3.445
10

Literatuurwetenschapper

Maya (1986, Amsterdam) is literatuurwetenschapper en schrijft stukken op persoonlijke titel. Zij studeerde literatuurwetenschap en culturele antropologie en was werkzaam als Research Assistant aan de UvA. Ze liep in 2012 stage bij het UNHCR en deed voor haar studie onderzoek naar het Nederlandse 1F-beleid toegepast op Afghaanse vluchtelingen.

Is de ‘vermeende oorlogsmisdadigers-status’ aan Afghaanse ex-functionarissen wel zo redelijk?

Afghaanse ex-functionarissen kunnen nooit meer een bestaan opbouwen. Ze krijgen geen vluchtelingenstatus en kunnen ook niet terug naar eigen land

Afgelopen maand werd Nederland overspoeld met berichtgevingen over het CIA Torture Report van de Senaatscommissie. De rechten van vermeende daders (lees: mogelijk onschuldige mensen) werden geschonden. Het strafrecht gaat uit van onschuldpresumptie: iemand wordt onschuldig geacht tot het tegendeel is bewezen. Maar als het gaat om vermeende oorlogsmisdadigers, wordt ook in Nederland de bewijslast omgekeerd.

Een groep Afghaanse vluchtelingen die werkzaam waren bij overheidsinstanties ten tijde van het communistische regime in Afghanistan, werd uitgesloten van een vluchtelingenstatus. Deze vermeende oorlogsmisdadigers kunnen door een gebrek aan bewijs niet vervolgd worden. Aantonen dat zij onschuldig zijn, wordt hen echter onmogelijk gemaakt. Ze moeten hiervoor documenten uit het land van herkomst aandragen. Maar bewijsstukken uit Afghanistan worden door de Immigratie- en Naturalisatie dienst op voorhand niet in behandeling genomen. 

Uitsluiting van vermeende oorlogsmisdadigers

De Afghaanse vluchtelingen worden naar aanleiding van het ambtsbericht 2000 ‘Veiligheidsdiensten in Communistisch Afghanistan (1978-1992)’ onderworpen aan artikel 1F van het VN vluchtelingenverdrag. Artikel 1F is een uitsluitingsclausule voor vluchtelingen die zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen en/of oorlogsmisdaden. In het ambtsbericht 2000 wordt gesteld dat overheidsfunctionarissen, vanaf de rang onderofficier bij het leger, de politie of de veiligheidsdiensten, zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden tijdens het communistische regime in Afghanistan. Leslie Haskell, adviseur bij Human Rights Watch vindt dat Nederland het voortouw heeft genomen wat betreft de toepassing van het 1F beleid. Bij de toepassing van het 1F beleid wordt de vermeende oorlogsmisdadiger uitgesloten van een vluchtelingenstatus. Volgens haar neemt de Nederlandse overheid verantwoordelijkheid naar vluchtelingen toe, door misdaden te vervolgen, die niet vergeten mogen worden. Als ook andere landen het voorbeeld van Nederland zullen volgen, zullen personen verantwoordelijk voor gruweldaden niet langer hun straf ontlopen. De realiteit is echter anders.

Juridisch vacuüm

Door een gebrek aan bewijs is het onmogelijk om de Afghaanse 1F’ers ooit te vervolgen, mits er geïnvesteerd wordt in nader onderzoek. Iets dat de Nederlandse overheid tot nu weigert, maar eigenlijk wel zou moeten doen. Omdat het beleid deels gericht is op het vervolgen van de vermeende misdadigers, komen de vluchtelingen vast te zitten in een juridisch vacuüm. Ze mogen officieel niet in Nederland verblijven, maar kunnen vaak ook het land niet verlaten. Hierdoor ontstaat er een vorm van gedoogde illegaliteit, die deze mensen weinig toekomstperspectief biedt.

Sommige van hen wonen inmiddels 20 jaar in Nederland, maar kunnen door de getroffen sancties geen bestaan opbouwen. Op het moment dat deze vluchtelingen een vluchtelingenstatus onthouden wordt, worden hen tegelijkertijd fundamentele rechten ontnomen. De uitsluiting is een zogenaamd mort civil, een burgerlijke dood. De vluchtelingen hebben geen recht op een inkomen, werk of een verblijfsplaats. Zonder hulp van particulieren of een sociaal netwerk is het onmogelijk voor hen om te overleven.

Er zijn tal van redenen te bedenken waarom de Nederlandse overheid vasthoudt aan het 1F beleid. Maar ik kan me geen enkele reden bedenken die het schenden van rechten van vermeende oorlogsmisdadigers kan rechtvaardigen. Met uitzondering van de Vier van Breda kwamen vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog alle Duitse oorlogsmisdadigers vrij. Voor Afghaanse vluchtelingen aan wie een 1F status is tegengeworpen blijft onduidelijk wanneer de opgelegde sancties jegens hen opgeheven worden. De maatschappelijke uitsluiting is voor een onbepaalde tijd. Een verdenking van ernstige mensenschendingen en/of oorlogsmisdaden verjaart namelijk niet. Intussen worden Afghaanse 1F’ers door de Nederlandse staat aan hun lot overgelaten, terwijl zij mogelijk onschuldig zijn.

Geef een reactie

Laatste reacties (10)