig wapens aan de Iraniërs om tegen Saddam te vechten. Dezelfde Amerikaanse wapens die nog door het leger van Bashar al-Assad zijn ingezet tegen de burgers en misschien ook nog tegen de Amerikaanse soldaten als zij Damascus binnenvallen. 

Als na twee jaar strijd en bloedvergieten het militair straffen van het Assad-regime, machtspolitiek ook maar één burgerleven zal beschermen moet dat, hoe cynisch ook, een kans krijgen. We moeten de motieven alleen niet mooier willen maken dan ze zijn.

Damon Golriz is politiek commentator en publicist.

Geef een reactie

Laatste reacties (15)