990
28

Hoogleraar sociologie UvA

Jan Willem Duyvendak (1959) is sinds 2003 hoogleraar in de algemene sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde sociologie en filosofie in Groningen en is geïnteresseerd in maatschappelijke vraagstukken als de multiculturele samenleving, emancipatie, homoseksualiteit, politiek en sociale bewegingen.

Instituties

We beleven een crisis van de eerste orde nu onze oude instituties kraken onder hun nietszeggendheid

Nederland verkeert in een maatschappelijke en politieke crisis – maar wat is precies de aard van deze crises? Sommigen stellen dat het om publieke hufterigheid draait, waaraan iedereen zich schuldig maakt. Wellevendheid in de openbare sfeer zou ver te zoeken zijn. Anderen menen dat het probleem fundamenteler is: het gaat niet alleen om een gebrek aan gedeelde normen, ook zouden we niet meer weten voor welke waarden we staan.

Onder ‘we’ wordt dan meestal ‘wij, Nederlanders’ verstaan: er zou sprake zijn van een nationale crisis in onze normen en waarden. Deze crisis wordt in deze diagnose vooral veroorzaakt door de vestiging van migranten in Nederland in de afgelopen decennia. Zij zouden er al te afwijkende normen, waarden en praktijken op na houden. Overigens zouden ‘we’ dit deels aan onszelf te wijten hebben omdat Nederlanders ook niet erg duidelijk zijn over wat onze nationale normen en waarden zijn, laat staan dat we nog iets zouden weten over hun herkomst (en dus worden er nationale canons ontworpen – zoals de gamma-canon in de Volkskrant, nationaal historische musea opgericht, et cetera).

De crisis wordt dan begrepen als een algemene culturele crisis: we weten niet meer wie we zijn, en als prinses Maxima vervolgens hardop zegt dat de Nederlandse identiteit niet bestaat, dan zijn velen daar ontstemd over. Sociologisch gesproken is het echter onjuist om te spreken van een crisis in onze identiteit veroorzaakt door onhelderheid of grote pluriformiteit: Nederlanders zijn extreem eensgezind als het gaat om onze waarden: we staan in de top drie van cultureel homogene landen. Van links tot rechts zijn we uitgesproken vooruitstrevend over talloze morele kwesties: niet alleen als het om de gelijkheid van mannen en vrouwen gaat, of van homo- en heteroseksuelen, of van ouders in relatie tot hun kinderen, maar ook bijvoorbeeld met betrekking tot ethische kwesties gerelateerd aan het levensbegin en -einde (abortus, euthanasie). Dit zijn onderwerpen waarover in andere landen diepe verdeeldheid bestaat. En alhoewel onze migranten minder delen in deze progressieve consensus, zijn Nederlandse Marokkanen op cruciale aspecten, zoals de steun voor homo-emancipatie, progressiever dan Marokkanen in andere West-Europese landen (en ook nog progressiever dan de gemiddelde Amerikaan…).  

De crisis is dan ook geen algemene cultuurcrisis. De Nederlandse crisis wordt vooral zo scherp beleefd omdat onze instituties gedateerd zijn geraakt, niet mee zijn gegroeid met de veranderingen die Nederland sinds de ‘lange jaren zestig’ in hoog tempo heeft doorgemaakt. Het verzuilde model mag tot 1960 effectief zijn geweest als oplossing voor religieuze verdeeldheid, sinds de secularisatie zijn organisaties op levensbeschouwelijke grondslag – de media, het onderwijssysteem, de wereld van zorg en welzijn in een vreemd soort vacuüm terecht gekomen. Deze organisaties zijn van niemand meer (niet van de zuilen, niet van de burgers noch van de politiek) en ze dienen eigenlijk nergens meer toe (want slechts een minderheid van de Nederlanders is nog religieus en dan nog vaak in erg lichte vorm). Maar omdat ze wettelijk nog bestaan, leiden ze niettemin een eigen leven, met soms verrassende revivals: aangezien nieuwkomers met een islamitische achtergrond het recht niet kan worden ontzegd om gebruik te maken van de institutionele erfenis van het verleden, groeit het aantal religieuze scholen. Daar islamitische verzuiling nu niet bepaald op veel support mag rekenen, wordt deze institutionele erfenis veelal als problematisch beschouwd.

Recente pogingen om middenveldinstellingen te ‘vermarkten’ en ze als bedrijven te besturen, hebben de legitimiteitscrisis overigens eerder vergroot dan verkleind. Deze organisaties zijn nu geheel ontworteld geraakt. In die zin beleven we een heuse institutionele crisis – aangezien instituties organisaties zijn die het gedrag van individuen vergaand sturen vanwege historische continuïteit en zeggingskracht. Maar de boodschap van het verleden blijkt dezer dagen niet eenduidig. Welke instellingen hebben zoveel historische continuïteit en zeggingskracht dat we ze vandaag als instituties beschouwen?

De Nederlandse socioloog Zijderveld definieert instituties gelet op de relevantie van het verleden als ‘traditionele vormen van denken, voelen en doen’. Hij bedoelt met traditioneel echter niet dat instituties gedateerd zouden zijn, integendeel, ze hebben juist zeggingskracht voor ons gedrag omdat ze ook nu nog door ons als relevant en waardevol worden erkend en herkend. Daar zit echter een ingewikkelde crux: instituties hebben hedendaagse betekenis op grond van historische zeggingskracht, maar die historische zeggingskracht spreekt niet voor zichzelf. Het verleden bestaat weliswaar – neergeslagen in allerlei wetten en praktijken – maar of dat verleden ons in het heden iets te zeggen heeft? Wij moeten bepaalde aspecten als waardevol, als ‘institutioneel’ herkennen en erkennen. Wij maken uit welk verleden ons vandaag past, welke tradities we voortzetten, en welke niet.

Daarbij kunnen we er bijvoorbeeld voor kiezen om ons polder-verleden relevant te verklaren voor het heden. Dan heet polderen een waardevol kenmerk van de Nederlandse identiteit. Stroperigheid is dan een geuzennaam voor de soepele sociale verhoudingen die dit land kenmerken. Door het polderen ook vandaag de dag weer in praktijk te brengen geven we het historische zeggingskracht en continuïteit. Maar steeds luider klinkt de klacht dat polderen helemaal niet bij moderne, geïndividualiseerde burgers past. En dat de verzuilde achterkamertjescultuur een zelfbenoemde elite in stand houdt die vervreemd zou zijn van boze burgers. In deze optiek verschijnt het polderende verleden als ‘ongepast’ voor het heden en wordt deze institutionele erfenis als ballast beschouwd in plaats van als bagage voor de toekomst.

Daarmee is deze erfenis overigens nog niet zomaar verdwenen want ze ligt vast in talloze regels, organisaties, wetten en praktijken. Maar ‘polderen’ is dan geen institutie meer; niet meer richtinggevend voor ons voelen, denken en doen. Polderen is dan hetzelfde lot beschoren als eerder het verzuilde verleden: de protestantse of katholieke school die plotsklaps geen betekenis meer hadden als scholen van een zekere denominatie, de V.P.R.O die zomaar haar puntjes verloor, de Volkskrant die niet meer katholiek was, et cetera.

Sociologen hechten terecht veel belang aan instituties voor het begrijpen van het gedrag van mensen (ook al zien moderne burgers zichzelf liever als autonome individuen die vrolijk en vrij kiezend in het leven staan, zich niet bewust van welke institutionele erfenis en invloed dan ook maar). Sociologen hebben gelijk dat er talloze stilzwijgende, vanzelfsprekende instituties zijn die het samenleven mogelijk maken: het recht, het geld, het onderwijs, de gezondheidszorg, het gezin, et cetera. Maar juist Nederlandse sociologen zouden gevoelig moeten zijn voor de drastische verschuivingen die zich in de betekenis van instituties kunnen voordoen: ons institutionele bouwwerk stond ogenschijnlijk als een huis, maar naar nu blijkt is er op z’n minst sprake van ernstig achterstallig onderhoud.

Als economen en bestuurskundigen, in navolging van sociologen, op het grote gewicht van de geschiedenis wijzen – in de sociale wetenschappen heet alles nu ‘path dependent’ te zijn – dan overschatten ze de objectieve kracht van instituties, terwijl uiteindelijk alleen die aspecten van het verleden doorwerken in het heden die we nu van waarde achten. Een beroep op de geschiedenis om uit de actuele crisis te komen, helpt dus ook niet: we moeten het vandaag eens worden over wat we van het verleden willen behouden. Dat is een dringende kwestie nu zelfs het koningshuis en de ‘elitaire’ representatieve democratie hun zeggingskracht voor sommigen lijken te verliezen.

Daar waar we opmerkelijk eensgezind zijn over de inhoud van een modern en vooruitstrevend Nederland, daar mankeert het ons aan een adequate vorm. We beleven dan ook een crisis van de eerste orde nu onze oude instituties kraken onder hun nietszeggendheid. En dat terwijl nieuwe organisaties – ‘lichte gemeenschappen’ – zich slechts langzaam ontwikkelen en nog lang niet de zeggingskracht van echte instituties hebben.

Dit artikel is onderdeel van de gamma-canon van de Volkskrant. Een verkorte versie van het stuk verscheen zaterdag in deze krant.

Geef een reactie

Laatste reacties (28)