2.444
121

Kijk voor het programma van Studium Generale Utrecht op http://www.sg.uu.nl/

Is de SP een club van gevaarlijke utopisten?

Hans Achterhuis in debat met Ronald van Raak

Achter de rug van de vriendelijke SP doemt het utopische spook op, waarschuwt Denker des Vaderlands Hans Achterhuis. De SP belichaamt juist een knusse revolutie, dient Ronald van Raak hem van repliek. Wie gevaarlijke utopisten zoekt, kan beter naar de neoliberalen kijken met hun geloof in de markt.

HANS ACHTERHUIS:

Linkse filosofiestudenten maakten mij uit voor fascist, en een progressieve predikant noemde mij een doodzieke cynicus, toen ik in de jaren negentig mijn kritiek op utopisch denken en handelen begon te ontwikkelen.

Dit soort kwalificaties raakte mij wel emotioneel – het is nooit leuk om in het openbaar uitgescholden te worden – , maar niet intellectueel. Het liet mij juist zien dat ik intellectueel op het goede spoor zat.

Wanneer een bepaald slag linkse ijveraars zonder enige argumentatie zo giftig reageerde op mijn kritiek op de utopie, liet dat scherp uitkomen hoe centraal, ja, zelfs onmisbaar, dit laatste begrip kennelijk voor hen was. Dat strookte met de intuïtie op grond waarvan ik mijn onderzoek naar het utopisch bewustzijn ondernomen had.

Intellectueel werd ik een paar jaar later wel geraakt door ‘Waarom socialisten geloven in spoken’, een essay van filosoof en SP-Tweede Kamerlid Ronald van Raak in zijn bundel ‘Oud licht op nieuwe zaken’. De spoken waar Van Raak in zijn titel op doelt, stammen uit de beginregel van Het Communistisch Manifest van Marx en Engels: “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme”.

Ik had dit spook gelijkgesteld aan een utopie, een blauwdruk van een toekomstige maatschappij, waarvan beloofd wordt dat alle spanningen en strijd tussen mensen er zullen zijn opgeheven. Marx verwoordt deze utopie duidelijk. Wanneer het communisme bereikt zou zijn, zou ieder mens naar zijn bekwaamheden aan de gezamenlijke maatschappelijke rijkdom bijdragen en er ook vrijelijk naar zijn behoeften uit kunnen nemen.

Deze utopie vond ik gevaarlijk, juist omdat de meest idealistische mensen er zo gemakkelijk in geloven. Ik citeerde Milan Kundera uit ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’, waarin hij de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije beschrijft. De communisten hadden volgens Kundera ‘een grootscheeps program, een plan voor een totaal nieuwe wereld’. Aanvankelijk was het volgens hem ‘de actievere, slimmere en betere helft van het volk’ die dit plan toejuichte. Hun tegenstanders, met wie ik mij vereenzelvigde, konden hier weinig tegenover stellen. Als antwoord op de grote droom beschikten zij slechts over “een paar morele principes, versleten en saai, waarmee zij de gescheurde broek van de toenmalige maatschappij wilden verstellen”.

Die verstelde broek plaatste ik tegenover de utopische belofte van een ‘schitterend nieuw gewaad’. Van Raak denkt dat ik met deze metafoor niet zozeer een pleidooi houd voor een politiek zonder een utopie maar voor een politiek zonder idealen.

Hier ligt de kern van ons meningsverschil. Mijn wat saaie principes kunnen wel degelijk tot maatschappelijke idealen worden uitgebouwd, maar nooit tot een utopie. Idealen bestaan altijd in het meervoud, ze hebben een pluralistisch karakter. Dat betekent dat ze voortdurend tegen elkaar moeten worden afgewogen, omdat ze zelden voor honderd procent gerealiseerd kunnen worden. Dat geldt al voor de mens als individu – vrijheid, liefde, trouw, solidariteit, authenticiteit en ga maar door, botsen vaak met elkaar – , maar helemaal voor de maatschappij. Daar ontmoeten we altijd mensen en groepen die vanuit een ander perspectief een ander ideaal bovenaan hun verlanglijst zetten. Politiek is daarom een zaak van blijvende confrontaties en compromissen. Je moet je oude kleren nooit uittrekken in de verwachting dat er een totaal nieuw gewaad voor je klaar ligt.

Dat bepleit de utopist juist wel. Marx en de communisten droegen dit geloof met verve en enthousiasme uit.

Socialisten die de oude broek wilden verstellen, die concrete maatschappelijke verbeteringen nastreefden, werden uitgemaakt voor reformisten. Door hervormingen in het verfoeide kapitalisme te realiseren, zouden zij het juist langer in stand houden in plaats van het snel ineen te laten storten.

Alleen een totale revolutie zou de nieuwe maatschappij tot stand kunnen brengen, alle mensen een nieuw gewaad verschaffen. Toen de revolutie in Rusland plaatsvond, bleek een aantal mensen dit nieuwe gewaad niet te waarderen. Zij wilden met de machthebbers in discussie gaan, ze gaven vaak de voorkeur aan hun oude kleren. Die discussie werd hun niet toegestaan, iedereen moest het communistische maatpak dragen.

Ik besef dat ik met deze metafoor en met de verwijzing naar Marx geen recht doe aan de praktische positie die Van Raak inneemt. Ik ben het in de praktijk goeddeels eens met de keuze voor een linkse politiek die hij maakt in een recent essay in de bundel ‘Vrijheid. Maar voor wie?’ onder redactie van Tiers Bakker en Robin Brouwer.

Toch is het geen filosofische scherpslijperij wanneer ik hamer op het belang van ook een duidelijke theoretische stellingname die de utopie afwijst. Wie dat niet overtuigend doet, zal ontdekken dat achter zijn rug de utopie voortdurend blijft opduiken. Zelf heb ik dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw ervaren. In mijn onderwijs betoogde ik toen dat de waardevolle inzichten van Marx, ook los van het utopisch kader, gerealiseerd zouden kunnen worden. Dat was een gevaarlijke vergissing. Achter mijn rug ontwikkelde zich onder meer het maoïsme als een nieuwe utopie die ook de SP van Van Raak inspireerde. Dit soort spoken kan, ook voor de toekomst, alleen maar bezworen worden wanneer de utopie ook theoretisch bij het groot vuil wordt gezet.

Natuurlijk weet ik ook dat, zoals de Amerikaanse Nobelprijswinnaar in de economie Joseph Stiglitz onlangs zei, we moeten beseffen dat de utopie tegenwoordig van rechts komt in de vorm van het neoliberalisme. Dat heb ik dan ook niet voor niets kritisch onderzocht. Maar we komen van de regen in de drup wanneer we hier een linkse utopie tegenover stellen. Dat gebeurt helaas wel in veel bijdragen in de eerder genoemde bundel over vrijheid. Een serie bijeenkomsten daarover in De Nieuwe Liefde in Amsterdam trekt volle zalen.

Mijn eigen positie wordt in deze bundel onder een negatief voorteken vergeleken met de opstelling van de sociaaldemocraten uit de vorige eeuw. Mijn appèl voor emancipatie en hervorming zou alleen maar leiden “tot een versteviging en aanscherping van het kapitalistische maatschappijsysteem”. In plaats van naar concrete verbeteringen in de bestaande maatschappij te streven, “wordt het hoog tijd het revolutionaire hakmes weer te slijpen”.

Voor mijn gevoel wordt hiermee de klok minstens vijftig jaren teruggedraaid. Net zo als men in de jaren zestig van de vorige eeuw met Marcuse als filosofische profeet vond dat het kapitalisme elke kritiek onschadelijk maakte door haar in te kapselen, doet men nu een beroep op een denker als de Sloveen Slavoj Žižek om opnieuw de communistische revolutie te prediken.

In plaats van de metafoor van de oude broek wordt hier het gezonken Italiaanse cruiseschip Costa Concordia opgevoerd. Dit zou staan voor ons maatschappijsysteem dat ten ondergang gedoemd heet te zijn. De boodschap is duidelijk: “Verlaat het schip, verlaat het kapitalisme”. De suggestie wordt gewekt dat wanneer we allemaal overboord springen het nieuwe vaartuig Utopia al klaar ligt. Want wanneer we het kapitalisme hebben verlaten, zo wordt gesteld, “kunnen we weer nadenken over een economie voor iedereen”. Deze vage boodschap lijkt me levensgevaarlijk. Veel mensen zullen volgens mij onherroepelijk verdrinken, veel anderen zullen als dit nieuwe schip ooit van stapel loopt, zich er niet op thuis voelen.

Ik ontken niet dat het schip van onze samenleving averij heeft opgelopen. Maar laten we het proberen te repareren terwijl het vaart.

RONALD VAN RAAK:

‘Utopie’ is een scheldwoord. Als ik u uitmaak voor ‘utopist’, betekent dat weinig goeds. U bent naïef, u bent wereldvreemd, u gelooft in iets wat niet kan.

Ik ben socialist. Volgens sommigen ben ik daarmee ook een utopist die vasthoudt aan het verleden, aan een abstracte theorie, aan iets wat toch nooit zal komen. Ik op mijn beurt beschuldig juist politieke tegenstanders van geloof in een utopie. Liberalen die geloven dat de markt als vanzelf vrede en voorspoed zal brengen. Een utopie die onze economie in een crisis heeft gebracht, publieke voorzieningen in de uitverkoop heeft gedaan en de tegenstellingen in onze samenleving heeft vergroot. Een utopie is gevaarlijk. Zij is geen ideaal, geen droom van een betere wereld, maar een dogma dat diep ingrijpt in het leven van mensen.

Nederlanders houden niet van utopieën. Wij vinden onszelf gematigd, praktisch en nuchter. De werkelijkheid is anders. Ook wij laten ons graag meeslepen. Door verhalen van angst: van moralisten die de afbraak vrezen van onze moraal, of van milieuactivisten die de ondergang voorspellen van onze aarde. We laten ons ook graag meevoeren door verhalen van hoop: door idealen van liberalen, die spreken over de ongekende mogelijkheden van het individu, of van socialisten, die prachtige vergezichten schetsen over waar we samen toe in staat zijn. Wanneer wordt een ideaal een utopie? Wanneer maakt een verhaal ons enthousiast om dingen te verbeteren, wanneer ontneemt het ons het zicht op de werkelijkheid?

Mijn partij is ontstaan in een tijd van grote verhalen. De SP is opgericht in oktober 1972 – veertig jaar geleden – door jonge idealisten. In die tijd werden veel linkse partijen opgericht, van marxisten, maoïsten, trotskisten en wat niet meer. Vaak door intellectuelen, die in boeken de zekerheid vonden van een snelle revolutie. Al die splinterpartijtjes zijn snel weer verdwenen, maar de SP bestaat nog steeds en is uitgegroeid tot een brede volkspartij.

Die jonge SP’ers snapten al snel dat het zo niet veel zou worden met die revolutie. Dus gingen ze zich toeleggen op zaken die mensen wel belangrijk vonden: veilige speelplaatsen voor kinderen, onderhoud van woningen, zorg voor ouderen in de buurt. Daarmee kregen de abstracte idealen een concreet gezicht en een praktische uitwerking. Maar vooral steun van de bevolking, die zag hoe je samen je leven en buurt kunt verbeteren. Gezamenlijk een speeltuin bouwen, samen actie voeren tegen de woningcorporatie, zelf een zorginstelling oprichten. De revolutie was niet groots en meeslepend, maar bleek kleiner en gezelliger dan gedacht. De boeken werden getoetst aan de burgers. Dat leidde tot steun voor die idealen, maar ook tot verdere ontwikkeling daarvan.

Achterhuis stelt dat het belangrijk is de utopie ook theoretisch bij het grofvuil te zetten. Dat hebben we allang gedaan. In december 1999 werd ik uitgenodigd op het Congres van de SP, waar een nieuw beginselprogramma werd vastgesteld. Daarover was sinds het aantreden van de partij in de Tweede Kamer in 1994 gediscussieerd. Ik was aangenaam verrast door de taal en de toon van dit programma, met als titel ‘Heel de mens’. Deze socialisten formuleerden geen theoretisch dogma, maar een praktische meetlat voor de dagelijkse politiek. Zelf zeiden ze het zo: “Het socialisme is geen blauwdruk voor een toekomstige samenleving. Het is ook geen heilsprofetie, die volstaat met de belofte dat het achter de horizon allemaal beter zal zijn. Het socialisme verwoordt op de eerste plaats een bepaalde visie op mens en samenleving. Dat biedt een perspectief voor de toekomst maar heeft vooral ook betekenis in het hier en nu.”

Op het moment dat de SP definitief afscheid nam van haar dogma’s werd zij echter geconfronteerd met een nieuwe utopie: het marktdenken, in ‘Heel de Mens’ aangeduid als een ‘Brutopia’: “De vrijwel volledige vrijheid van kapitalistische ondernemingen leidt ertoe dat wereldwijd miljoenen mensen hun leven in onvrijheid moeten doorbrengen, uitgebuit, onderdrukt, ondervoed, onderontwikkeld. Grote morele vraagstukken omtrent de kwaliteit van het leven, het respect voor dieren, de maakbaarheid van genetisch materiaal zijn bij de vrije markt in verkeerde handen, omdat de markt geen moraal kent. Hetzelfde geldt voor de steeds urgenter wordende problemen van milieuvernietiging, milieuvervuiling, roofbouw en verspilling van grondstoffen. Al deze zaken vereisen een veel zorgvuldiger afweging dan alleen een eng-economische, waartoe de markt zich beperkt.”

Tegenwoordig is dit een analyse die kan rekenen op veel steun, maar twintig jaar geleden, toen de leden van de SP deze beginselen bespraken, was dit een eenzaam geluid. Dit was de tijd dat de PvdA onder Wim Kok de ideologische veren afwierp en Frits Bolkestein zei dat in de Tweede Kamer iedereen, behalve de SP, liberaal was. Terwijl de SP op zoek ging naar de menselijke maat, kozen veel andere partijen voor een nieuw dogma: de vrije markt.

Dit dogma beschouwt de mens als rationeel wezen dat volledig inzicht heeft in de markt. Maar dit wezen bestaat niet.

Dit dogma gaat uit van de overtuiging dat als mensen vooral denken aan hun eigenbelang, dit leidt tot het grootste gemeenschappelijke goed. Die samenleving bestaat ook niet. De politiek van meer markt en eigen verantwoordelijkheid is een utopie.

Directeuren van woningcorporaties die zich vergrijpen aan onbetaalbare prestigeprojecten, op kosten van de huurders. Managers op hogescholen die onterecht diploma’s uitdelen, om meer geld binnen te halen. Bestuurders van ziekenhuizen die problemen verzwijgen, om investeerders niet af te schrikken. De utopie van de markt heeft directe gevolgen voor mensen. En die gevolgen bleven niet beperkt tot de (semi)publieke sector. Minder regels en toezicht, meer vertrouwen op het eigenbelang van managers en ondernemers, hebben geleid tot onverantwoord gedrag bij banken en financiële instellingen. De idee dat de markt geen regulering behoeft, heeft geleid tot een economische crisis, die het vertrouwen van mensen in de economie en in de politiek heeft aangetast.

Tegenover de utopie van het marktdenken stelt de SP geen linkse utopie. Wij zijn geen lifestyle partij, prediken geen modieuze verhaaltjes, maar laten ons leiden door concrete beginselen, die zijn getoetst aan de werkelijkheid. Geen schitterend gewaad, maar een lekkere broek. Dat is wat anders dan het pragmatisme van de PvdA. Ik beschuldig de PvdA niet van ‘reformisme’, ik waarschuw ze dat ze paraderen in de kleren van de keizer. Door die kleurloosheid schijnt nu helaas opnieuw de utopie van het marktdenken.

Ronald van Raak is Tweede Kamerlid voor de Socialistische Partij. Hij studeerde maatschappijgeschiedenis en filosofie en promoveerde op een studie naar het conservatisme. Je wordt slimmer als je mensen ontmoet die het niet met je eens zijn. Daarom gaat Denker des Vaderlands Hans Achterhuis in een reeks gesprekken in debat met Tegendenkers. Het debat waarvan de lezingen hier staan afgedrukt, vond maandag plaats in Utrecht en ging over utopieën.

Het volgende debat is op 17 december, om 20 uur in de aula van het Academiegebouw, Domplein, Utrecht: De slimste aan de macht met prof. dr. Hans Achterhuis en als tegendenker prof. dr.Evelien Tonkens.

Zij spreken over de meritocratie, in feite onze huidige maatschappij, waar talent beloond wordt, wat volgens Achterhuis goed is, maar waarin de ongetalenteerden een nieuwe, gefnuikte onderlaag zullen worden, waar Tonkens zich zorgen over maakt.

Geef een reactie

Laatste reacties (121)