9.847
237

Historicus

Han van der Horst (1949) is historicus. Hij schreef onder meer The Low Sky: understanding the Dutch', Nederland: de vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, Een bijzonder land, het grote verhaal van de Vaderlandse geschiedenis, Onze Premiers en Schep Vreugde in het Leven, Levenslessen uit de grote depressie. Op elke laatste zondag van de maand is hij om elf uur in de ochtend te horen als boekbespreker in het VPRO-radioprogramma over geschiedenis OVT.

Is professor Emmer nou een racist of niet?

Ideologen presenteren een zwart-wit karikatuur van de geschiedenis als de enige waarheid om er vervolgens hun programma voor het heden op te baseren. Echter, in het vak geschoolde geschiedschrijvers hebben daar een hekel aan, hoe politiek geëngageerd ze voor het overige ook mogen zijn.

Een paar weken geleden noemde Gerri Eickhof in een interview met de Volkskrant de Leidse emeritus hoogleraar Piet Emmer een racist vanwege zijn visie op de slavernijgeschiedenis. De aangevallene kwam daar in felle bewoordingen tegen in het geweer omdat je door zo’n aantijging buiten de orde wordt geplaatst. Dat leidde op de opiniepagina’s van de krant tot een heel debat  waar wetenschapsjournaliste Asha ten Broeke deze vrijdag de meest recente bijdrage aan leverde. De kop op de webpagina luidt: “Waarom ik het belangrijk vindt Piet Emmer een racist te noemen”. Klik je de column aan, dan lees je: “Is het echt zo erg om een racist genoemd te worden?

De sleutelzinnen in Ten Broekes betoog luiden aldus:

Neem Emmer. Hij kiest ervoor sommige feiten te benadrukken en andere niet. Hij kiest ervoor de slavernijgeschiedenis door de ogen van witte Europeanen te bekijken en niet door de ogen van tot slaaf gemaakten. Die keuzes kleuren zijn betoog. Ik vind zijn betoog racistisch. En ik vind het belangrijk dat dan ook te zeggen. Dit is een morele afweging. Je kunt ervoor kiezen mensen in principe niet van racisme te betichten, omdat je de beschuldiging te zwaar vindt. Of om je pas uit te spreken als het echt alle spuigaten uitloopt, met gepraat over omvolking en dergelijke. Maar als we dat allemaal zouden doen, wat voor maatschappij creëren we dan? Er is ook een andere afweging mogelijk: dat je besluit racisme altijd te benoemen als je het meent te zien. Oprecht, niet lichtzinnig, maar ook zonder een bijna strafrechtsbestendige bewijslast te verlangen.
Piet Emmer
Piet Emmer | Beeld: DWDD

Professor dr. Piet Emmer heeft zich zijn hele loopbaan beziggehouden met de geschiedenis van de transatlantische slavenhandel. Nu hij al lang en breed met emeritaat is, laat hij nog steeds van zich horen. Dat leidt meestal tot reuring want hij houdt zijn leven lang al van provoceren. Zo rond 1970 was ik eens betrokken bij het jaarlijkse congres van de Organisatie van Studenten Geschiedenis in Nederland (OSGN). Daar rekende een nog jeugdige Emmer een deels verontwaardigd publiek voor dat de slavenhandel helemaal niet zo’n lucratieve business was geweest. Datzelfde gold voor de Surinaamse plantages als je het op de wat langere duur bekeek. Emmer baseerde zich op de overgebleven bedrijfsadministratie van de Middelburgsche Commercie Compagnie, de grootste Nederlandse onderneming in de slavenhandel, die altijd maar bescheiden dividenden uitkeerde.

Van Coopstad en Rochussen uit Rotterdam, in de achttiende eeuw nummer twee, ging zelfs failliet. Dat kwam omdat het Surinaamse plantages te veel voorschotten en hypotheken had gegeven om ze als afnemers van hun ebbehout (zoals het in een bruiloftsgedicht werd geformuleerd, toen naar ik meen Rochussen trouwde met een meisje Hudig) in de lucht te houden.

Veel plantages zaten namelijk tot de nek in hypotheken en leningen. Als de prijzen van hun producten – vooral suiker – op de Europese markt in elkaar zakten, ontstond er dan ook een financiële crisis, die zich soms tot de hele economie uitbreidde. Daarop baseerde Emmer zijn stelling dat met Suriname alles bij elkaar niet veel is verdiend.

Dus is hij al een halve eeuw in menig Surinaamse kring de kwaaie pier. Men accepteert niet dat de slavenhandel zo weinig winsten heeft afgeworpen. Des te erger, zou ik zeggen want het maakt het lijden van de slaven er niet minder om. En hun aantallen dalen er ook niet door.

In het moderne collectieve geheugen zijn slavenplantages een soort concentratiekampen waarop ondervoede ploeteraars dag en nacht bloot stonden aan afranselingen met de zweep terwijl de vrouwen en meisjes door hun blanke bezitters aan de lopende band werden verkracht. Ook hier plaatst Emmer kanttekeningen bij. Er waren volgens hem grenzen aan wat een plantagebaas de slaven kon aandoen. Wie te ver ging zag zich geconfronteerd met sabotage, staking, opstand en zelfs vergiftiging. Op de meeste plantages heerste dan ook een ongemakkelijke modus vivendi. Ook dit valt slecht bij veel moderne nazaten van de slaven. Er wordt ze iets belangrijks afgenomen: Emmer bagatelliseert in hun ogen het lijden van de voorouders.

Daarom staat de emeritus hoogleraar in brede kring bekend als goedprater van de slavernij, iets wat hij zelf ten stelligste ontkent.

Nieuw onderzoek werpt een ander licht op de zaak. De historici Pepijn Brandon en Ulbe Bosma, beiden verbonden aan het Internationaal Instituut voor de Sociale Geschiedenis (IISG) hebben uitgerekend dat rond 1770 5,2% van het Bruto Binnenlands Product met slavernij samenhing. Voor de provincie Holland (tegenwoordig Noord- en Zuid-Holland) bedroeg dit 10,36%. 19% van de door Nederlandse kooplui verhandelde producten was door slaven verbouwd. 40% van de economische groei in het laatste kwart van de achttiende eeuw hing samen met slavernij. Dan moet je er wel bij vertellen dat die economische groei over het geheel genomen niet denderend was. Brandon en Bosma berekenden daarnaast hoeveel mensjaren er alles bij elkaar voor Nederlandse eigenaren in slavernij werd gewerkt: 120.000.

De nieuwe publicatie over de rol van Amsterdam en de Amsterdammers bij de slavenhandel, toont onmiskenbaar aan dat je als individu met plantages en slavenhandel wel degelijk rijk kon worden als je tijdig wist uit te stappen. De ambtswoning van burgemeester Halsema, gebouwd door zo iemand, geeft daar blijk van. Daarmee is Emmers visie niet onderuit gehaald. Hij zal echter niet kunnen vermijden in het licht van deze gegevens zijn conclusies bij te stellen. Maar zijn levenswerk is bepaald niet van tafel geveegd. Wat zijn opvattingen over het leven op de plantages betreft, staat Emmer niet alleen. Ook prof. dr. Gert  Oostindië stelt vast dat zo’n plantage op den duur een soort leefgemeenschap werd waarin iedereen – de bazen net zo goed – wist wat zijn positie was en waar de lijn liep tussen macht en misbruik.

Toch vonden er onmiskenbaar de nodige excessen plaats. Als je bezitter je toch het bed in sleurde, had je als slavin geen enkel verweer. In Paramaribo was een instantie waar je tegen betaling je slaaf of slavin kon laten afranselen. Nog in 1833 zijn daar drie slaven, die sporen van een inbraakje hadden proberen uit te wissen door een brandje te stichten, na een officiële veroordeling levend verbrand. Men nam niet zijn toevlucht tot een ouderwetse brandstapel van het soort waar Filips II ketters op liet plaatsen. Men pakte het modern, negentiende eeuws aan: men trok de slachtoffers eerst in terpentine doordrenkte kleren aan en hield er daarna een fakkel bij. Ook het vreselijk lot van de Curaçaose opstandelingenleider Tula en zijn naaste medewerker behoeft geen nader commentaar: eerst werden ze op een langzame manier geradbraakt. Daarna werd hun gezicht met vuur geblakerd. Tenslotte volgde onthoofding.

Ideologen die aan cherry picking doen in de geschiedenis, vinden altijd wel het nodige van hun gading. Een behoorlijk beeld van het verleden schetsen zij dan niet. Zij presenteren een zwart-wit karikatuur als enige waarheid om er vervolgens hun programma voor het heden op te baseren. Echter, in het vak geschoolde, geschiedschrijvers hebben daar een hekel aan, hoe politiek geëngageerd ze voor het overige ook mogen zijn. Van Ewout van Vugts aanbevelenswaardige boek Roofstaat zullen zij zeggen dat het óók allemaal waar is maar dat de schrijver geen recht doet aan het wezen van Nederland. Je moet het wel lezen maar wie het daarbij laat doet zichzelf ernstig tekort.

Winston Churchill was een held. Hij zag het gevaar van Hitler veel eerder in dan de meeste van zijn conservatieve geestverwanten. Hij speelde een maatgevende rol in de strijd tegen de nationaalsocialistische tirannie. Ook was hij een voorstander van gasaanvallen op Irakese opstandelingen. De algemene staking van 1925 liet hij in een week of wat neerslaan. Of hij bewust en te veel wegkeek van de hongersnood in Bengalen uit 1943 is een punt van controverse. Dát zo’n beetje.

Het gaat niet aan om mensen als Piet Emmer voor racist uit te maken omdat hun bevindingen niet allemaal in je pulletje passen. Als jij denkt dat slavernij alleen maar veroordeeld kan worden op grond van gruwelijke excessen, dan heb jij het wezen van dit stelsel van ontmenselijking niet goed begrepen en zul je het ook niet herkennen als het in een ander kleed ineens voor je neus staat. Dat is dan jouw probleem, niet dat van  professor Emmer.

In de column van Asha ten Broeke staat nóg een misvatting. Zij schrijft immers: “Hij kiest ervoor de slavernijgeschiedenis door de ogen van witte Europeanen te bekijken en niet door de ogen van tot slaaf gemaakten. Die keuzes kleuren zijn betoog. Ik vind zijn betoog racistisch.”

In dat geval zou een slavernijgeschiedenis door de ogen van tot slaaf gemaakten net zo goed racistisch zijn. En dat terwijl dit nu juist zo’n belangrijk desideratum is, zoals wij gediplomeerde geschiedschrijvers het deftig zeggen. De bronnen bevatten er slechts glimpen van – bijvoorbeeld in notariële en gerechtelijke archieven – terwijl het razend moeilijk (maar niet onmogelijk) is van generatie op generatie overgeleverde familieverhalen tot een waarachtige kern terug te brengen. Dat is punt één. Daarnaast is het flauwekul te beweren dat Emmer ervoor gekozen heeft de slavernijgeschiedenis door de ogen van witte Europeanen te bekijken. Hij heeft vooral uit oude archieven door het kritisch lezen van wat daarin werd opgeschreven, zijn werkmateriaal verzameld.

Is dat de alfa en omega van wat daar uit te halen valt? “Geschiedenis is een discussie zonder eind”¨, zei wijlen professor Pieter Geijl al. Zo is het en wie daar “racist” doorheen schreeuwt, is een ideoloog die kwaad wordt omdat het eigen uit cherry picking ontstane drogbeeld wordt ontmaskerd.

Met de gebutste Piet Emmer hoeven we overigens geen  medelijden te hebben. Hij geniet van controverse rond zijn persoon. Hij heeft het keteltje van zijn computer vast al opgestookt en het toetsenbord geolied.


Laatste publicatie van Han van der Horst

  • Zwarte Jaren

    Nederland in de Tweede Wereldoorlog

    2020


Geef een reactie

Laatste reacties (237)