1.354
15

oud-ambassadeur

Na mijn studie, theoretische economie en sociologie, aan de Nederlandsche Economische Hogeschool, nu Erasmus Universiteit, was ik voor UNESCO verbonden aan een onderzoeksinstituut in Rio de Janeiro, Brazilië [1967-1070]. Daarna werkte ik tot mijn pensionering in tal van functies voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken [1970-2003].
Als plaatsvervangend bewindvoerder in de Aziatische Ontwikkelingsbank, Manilla, Filippijnen, vertegenwoordigde ik de Scandinavische landen, Finland, Canada en Nederland [1975-1977]. Aansluitend was ik adviseur van de Nederlandse bewindvoerder in de Wereldbank, Washington DC [1977-1980]. Teruggeroepen naar het ministerie kreeg ik de leiding van de Directie Financieel-Economische Zaken van het ministerie en ontwikkelingssamenwerking [1980-1987], met een gelijktijdige functie van Chef van de Interne Accountantsdienst [1985-1986].
Daarna was ik ambassadeur in Jemen, Tanzania, Comoren, Mauritius, Madagaskar en Saudi Arabië [1987-2000]. Ik sloot mijn ambtelijke carrière af als adviseur buitenlandse aangelegenheden van de minister-president van de Nederlandse Antillen [2000-2003].
Na mijn pensionering [maart 2003] houd ik mij bezig met het bevorderen van een rechtvaardige en duurzame vrede op basis van het internationaal recht tussen Israël en Palestina. Ik was bestuurslid van de stichting Stop de Bezetting [2007-2010] en manager van het Burgerinitiatief Sloop de Muur, dat medio 2012 leidde tot een geruchtmakend debat in de Tweede Kamer.
Johannes Jacobus (Jan) Wijenberg, geboren in Rotterdam, 02-03-1938, getrouwd, vier kinderen en zeven kleinkinderen.

Israël is kampioen ngo’s onderdrukken

Hoe kan het dat Israël niet wordt genoemd in de lijst van landen die ngo's niet respecteren?

The Economist bracht op 13 september 2014 een artikel over de problemen waarmee overheden niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) wereldwijd steeds meer lastigvallen. Er werd zelfs een redactioneel commentaar aan gewijd. Vooral autocratische regimes maken zich er schuldig aan. Ngo’s die buitenlandse donaties ontvangen, worden vaak onder het mom van transparantie moedwillig in problemen gebracht. Meestal betreft het de onderdrukking van het regime ongewenste doelstellingen en opvattingen en vaak juridische terreur tegen de vrijwilligers. Een groot aantal landen passeert de revue. Een afwezige in het rijtje landen is Israël, en dat is opmerkelijk.

De Amerikaans/Joodse Max Blumenthal, ‘New York Times bestselling author’, leefde ruim drie jaar in Israël en de Palestijnse bezette gebieden. Het resultaat van journalistiek onderzoek in de beste Amerikaanse traditie legde hij vast in “Goliath, Life and Loathing in Greater Israel”, 2013, Nation Books, New York, een huiveringwekkende studie over Israël. Hij noteerde zijn bevindingen toen een extreem-rechts land in handen kwam van ultra-extreme partijen.

Het functioneren van Palestijnse ngo’s wordt al jarenlang dwarsgezeten: regelmatige vernieling van hun kantoren, archieven en computers, mishandelingen door de Israel Defence Forces en gevangenschap van de leiders en de advocaten. Tot voor kort bleven Israëlische ngo’s die zich inzetten voor de mensenrechten, ook van de Palestijnen, min of meer buiten schot. Met het aantreden van een coalitie van vooral ultra-ultra’s ging het snel verder bergafwaarts.

Tegen 2012 had de burgerrechtenbeweging, de Association for Civil Rights in Israel [ACRI] zesenveertig antidemocratische wetten en ontwerpwetten geïdentificeerd. Eén werd geïntroduceerd door het ‘gematigde’ Kadima. Het stelt voor elke Israëlische non-profit organisatie die informatie geeft aan buitenlandse autoriteiten of die onderzoek naar oorlogsmisdaden verrichten over Israëlische politici of militaire officieren, buiten de wet te stellen. [Blumenthal, blz. 62]

De groeiende paniek bij de regering over de Boycott, Desinvestment and Sanctions [BDS] beweging leidde tot wetgeving die de boycot van Israëlische producten criminaliseert. Zeèv Elkin, Likoed, introduceerde een wet die uitspraken die schadelijk geacht worden voor de Joodse staat, expliciet strafbaar stelt. Bovendien kan iedere Israëli die zijn zakelijke belangen geschaad acht door de boycot de pleger – geen bewijs vereist – aanklagen in een civiele rechtbank. Anar Mattar, pro-BDS en hoogleraar in de sociologie aan de Tel Aviv University, betoogde dat dit zeer schadelijk was voor Adalah [het juridisch centrum voor Arabische minderheden rechten], Yes Din [de monitoring groep van de bezetting], B’tselem [het Israëlische informatiecentrum voor de mensenrechten] en vele andere. Dat zij haar baan zou verliezen, achtte zij van minder belang. [Blumenthal, blz. 217, 218]

Hagai El-Ad, directeur ACRI zei: “The government is directing an all-out assault on the foundations of democracy. […] The freedom of human rights organisations to operate is just the latest target.” Oftewel, de vrijheid van mensenrechtenorganisaties is onze laatste zorg. [Blumenthal, blz, 219]

Elkin’s wet werd op 13 juli 2011 aangenomen (47 tegen 38). Netanyahu was er frivool over in de Knesset: “Israeli democracy is excellent and will always remain so.” [Blumenthal, blz.  222, 223]

Twee partijen, Likoed en Yisrael Beiteinu [‘Israël Ons Huis’] beschikken samen over de jeugdige, vooral op straat opererende groep Im Tirtzu [‘Als jij het wil’, naar Theodore Herzl: ‘Als je het wil, is het geen droom.’]. Zij zien zich als een buitenparlementaire groep die werkt aan het versterken en bevorderen van de waarden van het Zionisme in Israël. De groep, ook een knokploeg, ontwikkelde verreikende plannen om Israël’s toch al zwakke democratisch kamp  permanent te marginaliseren. Im Tirtzu stelde zich aan het land voor met een alomvattende aanval op Israëlische mensenrechtenorganisaties, vooral de ngo’s die mishandelingen door het leger in de bezette Westoever en Gaza documenteren (Blumenthal, blz. 224).

De grootste koepelorganisatie van mensenrechtenorganisaties, het zeker 30 jaar oude New Israel Fund [NIF] en zijn voorzitter, Naomi Chazan, waren de eerste slachtoffers van deze campagne. Het politieke succes was groot. De Knesset installeerde een anti-ngo inquisitie panel, expliciet gemodelleerd naar de beruchte Amerikaanse heksenjacht in de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw, onder leiding van Senator Joseph McCarthy. Vooral ngo’s die door het NIF worden gefinancierd, worden aan onderzoek onderworpen. Naar Russisch voorbeeld werd in de haast een wetsvoorstel gepresenteerd. Er zou 45% belasting geheven worden op buitenlandse bijdragen, met een limiet van US$ 20.000 op buitenlandse schenkingen. Hoewel de wet de Knesset al was gepasseerd, trok Netanyahu deze, na heftige druk uit de Europese Unie, op het laatste moment terug. [Blumenthal, blz. 225]

Een essentieel doel van de kolonisten is politiek-ideologische greep krijgen op het hoogste juridische gezag, de Supreme Court. Likoed volksvertegenwoordiger Hari Levi introduceerde een wetsontwerp waarin kandidaat-rechters kunnen worden gediskwalificeerd en vonnissen van de Supreme Court door het parlement nietig verklaard. [Blumenthal, blz. 74, 223]

Premier Netanyahu houdt vol: “Israël is Joods èn democratisch.” Tja.

Waarom wordt Israël als vijand van de ngo’s niet genoemd? De meeste Westerse politici, ook veel Nederlandse, negeren de Israëlische werkelijkheid en verbinden er geen politieke consequenties aan. De meeste westerse media geven geen waarheidsgetrouw beeld van Israël, The Economist, Nederlandse kwaliteitskranten, de VARA en de NPO niet uitgezonderd. De Palestijnen en de bedoeïenen betalen de hoge prijs.

Geef een reactie

Laatste reacties (15)