Laatste update 10:46
635
12

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Isolationisme in Europa

Na de val van de muur lijkt in het van oudsher internationalistische Europa het isolationisme een tweede leven te beginnen

Europa lijkt de laatste decennia in de ban te zijn geraakt van een sentiment dat hier nooit eerder heeft gedijt: isolationisme. In veel Europese landen lijken de burgers de buitenwereld het liefst de rug te willen toekeren en hun internationale verplichtingen te willen afbouwen.

Oekraïne referendum als voorbeeld van het nieuwe isolationisme
Traditioneel is isolationisme een Amerikaans en geen Europees fenomeen. Voor de VS, veilig beschut tussen twee oceanen, was het altijd een optie om zich van de wereld af te keren en zich volledig met zichzelf bezig te houden. Voor Europese landen ― sinds mensenheugenis dicht op elkaar gepakt op een overbevolkt continent ― was een dergelijke houding nooit een alternatief dat men zich kon veroorloven. Europese natiestaten moesten er constant voor waken dat ze elkaar niet in de haren vlogen. Na de val van de muur is dat veranderd. Het einde van de Koude Oorlog en het succes van de EU heeft de condities gecreëerd voor een soort eigen Europees isolationisme (en, ja, het succes van de EU heeft daarmee in zekere zin de condities geschapen voor haar eigen verval). In Nederland is er inmiddels weinig enthousiasme meer voor enige internationale rol. Het Oekraïne referendum is daarvan het laatste voorbeeld.Noentanglements

Om het klassieke isolationisme te begrijpen moet je je verplaatsen in de Amerikaanse omstandigheden. Er zit een fysieke, ruimtelijke dimensie aan isolationisme. Van 1989 tot 1990 ― de tijd toen de Berlijnse muur viel ― woonde ik in Minneapolis, een grote stad aan de rand van de ‘Great Plains’, de eindeloze vlakten in het midden van de Verenigde Staten. De val van de muur was ongetwijfeld één van de bepalende, wereldhistorische gebeurtenissen van de laatste 50 jaar, maar in het Minneapolis van 1989 was het niet iets dat de gemoederen erg bezighield. Zeker, er werd verslag van gedaan in de krant en op de televisie, maar tijdens de lunch en in de koffiepauze was het geen belangrijk onderwerp van gesprek. Ik herinner me nog hoe geanimeerd de Duitse uitwisselingsstudenten waren over de historische ontwikkelingen in hun land, en hoezeer hun uitzinnigheid uit de toon viel in het gezelschap van Amerikaanse Midwesterners die hun schouders ophaalden over wat er zich in Berlijn aan het afspelen was. Omringd door leegte, naaldbomen en ijsvlakten waren de grote veranderingen in Centraal Europa héél erg ver weg voor de Minneapolitanen.

Wat zich in Europa afspeelde was achtergrondruis, zonder veel betekenis voor het leven van alledag in Minnesota. In de VS bestaat dan ook altijd de reflex om zich terug te trekken van de wereld, een reflex die politieke leiders uit bittere ervaring (twee Wereldoorlogen en een paar honderdduizend dode GI’s) hebben leren negeren. De meeste Amerikaanse politici hebben tot op vandaag ongeveer net zoveel vertrouwen in de voordelen van isolationisme als in die van de centraal geleide planeconomie en de mainframe computer.

Luiken dicht
Na de val van de muur lijkt in het van oudsher internationalistische Europa het isolationisme echter een tweede leven te beginnen. Tot 25 jaar geleden hing er een IJzeren Gordijn in Europa, een paar uur rijden van de Nederlandse grens, met daarachter een vijandige troepenmacht en een arsenaal aan nucleaire wapens die op ons waren gericht. Dat hield de aandacht voor de buitenlandse ontwikkelingen scherp. Deze scheidslijn is gelukkig verdwenen en sinds 1989 heeft Europa zich ontwikkeld tot een vreedzame, vrije ruimte zonder grenzen. Het idee dat wij nog iets moeten vrezen van onze directe buren is voor de meeste Europeanen lachwekkend geworden. Voor Nederlanders, beschut achter een ring van grote Europese mogendheden ― en zich beschermd wetend door de veiligheidsparaplu van de VS ― zijn de troebelen in Oekraïne, Syrië en Libië nu ook niet meer dan achtergrondruis; conflicten die ons niet echt kunnen raken en die voor het leven hier geen directe betekenis lijken te hebben. De reflex van veel Europese burgers is dan ook om zich ervan af te wenden, de luiken dicht te doen en de wereld buiten te sluiten. Pas als de boel escaleert en de slachtoffers van de conflicten op de Europese stranden aanspoelen, wordt een respons opgetuigd, een respons die er vervolgens vooral weer op is gericht om de problemen buiten de deur te houden (Turkije afkopen om de vluchtelingen weer terug naar Turkije te kunnen sturen).

Europa niet langer topprioriteit voor VS
Het is de vraag of dat nog lang goed blijft gaan. Vorige week werd een lang interview met Obama gepubliceerd in The Atlantic, waarin hij openhartig de veranderingen in het Amerikaanse buitenlandse beleid van de laatste jaren besprak ― een interview dat in veel Europese hoofdsteden met enige zorg is gelezen. Door de schaliegas-revolutie kan Amerika in haar eigen energiebehoeften voorzien en is het Midden Oosten voor de VS geen prioriteit meer, stelt Obama. Ook Europa is niet langer een topprioriteit voor de VS. Hij zette de Europese en Arabische bondgenoten van de VS verschillende keren neer als ‘high-maintenance allies’ en ‘freeriders’, uitvreters die de macht van Amerika willen aanwenden voor hun enge nationale belang, zonder zelf eigen mensen en materieel te willen bijdragen.

De druppel
Libië was de druppel die voor Obama de emmer deed overlopen. Ingrijpen in Libië diende geen enkel direct Amerikaans belang. Amerika had de actie van bondgenoten Frankrijk en Engeland vooral ondersteund, omdat zij ingrijpen in Libië belangrijk vonden. Dat was uitgelopen op wat Obama binnenkamers een ‘shit show’ noemde, omdat Engeland en Frankrijk snel hun belangstelling voor Libië hadden verloren en het land volledig in de steek hadden gelaten. In Syrië had hij daarom het roer omgegooid en de crisis niet meer aangepakt volgens het gebruikelijke ‘Washington playbook’, het gangbare draaiboek waarmee interventies op touw werden gezet. Hij had er genoeg van de Europeanen steeds maar bij het handje te houden. Onder Obama is de aandacht van de VS bewust verschoven naar de Stille Oceaan. De accommodatie van het opkomende China is voor de VS het belangrijkste vraagstuk van de 21ste eeuw, niet Europa en de onoplosbare ellende in het Midden Oosten.

Er is veel kritiek op Obama’s interview gekomen. Obama’s internationale politiek zou een mislukking zijn en hij zou zijn straatje hebben willen schoonvegen. Afghanistan en Irak hebben Obama misschien geleerd om de beperkingen van militair ingrijpen onder ogen te zien, maar Syrië maakt duidelijk dat zijn besluit om afzijdig te blijven ook een prijs heeft. Obama – opgegroeid in Indonesië en Hawaï – zou geen emotionele connectie hebben met Europa, en dat zou met een andere president in het Witte Huis veranderen.

Europa’s reactie op Poetin
Dat mag allemaal waar zijn maar Obama stipt een aantal ontwikkelingen aan dat Europese leiders hoe dan ook onder ogen zullen moeten zien. Het Midden-Oosten is voor de VS misschien niet van essentieel belang meer, maar Europa is er nog steeds afhankelijk van voor zijn olie en ondervindt er nog steeds direct de gevolgen van als de regio verder destabiliseert. Obama mag Poetin een vervelend patsertje vinden die uiteindelijk door zijn eigen wanbeleid wel zal worden ingehaald, maar ondertussen is hij voor Europa wel een echt probleem. Nu de VS zich terugtrekt zal Europa daarop zelf een antwoord moeten formuleren, en dat antwoord zal niet in de eigen navel te vinden zijn.

Geef een reactie

Laatste reacties (12)