924
20

Politiek historicus

Ewout Klei (1981) is historicus en heeft zich gespecialiseerd in de contemporaine politieke geschiedenis.

Is het democratisch tekort onvermijdelijk?

De kloof tussen burger en politiek kan nooit helemaal overbrugd worden

Hoe democratisch is Nederland? Hebben we als kiezers überhaupt wel iets te vertellen? In Nederland heeft de kiezer geen invloed op de kabinetsformatie en het is ook niet mogelijk om de minister-president te kiezen. Omdat geen enkele politieke partij in haar eentje de parlementaire meerderheid behalen kan, moeten er coalities worden gesmeed en in de achterkamertjes (soms pijnlijke) compromissen worden gesloten.

Veel kiezers voelen zich door de politiek bedrogen omdat partijen tijdens de formatie vaak hun verkiezingsbeloften verloochenen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen stemden veel mensen PvdA in de hoop hiermee een links kabinet mogelijk te maken, maar ze kregen een VVD-PvdA-kabinet dat strenge bezuinigingen doorvoert. Kan de kloof tussen burger en politiek worden verkleind? Of is het democratisch tekort onvermijdelijk?

Kroonjuwelen als blindgangers
Onze politieke geschiedenisles vangt aan in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de Nederlandse politiek werd gedomineerd door de Katholieke Volkspartij. Deze partij was in elke coalitieregering vertegenwoordigd. Soms besloot de KVP linksom te gaan en ging men in zee met de PvdA, soms ging de KVP rechtsom en werkte de partij samen met de VVD. De val van een kabinet betekende niet dat er meteen verkiezingen gehouden moesten worden. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1963 werd het centrumrechtse kabinet-Marijnen gevormd, dat in 1965 werd opgevolgd door het centrumlinkse kabinet-Cals. Eind 1966 kwam dit kabinet ten val, na de beruchte Nacht van Schmelzer, en werd opgevolgd door het centrumrechtse kabinet-Zijlstra. Pas in 1967 waren er weer Tweede Kamerverkiezingen.

Enkele dissidente politici en intellectuelen die van mening waren deze krakkemikkige coalitiepolitiek niet meer kon, richtten in 1966 de partij Democraten ’66 op. D’66 (tot 1985 geschreven met een komma) wilde dat de kiezer het weer voor het zeggen zou krijgen. Om directere democratie te kunnen verwezenlijken moest Nederland een gekozen minister-president krijgen en een districtenstelsel naar Amerikaans voorbeeld. Ook was D’66 een voorstander van burgemeestersverkiezingen en van referenda. Partijleider Hans van Mierlo lanceerde tijdens de verkiezingscampagne van 1967 de zogenoemde ‘ontploffingstheorie’. Zijn partij moest zich opheffen zodra de partij haar doel had bereikt: “D’66 verdwijnt wanneer we het huidige politieke stelsel mee hebben helpen opblazen.”

Het ideaal bleek een illusie en de kroonjuwelen van D’66 belandden al gauw in de ijskast. Toen de gewenste radicale politieke hervormingen maar niet kwamen besloten de Democraten om dan ook maar onderdeel te worden van het politieke systeem, als redelijk alternatief voor PvdA en VVD. Van Mierlo zei in 1990 dat hij nog steeds geloofde in de ontploffingstheorie, maar dan vooral “op de lange termijn”. Net als de christenen en communisten geloofde de D66-godfather dus dat de heilstaat van morgen pas morgen werkelijkheid zou worden.

In het eerste decennium van het nieuwe millennium boekten de Democraten eindelijk succes, met de invoering van het correctief referendum en het burgemeestersreferendum. Helaas bleken deze bestuurlijke vernieuwingen in de praktijk niet te werken.

Het referendum over de Europese Grondwet was één groot fiasco. Het initiatiefvoorstel ging uit van de progressieve pro-Europese partijen D66, PvdA en GroenLinks, maar de campagne werd vervolgens door de conservatieve eurosceptici Geert Wilders, André Rouvoet en Harry van Bommel gekaapt, die een beroep deden op de onderbuik- en angstgevoelens van de burgers die bang waren hun ‘joods-christelijke’ identiteit en/of sociaal-economische zekerheid te verliezen. De weinig geloofwaardige en peperdure ja-campagne van de regering kon hier weinig aan veranderen en bevestigde het beeld van een regentesk Den Haag, waardoor de schreeuwende minderheid won.

Het burgemeestersreferendum was misschien wel een nog een grotere ramp. In 2007 werd er zo’n referendum gehouden in Utrecht, en in 2008 in Eindhoven. Bij beide burgemeestersreferenda kon de kiezer slechts kiezen tussen twee PvdA’ers, wat deze verkiezingen tot één grote schijnvertoning maakte. Aleid Wolfsen ontpopte zich vervolgens tot de minst democratische burgemeester ooit, de vleesgeworden regent (met zitvlees) die maar niet wilde opstappen.

Omdat de kroonjuwelen van D66 het politieke systeem niet tot ontploffing brachten maar in de ijskast werden gelegd of in de praktijk mislukten, bleken ze in werkelijkheid blindgangers. Het democratiseringsstreven van D66 tot nu toe een deconfiture gebleken. Maar misschien lukt het wel “op de lange termijn”.

Konservative Revolution
Niet alleen D66 heeft zich beziggehouden met de kloof tussen burger en politiek. De populisten vinden dit vraagstuk ook erg belangrijk en hebben de discussie over dit thema vanaf de jaren negentig gedomineerd.  Het referentiekader van D66 was de coalitiepolitiek van de jaren zestig, het referentiekader van de populisten is het polderen van de jaren negentig.

Belangrijk voor de populistische theorievorming is het artikel ‘Eén-partijstaat Nederland’ van historicus J.W. Oerlemans, dat op 14 februari 1990 in het NRC Handelsblad verscheen. Waar de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama na de val van het communisme het ideologieloze tijdperk enthousiast verwelkomde, daar was Oerlemans erg pessimistisch. Politici waren volgens hem geen gedreven idealisten meer maar opportunistische baantjesjagers. De Nederlandse democratie was verworden tot een ‘carrière-oligarchie’.

Omdat ideologische verschillen erg klein waren geworden en de politieke partijen eigenlijk allemaal hetzelfde wilden, hier en daar met verschillende accenten, was Nederland in feite een eenpartijstaat geworden.
Oerlemans kreeg veel kritiek maar er waren ook mensen die zijn opvattingen onderschreven.  In 1992 verscheen ‘Aan het Volk van Nederland’ van Pim Fortuyn. In dit pamflet werd de politiek van “ons soort mensen” gehekeld die aan vriendjespolitiek deden en een zo’n verstikkend netwerk over ons land hadden gelegd, dat de democratische legitimiteit van de volksvertegenwoordiging in gevaar kwam. Fortuyn deed in navolging van de achttiende-eeuwse democratische politicus Joan Derk van der Capellen tot den Pol, zijn “illustere voorganger en voorbeeld”, een oproep aan het volk van Nederland. Het volk moest in opstand komen en zijn vertrouwen leggen in dissidente critici (lees: de wekker van de Nederlandse natie prof. dr. W.S.P. Fortuyn), om zo de kloof tussen burger en politiek te dichten. Nederland moest weer worden teruggeven aan de mensen.

De populistische theorie werd verder uitgewerkt door internetdebater ACP (A.C. Postma), die sprak over de MPP, het monsterverbond tussen Majesteit en Politieke Partijen: 

Alle ‹politieke partijen› in Nederland zijn… LINX en lopen aan het lijntje van de monarchie… ook de groep Wilders. En wel omdat zij zich allen…. hoe dan ook aan de MPP (moeten) conformeren. De enige vorm van legitieme politieke OPPOSITIE kan uitsluitend BUITENKAMERS plaatsvinden.

De conservatieve polemist Bart Jan Spruyt bouwde op Oerlemans, Fortuyn en Postma voort. Volgens Spruyt wordt Nederland beheerst door een politiek kartel: “het nauw verweven wereldje van gevestigde politieke partijen, ambtenarij, en delen van de journalistiek en het old boys netwerk in het bedrijfsleven.”

Dat links en rechts in wezen niet van elkaar verschillen wordt volgens Spruyt bewezen door de vijandige reactie van de gevestigde partijen op buitenstaander Fortuyn, die in 2002 het politieke stelsel op zijn grondvesten deed schudden. De competitieve Fortuyn was er echter niet in geslaagd het regeerkasteel in te nemen. Spruyt wilde natuurlijk wel slagen.

In een geheime notitie uit april 2005, waar De Groene Amsterdammer de hand op had weten te leggen,  zette Spruyt de blauwdrukken voor zijn Konservative Revolution uiteen. De conservatieve denktank De Edmund Burke Stichting moest de publieke opinie blijven beïnvloeden, met een studieprogramma over het conservatieve een leger bouwen (“build an army”), en ten slotte moest er van de EBS een dreigende houding uitgaan. Spruyt hoopte op een paradigmawisseling, zodat Nederland in conservatieve zin zou kunnen worden hervormd.

Hier bleef het trouwens niet bij. In het Conservatief Manifest (2003) pleitte Spruyt voor de invoering van een districtenstelsel, zodat kiezers kunnen kiezen wie er regeert en wie de premier wordt. De saaie consensus moet plaatsmaken voor competitie.

Of een districtenstelsel voor meer democratie zorgt, valt nog maar te bezien. In de Verenigde Staten bestaan er maar twee politieke partijen die er echt toe doen, de Republieken en de Democraten. Als iemand president wil worden moet hij/zij lid zijn van één van deze partijen, want anders maakt deze persoon geen enkele kans. De Nederlandse democratie geeft minderheden een stem, vertolkt door bijvoorbeeld GroenLinks en de Partij voor de Dieren. In de Amerikaanse democratie hebben zulke geluiden veel minder invloed. Het winner-takes-it-all-principe is bovendien niet heel democratisch. In 2000 haalde presidentskandidaat Al Gore meer stemmen dan George W. Bush, maar vanwege het districtenstelsel won de laatste toch de presidentsverkiezingen. Omdat Bush een zeer conservatief beleid voerde en voor enorm veel polarisatie zorgde, voelde de helft van de Amerikanen zich niet door deze president vertegenwoordigd. Het Nederlandse systeem heeft ook zijn gebreken, maar is niet slechter dan het Amerikaanse.

De parade der populisten eindigt bij Geert Wilders en Thierry Baudet. Geert Wilders, met wie Spruyt in 2004 en 2005 een tijd heeft samengewerkt, presenteert zich ook als een buitenstaander, die niet met de gevestigde partijen wil meedoen. Niet voor niets schreef hij in 2005 een ‘onafhankelijkheidsverklaring’. Wilders keert zich tegen de ‘Haagse elite’ en werpt zich op als de beschermen van het volk van Nederland, gepersonifieerd in Henk en Ingrid. Zijn tegenover-houding zorgt er bij zijn kiezers voor, dat zij geloven dat Wilders wel doet wat hij zegt, geen compromissen sluit, wel luistert naar wat de kiezer wil. Maar Wilders’ tegenover-houding is maar schijn. Als gedoogpartner was hij wel tot verregaande compromissen bereid, onder andere over de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Het gaat Wilders vooral om de beeldvorming, dat hij een politicus lijkt die onafhankelijk is en opkomt voor de rechten van het volk. Wilders is een opportunistische machiavellist die net als de beruchte Paus Alexander VI vroom wil lijken zonder het te zijn. Hij is de vleesgeworden ‘verbeelding aan de macht’.

Baudet, Neêrlands bekendste zelfbenoemde intellectueel, gaat ook voor de methode-Spruyt. Hij wil de publieke opinie beïnvloeden ten aanzien van Europa, stelt zich dreigend op en hoopt op een radicale paradigmawisseling, namelijk dat Nederland uit de Europese Unie stapt. Ten aanzien van het democratisch tekort heeft Baudet natuurlijk niet helemaal ongelijk. Het Europese Parlement heeft immers weinig macht en de Europese instellingen zijn niet erg transparant. Baudets revolutionaire oplossing, Nederland uit de Europese Unie, zal echter voor een heleboel nieuwe problemen zorgen. Net als een invoering van het districtenstelsel is een van de EU vrijgemaakt Nederland geen verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Helaas pindakaas
Is het democratisch tekort onvermijdelijk? Ja, helaas pindakaas. De kloof tussen burger en politiek kan nooit helemaal overbrugd worden. Het ene kiesstelsel is niet beter dan het andere, elk heeft zijn eigen voor- en nadelen. Het is goed dat politici luisteren naar de kiezer, maar in ons coalitiesysteem is het onvermijdelijk dat er soms niet naar de wensen van de burger geluisterd wordt, vaak omdat dit gewoon niet mogelijk is.

Ten slotte, om toch maar even een open deur in te trappen, onze toekomstige koningin Máxima heeft gelijk: de Nederlandse identiteit bestaat niet, het volk van Nederland bestaat niet. We zijn allemaal individuen met verschillende ideeën en belangen. Natuurlijk zou het mooi zijn als de wensen van de meerderheid van de bevolking vaak kunnen worden omgezet in wetgeving, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn. Bovendien moet er rekening gehouden worden met de wensen van minderheden. Dit is niet alleen de ander, maar dat zijn wij allemaal wel eens een keertje.

Op de avond dat het kabinet Rutte II 100 dagen aan de macht is, debatteren we over de vraag hoe dit kabinet bevalt. Is dit een goede coalitie na jaren van polarisatie? Of een recept voor maatschappelijke onvrede? We gaan in gesprek met opiniepeiler Maurice de Hond, fervent pleitbezorger van meer democratie. Lees hierover zijn opiniestuk. En verder politiek filosoof Gerard Drosterij, politiek historicus Ewout Klei en Josien Pieterse (directeur Netwerk Democratie). Meer informatie? Kijk hier.

Volg Ewout Klei ook op Twitter

Het laatste boek van Ewout Klei is: Klein Maar Krachtig, Dat Maakt Ons Uniek

Geef een reactie

Laatste reacties (20)